De vanzelfsprekende opgave
Een impuls voor de rijke Groningse ontwerp- en planningstraditie
Naar een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa, zo luidt de titel van de Verklaring van Davos die op 22 januari 2018 ondertekend werd door de Europese ministers van Cultuur. Het is een oproep om van iedere menselijke activiteit in de gebouwde omgeving een culturele daad te maken. Is dat nieuw? Nou, de term ‘bouwcultuur’ misschien wel. Maar decennialang deden we niet anders. Economie en cultuur hoorden bij elkaar, en versterkten elkaar. Ze gaven samen antwoord op grote maatschappelijke opgaven – niet in de laatste plaats in Groningen.
Een prachtig Gronings verhaal
Duizend woningen bouwen in twee jaar tijd, van initiatief tot oplevering. Geen tijdelijke units, maar volwaardige, goed ontworpen Groninger eengezinswoningen. Onmogelijk? Nou, niet als het aan Huib Ottevanger ligt, de burgemeester van Ulrum. In 1950 lanceert hij zijn unieke 1000-woningenplan.
Het plan speelt op een slimme manier in op de ambities van het ministerie van Wederopbouw. Dat geeft in de naoorlogse jaren iedere Nederlandse gemeente een woningcontingent, ofwel een maximum aan de hoeveelheid te bouwen woningen. Dat mag verdubbeld worden wanneer er gebruik wordt gemaakt van systeembouw.
Het Rijk doet dat niet voor niets. Systeembouw is een middel om extra snelheid te maken in het ledigen van de woningnood. Onderdelen worden in de fabriek gemaakt en op de bouwplaats geassembleerd. Dat gaat sneller en vraagt ook nog eens om minder specialistische kennis. In een tijd van krapte op de arbeidsmarkt kunnen ook ongeschoolde arbeiders een deel van het werk doen.
Woningen uit het 1000-woningenplan in Nieuwe Pekela
Naast tijd bespaart het ook nog eens ontwerpkosten. Zo worden de woningen in serie gebouwd. De basis is al uitgedacht. Toch betekent dit niet dat ‘de architect’ op een zijspoor komt te staan. Integendeel zelfs. Net als voor de oorlog is het ook na 1945 de normaalste zaak van de wereld dat je een goede architect betrekt bij zo ongeveer iedere bouwopgave: van sociale woningbouw, middenstandswoningen en markante villa’s tot stations, bedrijfsgebouwen, fabrieken, urinoirs en elektriciteitshuisjes. Die architect voert in negen van de tien gevallen zelfs de regie. Zo ook bij het 1000-woningenplan.
Voor het ontwerp van zijn duizend woningen komt Ottevanger uit bij architectenbureau Kuiler & Drewes, destijds een van de meest prominente bureaus van de provincie Groningen. Zeker hun vooroorlogse oeuvre, nu vaak met een monumentenstatus, is indrukwekkend. Ottevanger vraagt de architecten een ontwerp te maken voor een rijwoning die in één bouwstroom, en met behulp van vroege systeembouw, door lokale aannemers gerealiseerd kan worden. En dan niet alleen een aansprekend geveltje, maar the full package: de typologie, plattegrond, detaillering, technische uitwerking en de stedenbouwkundige situering. Het echte architectenwerk dus. Kuiler en Drewes krijgen bovendien nog een belangrijke opgave mee: de woning moet ‘Gronings’ worden.
Terwijl de architecten, of eigenlijk hun jonge medewerkers Jan Adam Por en Pieter Mient Hoekstra, aan het ontwerp werken, gaat Huib Ottevanger met zijn idee de boer op. Ruim dertig andere Groninger gemeenten sluiten zich aan. Daarna gaat het snel. Op 28 augustus 1950 vangt de bouw van het eerste blok aan, natuurlijk in Ulrum.
Feestelijke opening van de duizendste woning uit het 1000-woningenplan, aan de Noorderstraat in Hoogkerk, 1952 // Fotobedrijf Piet Boonstra, Groninger Archieven
Op 8 mei 1952 komt Joris in ’t Veld, de minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, naar Hoogkerk voor de oplevering van de duizendste woning. De teller stopt bij 1165 woningen, waarvan er tegenwoordig amper nog 250 over zijn. Want hoe charmant ook, veel woningen uit het 1000-woningenplan zijn vooral in de afgelopen jaren gesloopt en vervangen door nieuwbouw.
Is dat erg? Vanuit cultuurhistorisch opzicht wel. De woningen vertellen namelijk een bijzonder Gronings verhaal. En ook vanuit het oogpunt van duurzaamheid scoren we met sloop-nieuwbouw nou niet bepaald punten.
Daar staat tegenover dat veel woningen uit deze periode er energetisch natuurlijk niet al te best op staan. Ook de bouwkwaliteit is van een totaal andere orde dan onze huidige standaarden. Daarnaast zou je kunnen stellen dat er qua karakter niet veel verloren gaat. Het ontwerp van Kuiler & Drewes is namelijk niet heel opvallend. Als je het verhaal niet kent, zou je er zo aan voorbijlopen.
Toch zit er meer in de woningen dan je denkt. Wie goed kijkt, ziet hoe liefdevol ze eigenlijk ontworpen zijn. Helemaal binnen de context van de naoorlogse materiaalschaarste en de noodzaak om snel en goedkoop te bouwen is dat een hele prestatie. De typerende Groninger baksteen, de oranjerode pannen, het subtiele overstek, de zichtbare schoorsteen in het metselwerk en de kenmerkende witte steentjes boven iedere toegangsdeur geven de woningen een opvallend onopvallend karakter.
En dan vergeten we nog de ruime voortuintjes, oorspronkelijk omzoomd met hagen. De kers op de taart is het tegeltableau van de Groninger kunstenaar Anno Smith, dat in ieder dorp op het eerst gerealiseerde blok wordt geplaatst. Op het tableau bevinden zich de wapens van alle deelnemende gemeenten.
Naast een prachtig Gronings verhaal is het 1000-woningenplan ook een sterk voorbeeld van een integrale bouwcultuur die decennialang aan de basis lag van het werken en ontwerpen aan de leefomgeving. Zo dient Huib Ottevangers plan vanaf het begin meerdere doelen en maakt het optimaal gebruik van wat we nu ontwerpkracht noemen.
Ja, het moest snel en goedkoop, maar wel goed en met karakter. Gronings karakter. Ondertussen dienden de duizend woningen als trainingsveld voor de vroege systeembouw. Het plan daagde de ontwerpers uit de mogelijkheden te ontdekken en was een steun in de rug voor lokale aannemers. Want zij bouwden die 1165 woningen overal in Groningen; van Oosterhoogebrug en Nieuwe Pekela tot Ulrum, van Stadskanaal tot Uithuizen en van Ten Post tot Leek. Bovendien inspireerde het 31 Groninger gemeenten om samen op te trekken.
Bouwen met karakter
In de naoorlogse jaren is het zeker niet alleen Huib Ottevanger die zo denkt. Onze woningbouw en stads- en dorpsontwikkeling is in die tijd ook een culturele daad die zeker op het vlak van de volkshuisvesting sterk maatschappelijk-ideologisch wordt gestuurd. Schoonheid en goed ontwerp worden niet beschouwd als een kostenpost of een aardig extraatje. Nee, ze zijn vanzelfsprekend onderdeel van iedere opgave.
Dat blijkt in de naoorlogse jaren niet alleen uit het 1000-woningenplan. Het zit ook in een vergelijkbaar project dat vanaf 1948 door het ministerie van Wederopbouw landelijk wordt uitgerold: het Normaalwoningenprogramma. Net als bij het 1000-woningenplan, is het ledigen van de woningnood een belangrijk doel van het rijksprogramma. Snelheid is geboden, maar liefst wel binnen budget.
Mede daarom kiest het ministerie van Wederopbouw voor de ontwikkeling van een catalogus met gestandaardiseerde woningen die deels in vroege systeembouw gerealiseerd kunnen worden. Door op grote schaal materiaal in te kopen kunnen de woningen efficiënt gerealiseerd worden.
Toch is snel en goedkoop niet het enige streven. Het doel is om per regio recht te doen aan de context. Daarom wordt samenwerking gezocht met de lokale kringen van de Bond Nederlandse Architecten (BNA). Deze krijgen de vraag om streekeigen varianten te ontwerpen: karaktervol en met oog voor detail. Voor Groningen leidt dat tot uiteenlopende varianten voor Winsum, Leek, Noorddijk en de stad. Het ontwerp is van de hand van prominente Groninger architecten, waaronder Klaas Prummel, Van Wijk & Broos en Klaas Gerrit Olsmeyer.
Normaalwoning, ontworpen door architectenbureau Van Wijk en Broos, 1948
Normaalwoningen aan de Karel Doormanstraat in Appingedam, 1960
De deelnemende architecten worden bovendien gestimuleerd om samen met lokale aannemers traditionele bouwmethoden te verknopen met systeem- en montagebouw. Op die manier wil het ministerie een impuls geven aan de lokale bouwpraktijk. En omdat dit nog niet genoeg is, dient
het Normaalwoningenprogramma ook nog eens als stimulans voor de woningcorporaties. Gesubsidieerd door het ministerie treden deze namelijk in veel gevallen op als opdrachtgever. Sturen op maatschappelijke meerwaarde dus, op verschillende niveaus, net zoals bij het 1000-woningenplan van de burgemeester van Ulrum.
Natuurlijk ging dit niet zonder slag of stoot. Zo valt het Normaalwoningenprogramma niet bij alle architecten in goede aarde. In het Bouwkundig Weekblad, destijds het lijfblad van menig architect, leidt het eind jaren veertig tot stevige discussies. Sommige architecten vinden dat ze met die standaardwoning te veel in een keurslijf gedwongen worden. Ook is niet iedereen overtuigd van de efficiëntie van de normaalwoning.
Kort na de Tweede Wereldoorlog is de rol van het ontwerp helder: het creëren van maatschappelijke meerwaarde binnen sociale en economische kaders, daarbij strevend naar schoonheid, karakter en de hoogst mogelijke kwaliteit
Verder zijn er architecten die moeite hebben met de rol die het ministerie pakt in de architectenselectie. Weliswaar gebeurt dit via de regionale BNA- afdelingen, maar toch. Had de Rijksoverheid de touwtjes van de naoorlogse wederopbouw en volkshuisvesting niet al genoeg in handen?
Toch staat de meerderheid van de Nederlandse architecten positief tegenover het Normaalwoningenprogramma, waaronder ook BNA-voorzitter A.J. van der Steur. In een speciale editie van het Bouwkundig Weekblad over de Normaalwoningbouw, spreekt hij in 1948 zijn collegae aan op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.
De oproep van Van der Steur is illustratief voor het engagement van veel (naoorlogse) architecten, zeker op het vlak van de volkshuisvesting. Bovendien geeft het inzicht in de rol die het ontwerp zichzelf toedicht: het bijeenbrengen van sociale, economische en architectonische waarden. Ofwel, vrij vertaald: het creëren van maatschappelijke meerwaarde binnen sociale en economische kaders, daarbij strevend naar schoonheid, karakter en de hoogst mogelijke kwaliteit. Overigens is dat een rolopvatting die in die tijd door vrijwel niemand in twijfel wordt getrokken, getuige de vanzelfsprekendheid waarmee het Rijk de samenwerking met de BNA zoekt.
Institutioneel ontwerp: een rijke traditie
Het belang van goed en vooral ook zorgvuldig ontwerp zit diep in het Nederlandse en zeker ook het Groninger DNA. Tot ver in de twintigste eeuw is het een vanzelfsprekendheid. Zo bemoeit de Rijksoverheid zich op tal van schaalniveaus met architectuur en vormgeving: van postzegel en bankbiljet tot duizenden kilometers wegen, spoorwegen en kanalen, tienduizenden hectaren polders, miljoenen woningen, maar ook stations, postkantoren, ziekenhuizen en telefooncellen. Dat gebeurt rechtstreeks vanuit de ministeries, maar ook via uitvoeringsorganisaties als Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer, de Cultuurtechnische Dienst en zijn opvolgers, waaronder de Landinrichtingsdienst (1978) en de Dienst Landelijk Gebied (1997 – 2015).
Niet alleen binnen de burelen van het Rijk en haar uitvoeringsorganisaties is ontwerpende aandacht en dienstbaarheid aan de publieke zaak de normaalste zaak van de wereld. Tal van gemeenten hebben decennialang eigen gemeente- of stadsarchitecten in dienst en beschikken over forse afdelingen Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, waar de architectonische en stedenbouwkundige disciplines ruim vertegenwoordigd zijn. Sterker: veel directeuren van de gemeentelijke diensten hebben een ontwerpende of civieltechnische achtergrond.
Jan Anthony Mulock Houwer, directeur van de Dienst Gemeentewerken, 1916-17 // Foto: P.B. Kramer, Groninger Archieven
Een mooi voorbeeld is bouwkundig ingenieur Jan Anthony Mulock Houwer, die na een lange carrière als bouwmeester van de gemeente Deventer in 1900 de overstap maakt naar de stad Groningen. Daar wordt hij directeur van de Dienst Gemeentewerken, een functie die hij tot 1923 bekleedt. In zijn periode zit hij met regelmaat nog zelf achter de tekentafel. Zo is hij vanaf 1902 verantwoordelijk voor het eerste uitbreidingsplan van de gemeente Groningen. Ook ontwerpt hij voor de gemeente tal van monumentale gebouwen, waaronder de gemeentelijke elektriciteitscentrale aan de Bloemsingel, de watertoren aan de Hofstede de Grootkade en de arbeiderswoningen van het Blauwe Dorp.
Al die bouwwerken zijn nog altijd medebepalend voor het karakter van de stad. En voor wie de stenen bankjes in het Stadspark kent: ook die zijn van de hand van Mulock Houwer. Samen met industrieel Jan Evert Scholten en oogarts Jan Schutter neemt hij zelfs het initiatief voor de aanleg van het gehele park.
Na Mulock Houwer volgen nog diverse andere stadsarchitecten en stadsstedenbouwers die al ontwerpend hun sporen achterlaten in de stad. De bekendste is zonder twijfel Siebe Jan Bouma, die in de periode 1920 – 1942 een indrukwekkend oeuvre opbouwt. Vooral zijn scholen zijn van een bijzonder hoog niveau, net als het kantoor van de Dienst Gemeentewerken aan het Gedempte Zuiderdiep. Ook ontwerpt Bouma transformatorhuisjes, brugwachtershuisjes, urinoirs, openbare ruimte en een prachtig woningbouwcomplex aan de Turfsingel, en nog heel veel meer.
Schoolgebouw in de Groningse Oosterparkwijk, naar ontwerp van Siebe Jan Bouma
Na de Tweede Wereldoorlog wordt die traditie onder meer voortgezet door Jaap Wilhelm, die als hoofdarchitect bij de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting vooral hoge ogen gooit met zijn scholen, die binnen en buiten Groningen van grote invloed zijn geweest op de Nederlandse scholenbouw.
Dat het hebben van een eigen architect niet alleen voorbehouden is aan de stad, blijkt wel uit het feit dat ook tal van andere gemeenten tot ver in de jaren zeventig gemeentearchitecten in dienst hebben. Ze houden zich net als Mulock Houwer, Bouma en Wilhelm bezig met het ontwerpen van scholen, woningen, straatmeubilair en andere publieke gebouwen. Daarnaast zijn ze actief op het vlak van de stedenbouw en het ontwerp van de openbare ruimte.
Zo delen Bedum en Noorddijk de architecten G. Koolhof en G.H. de Kiviet, heeft Uithuizen H. Bronts, Stadskanaal J. Meinen, Marum A. Koekoek, Hoogkerk P. van der Zee, Veendam E. Brader, Sellingen N. Doornbos en Zuidbroek D. Veen. En ja, dit is slechts een kleine en buitengewoon willekeurige selectie.
Natuurlijk is het hebben van een stevige ontwerpafdeling en een gemeentearchitect geen garantie voor succes, al moet gezegd worden dat het werk van bovengenoemde ontwerpers vaak van bovengemiddeld niveau is. Wel zegt het veel over de waarde die binnen alle overheidslagen wordt gehecht aan interne ontwerpkracht. Daarbij staan al die stads- en gemeentearchitecten samen met hun collegae binnen het Rijk en de provincies symbool voor de rijke Nederlandse ontwerptraditie die in hoge mate bepalend is geweest voor onze omgevingskwaliteit.
Naoorlogse uitbreiding van de Parkwijk in Stadskanaal, waarvoor gemeentearchitect J. Meinen het stedenbouwkundig plan maakte
De kip met de gouden eieren
Ook in onze tijd worden architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur nog steeds op waarde geschat. Wel is de positie van het ontwerp veranderd, zeker binnen het Rijk. Daar zijn vanaf de jaren negentig steeds meer taken en bevoegdheden overgedragen aan gemeenten en provincies.
De verzelfstandiging van de woningcorporaties en het groeiende geloof in het oplossend vermogen van de markt passen eveneens in die ontwikkeling. Het eigenlijke ontwerpwerk wordt daarbij grotendeels uitbesteed. Rijk, gemeenten en provincies concentreren zich meer op het proces en de beleidsmatige kaders. Grofweg zou je kunnen stellen dat daarmee de ontwerpende aandacht plaatsgemaakt heeft voor een meer financiële en juridische invalshoek.
Het gekke is dat dit nagenoeg samenvalt met een gerichte stimulering van de Nederlandse architectuur vanuit het Rijk. Die vangt aan in 1991 met Ruimte voor Architectuur, de eerste rijksnota over het architectuurbeleid. Daarna volgen De Architectuur van de Ruimte (1997), Ontwerpen aan Nederland (2001), het Actieprogramma Ruimte en Cultuur (2005) en de visie Een cultuur van Ontwerpen (2009).
Vooral de eerste twee nota’s geven een enorme boost aan de Nederlandse architectuur. Ze leggen het fundament voor een sterke infrastructuur, met instellingen als het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), het Stimuleringsfonds voor Architectuur, het Berlage Instituut, Architectuur Lokaal en een trits aan lokale architectuurcentra. Ook zijn beide nota’s van wezenlijk belang voor de internationale positionering van Nederlandse architectenbureaus, die mede dankzij het architectuurbeleid letterlijk en figuurlijk de wereld over gaan vliegen.
De rijksmonumentale gemeentewerf met directeurswoning aan de Jacob Bruggemalaan in Veendam, in 1918 ontworpen door gemeentearchitect E. Brader
Daarna blijven de nota’s qua inhoud sterk, maar neemt de impact ervan wel af. Zeker na 2012, wanneer de spreekwoordelijke bezem door de instellingen gaat. Zo wordt het NAi omgebouwd tot Het Nieuwe Instituut, dat naast de architectuur ook andere ontwerpdisciplines moet gaan bedienen. Het Stimuleringsfonds Architectuur wordt onderdeel van het veel bredere Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.
Dat de invloed minder wordt, blijkt ook uit de geleidelijke afschaling van de status van het beleid. Waar de eerste drie architectuurnota’s nog volwaardige nota’s zijn, zijn hun opvolgers respectievelijk een actieprogramma, een visie en een actieagenda.
Op het moment dat we de bredere maatschappelijke waarde van goed ontwerp opnieuw zagen, hadden we geen instrumenten meer om het in de praktijk te brengen
Hoe het komt dat de traditie van ons institutioneel ontwerp verzwakt, terwijl er zeker met de eerste drie architectuurnota’s juist volop geïnvesteerd is in de profilering van architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur, vraagt nader onderzoek. Al zou het maar zo kunnen dat die profilering zich wat te veel heeft gericht op de grote projecten en het vak zelf. We hebben de sector versterkt en de Nederlandse architectuur gevierd als zelfstandige grootheid en exportproduct.
Ondertussen lijken we te zijn vergeten ook aandacht te houden voor de bredere maatschappelijke waarde van goed ontwerp. Voor datgene wat juist ten grondslag lag aan de traditie van het institutioneel ontwerp. En op het moment dat we dat gingen inzien, hadden we geen instrumenten meer om al die mooie woorden en ambities ook echt goed in de praktijk te brengen. Daarmee is het haast of we de kip met de gouden eieren niet hebben geslacht, maar wel behoorlijk van de leg hebben gebracht.
Nogmaals, het is een hypothese, maar dit zou ook zomaar eens de verklaring kunnen zijn voor het feit dat architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur terrein en vooral positie hebben verloren. Dat geldt voor de woningbouw en de bredere volkshuisvesting, maar ook voor tal van andere publieke opgaven, zoals de scholenbouw, de zorg, de openbare ruimte en de ontwerpende aandacht voor de leefomgeving als geheel.
Ook past het bij een ontwikkeling waarbij veel architectenbureaus zich, onbewust, de kaas van het brood hebben laten eten door aannemers en tekenbureaus. Juist dit soort disciplines waren voorheen integraal onderdeel van het ontwerp. Tegenwoordig wordt de technische uitwerking veelal uitbesteed, met als gevolg dat de architect meer en meer slechts een van de vele adviseurs aan tafel is en niet langer als vanzelfsprekend van begin tot eind bij een ontwikkeling betrokken is.
Wat dat betreft heeft ook de architectuur zichzelf tekortgedaan en afhankelijk gemaakt van derden. En eigenlijk geldt hetzelfde voor tal van gespecialiseerde marktpartijen en ontwikkelaars die vaak uitblinken binnen hun eigen expertise, maar de raakvlakken met aangrenzende disciplines en opgaven uit het oog verloren zijn.
Sectoraal werken en denken heeft de overhand. Excelsheets zijn leidend, visie is een olifant die het zicht belemmert en sturen op proces en geld wordt belangrijker geacht dan inhoud. En dat is voor iedereen een groot gemis. Want zonder die connectie, zonder een goed verhaal en zonder een vanzelfsprekende interdisciplinaire samenwerking ontstaat nooit de broodnodige maatschappelijke meerwaarde.
Overigens is deze zorg niet nieuw. Zo verschijnt in 2006, jaren geleden alweer, een advies van het College van Rijksadviseurs (CRa) over de toekomst van het rijksarchitectuurbeleid. Daarin houdt het een warm pleidooi om economie en cultuur weer innig met elkaar te verbinden. Het CRa breekt een lans voor de publieke waarde van het ontwerp. De kern van het betoog zit in de constatering dat goed ontwerp weer een vanzelfsprekendheid moet worden:
‘Het beste cultuurbeleid, en daarmee ook het beste architectuurbeleid, is een beleid dat zich uiteindelijk overbodig maakt omdat alle andere beleidsvelden doortrokken zijn van de culturele component en de implicaties daarvan ten volle voor hun rekening nemen. Voor de architectuur zou dit een situatie betekenen die bijna vergelijkbaar is met de periode van voor de ‘zondeval door arbeidsdeling’. Zo maakten de landmeters die in de zeventiende eeuw verantwoordelijk waren voor een droogmakerij als de Beemster geen onderscheid tussen techniek en schoonheid: dat was gewoon eenzelfde ding.’
Sterk is ook hoe ze in het advies duidelijk maken hoezeer we onszelf hebben opgesloten in een zelfgebouwde gevangenis, waarmee we het vinden van oplossingen nodeloos complex hebben gemaakt door opgaven sectoraal en vooral juridisch en procedureel aan te vliegen:
‘Nederland is verzadigd en slibt in hoog tempo dicht, of het nu gaat om regelgeving, landschap of infrastructuur. Hoe komen we uit onze zelfgebouwde gevangenis? Hoe keren we het tij en maken we weer ruimte? Hoe creëren we een goede voedingsbodem voor de ambities van gemeenten, corporaties en marktpartijen? In dit licht kan het architectuurbeleid na 2008 aanzetten tot een nieuwe houding. Een attitude die ons het plezier in de maakbaarheid van onze topografie doet hervinden. Het zou een oproep kunnen zijn tot een nieuwe cultuurpolitieke agenda; tot het verbinden van feitelijke ontwikkelingen met een concrete ambitie; tot een terugkeer naar de cultuur van het maken en een pleidooi voor een betekenisvolle omgang met onze ruimte. Want zonder cultuur banaliseert de maatschappij en ontnemen we de economie de zo noodzakelijke prikkels.’
Werken aan meerwaarde
Negentien jaar later zijn de analyses van het toenmalige College van Rijksadviseurs nog altijd raak. Ze hebben misschien zelfs aan betekenis gewonnen. Al was het maar omdat de ruimtelijke opgaven van nu alleen maar groter zijn geworden, in aard en omvang. We kampen met grote woningnood, het moet anders in de landbouw, de energietransitie vraagt aandacht, we moeten het verlies van biodiversiteit keren en onze mobiliteit dient verduurzaamd te worden. En dan hebben we het nog niet over de enorme impact van klimaatverandering, waarvan we de consequenties nog maar nauwelijks kunnen overzien.
De onderlinge relaties tussen al die opgaven zijn groot. Alles hangt samen, direct dan wel indirect. Bovendien hebben ze één ding gemeen: ze gaan het aanzicht van onze woon- en leefomgeving de komende jaren sterk veranderen. En precies dat brengt nog een extra zorg met zich mee. Want hoe houden we in al dat geweld ons landschap, onze steden en onze dorpen leesbaar en herkenbaar? En hoe gaan we in die enorme dynamiek om met bestaande maatschappelijke en cultuurhistorische waarden?
Deze vragen zijn relevant voor Nederland, en al helemaal voor Groningen, waar al die opgaven uiterst geconcentreerd samenkomen. Binnen een straal van een paar kilometer landen de opgaven hier in een middelgrote stad en een ommeland dat behoort tot de oudste cultuurlandschappen van West-Europa. Rijk naast arm, krimp naast groei, landbouw naast natuur, stad naast dorp, opgaven boven en onder de grond, water tegenover droogte, verzilting en veenoxidatie: je vindt het allemaal in Groningen.
Maquette van de uitbreiding van Niezijl, gemaakt door gemeentearchitect J. Boersma van de gemeente Grijpskerk, augustus 1964
Daar komt bij dat we hier ook nog eens te maken hebben met een grote uitdaging die alles alleen maar verder compliceert: de aardbevingen en de daaruit voortvloeiende versterkingsoperatie. Overeenkomstig is niet alleen de ruimtelijke impact, maar ook het feit dat geen van bovengenoemde opgaven zich sectoraal laat oplossen. Het dwingt ons om weer echt integraal te gaan denken. Klimaatverandering houdt zich immers niet aan gemeentegrenzen en ook onze woningmarkt ‘opereert’ op stadsregionaal niveau.
Ook dwingt het ons tot een veel hechtere samenwerking tussen overheden onderling – Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen – semi-publieke partijen, waaronder woningcorporaties en zorginstellingen, belangengroepen, marktpartijen en bewoners. En dan geen samenwerking op basis van procedures en een juridisch instrumentarium, maar een waarin inhoud en het duurzaam dienen van het publieke belang op één staan.
Dat we het weer samen moeten doen, is een vanzelfsprekendheid. Minstens zo vanzelfsprekend is dat er ook regie nodig is. Er is maar een partij die hierin het voortouw kan en moet nemen, en dat is de overheid, ongeacht de politieke kleur van bestuur en politiek. Het is de hoogste tijd om daar inhoud weer leidend te maken en stippen op de horizon te zetten. Overigens wordt daar ook van alle kanten om geroepen, niet in de laatste plaats door ‘de markt’.
Ideologie, visie, ambitie en durf om het anders te doen: het zijn essentiële ingrediënten. Zorg voor helderheid, wees proactief, kijk integraal en investeer in goed opdrachtgeverschap. Daag elkaar uit, inspireer elkaar, was elkaar flink de oren wanneer dat nodig is, maar prijs elkaar ook wanneer daar reden toe is. Dat is de basis waarop we samen aan de slag moeten gaan, onder regie van een overheid die weet waar ze het over heeft, en die vertrouwen heeft en geeft.
We hoeven niet terug naar een tijd waarin het Rijk zelf de postzegels en telefooncellen ontwierp. Wel is het van groot belang om ontwerpende disciplines weer een centrale rol te geven binnen overheidsorganisaties
En juist daarin kan het ontwerp ook weer een essentiële rol spelen. Want als het ontwerp ergens goed in is, dan is het wel in het verknopen van opgaven en het doordenken van scenario’s. Het brengt inspiratie en is een fantastisch instrument om een brede doelgroep mee te nemen in de transities die voor ons liggen. Bovendien is het ontwerp in staat om de maatschappelijke opgaven weer betekenisvol te verbinden met cultuur en economie. En daar wordt onze leefomgeving beter en mooier van.
Natuurlijk hoeven we niet terug naar een tijd waarin het Rijk zelf de postzegels en telefooncellen ontwierp. Ook is het niet nodig dat stadsbouwmeesters of directeuren van gemeentelijke diensten weer achter de tekentafel kruipen om zelf het ontwerp voor onze scholen, buurtcentra en gemeentekantoren te gaan maken. Wel is het van groot belang om ontwerpende disciplines weer een centrale rol te geven binnen overheidsorganisaties, dienstbaar aan de publieke zaak. Dat is alleen al nodig om een goede opdrachtgever te kunnen zijn en iedere uitvraag scherp en doordacht op tafel te krijgen. Zorg dat de planologische en stedenbouwkundige mise en place weer op orde is. Zo kun je weer echt een goede partner zijn voor diegenen die aan de ruimte en de leefomgeving werken.
Aanvullend zou het goed zijn wanneer overheden een platform creëren waarop zijzelf, maar ook uitvoeringsorganisaties, marktpartijen, ontwerpers en andere publieke opdrachtgevers de handen ineenslaan en samen optrekken. Voor ‘ons’ zou dat een Atelier Groningen kunnen zijn, waarin iedereen het eigenbelang ondergeschikt maakt aan het collectieve belang, kennis uitwisselt, opgaven combineert, samen scenario’s doordenkt en elkaar uitdaagt en scherp houdt. Dat zal zich gegarandeerd uitbetalen in (meer)waarde.
Licht aan het eind van de tunnel
Ondanks het feit dat we de Nederlandse institutionele ontwerptraditie de afgelopen pakweg dertig jaar wat hebben laten varen, zijn we de aandacht voor goed ontwerp echt nog niet kwijt. Daarvoor zit het te sterk in het Nederlands DNA. De laatste tijd is er zelfs sprake van een opwaartse beweging. Zo neemt het aantal steden met een stadsbouwmeester toe. Ook kleinere gemeenten stellen weer ontwerpers aan, zeker ook in Groningen, waar het aantal dorpsbouwmeesters groeit.
In de kwaliteit van het opdrachtgeverschap zijn er eveneens lichtpuntjes. Zo stond Groningen afgelopen jaar met maar liefst vier projecten in het Jaarboek Architectuur in Nederland, waarvan drie in de stad en een in Midden-Groningen: De Kunstwerf, de busknoop UMCG Noord, de renovatie en verduurzaming van het Groninger stadhuis en Kindcentrum Zuiderkroon in Hoogezand. In alle gevallen ging het om publiek opdrachtgeverschap van respectievelijk de gemeente Groningen en de gemeente Midden-Groningen. Daarbij staat het kindcentrum symbool voor een sterk scholenbouwprogramma dat onder regie van de gemeente Midden-Groningen vorm krijgt.
Busknoop UMCG Noord, naar ontwerp van Koen van Velsen Architecten. Op de achtergrond de Kunstwerf van architecten Ard de Vries en Donna van Milligen Bielke // Foto: Silvio Zangarini
Ook elders vinden we interessante projecten die laten zien wat de meerwaarde van een integrale aanpak is. Neem de overtuigende herinrichting van diverse dorpskernen in de voormalige gemeente Loppersum, waarbij de oplossingen niet verkeerskundig, maar juist ontwerpend werden gezocht én gevonden. Of de nieuwe Campus Eemsdelta, waar een groot mbo-onderwijsprogramma is vervlochten met het landschap.
Verder zijn er mooie voorbeelden van relevant ontwerpend onderzoek, zoals de manifestatie Sponsland, die tot stand kwam op initiatief van de gemeente en de provincie Groningen. Onder de paraplu van Sponsland werkten prominente landschapsarchitecten aan acht reële scenario’s voor de toekomst van Groningen, tegen het achterdoek van een veranderend klimaat.
Dat het ontwerp goed in staat is om op het oog onverenigbare grootheden samen te brengen, bleek recent uit het gebiedsproces KRW Lauwersmeer. Daar werd in opdracht van het waterschap Noorderzijlvest en de provincie samen met natuurorganisaties en landbouwers een nieuw en samenhangend perspectief op natuur en landbouw geschetst.
Campus Eemsdelta, Appingedam, ontworpen door De Unie Architecten // Foto: Egbert de Boer
Ja, bovengenoemde voorbeelden zijn nog incidenten, maar wel hoopvolle incidenten. Minstens zo hoopvol is de constatering dat er ook nog altijd opdrachtgevers zijn die heel goed weten hoe je ‘werk van werk’ maakt, ofwel: hoe je opgaven, maar ook budgetten op een slimme manier met elkaar verknoopt om zo tot meerwaarde te komen. NS en ProRail geven daarin het goede voorbeeld. Hun publieke opdrachtgeverschap is van hoog niveau.
En nee, dan hebben we het niet over het op tijd laten rijden van de treinen en de herfstblaadjes op het spoor, maar wel over de integrale aanpak van stations en stationsomgevingen. Overal in Nederland trekken ProRail en NS daarin samen op met gemeenten, provincies en stadsregio’s, vaak met overtuigende resultaten als gevolg.
Interessant is ook de wijze waarop een groeiende groep architecten en ontwikkelaars zich maatschappelijk engageert. Ze zijn ambitieus, nemen stelling, omarmen de duurzame opgave en gaan op zoek naar alternatieven voor de reguliere bouw- en ontwerppraktijk. In veel gevallen durven architecten en ontwikkelaars zelfs veel verder te gaan dan gemeentelijke ambities, bijvoorbeeld op het vlak van circulair bouwen en het aanzienlijk terugdringen van de rol van de auto in de gebiedsontwikkeling.
Mooie voorbeelden van dit nieuwe engagement zijn de publicatie van architectenbureau De Zwarte Hond over de woningplattegrond en de oproep van LEVS architecten om hard aan de slag te gaan met carbon-based design, alleen al omdat we anders de Parijse duurzaamheidsdoelen niet gaan halen. Boeiend zijn verder de studies van gebiedsontwikkelaar VanWonen die samen met architect Patrick Koschuch een lans breekt voor nieuwe collectieve woonoplossingen.
Inspiratie vinden we ook buiten Nederland. Zo is de tijd dat we lacherig konden doen over het ontwerpklimaat in België, of eigenlijk de afwezigheid daarvan, wel voorbij. Vooral veel Vlaamse steden doen het bijzonder goed. Kenmerkend is de rol en positie van de Vlaamse stadsbouw meesters. Zij opereren doorgaans onafhankelijker dan hun Nederlandse counterparts. Ondanks hun ‘soft power’ weten ze veel te bereiken.
Inspireren, alternatieven aanreiken, vragen stellen, opgaven aanscherpen: het helpt enorm en draagt bij aan het architectuur- en opdrachtgeversklimaat. Ook is de rol en positie van de Vlaams Bouwmeester, zeg maar de rijksbouwmeester van Vlaanderen, inspirerend. Mede dankzij dit instituut is een cultuur van open oproepen en pilotprojecten ontstaan die de kwaliteit van het ontwerp op een hoger plan heeft gebracht.
En ook de wijze waarop men in Vlaanderen selecties en aanbestedingen vormgeeft is anders. Procedures zijn veel meer dienstbaar aan de inhoud. Bovendien worden aanbestedingen regelmatig zo ingericht dat ook jonge ontwerpers een kans krijgen. In Vlaanderen hoef je dus niet al twintig scholen gebouwd te hebben om een school te mogen ontwerpen. En dat allemaal binnen dezelfde Europese aanbestedingsregels die ook in Nederland gelden.
De Brusselse stadsbouwmeester Kristiaan Borret, die zelf een hoofdrol vervulde in deze ‘Vlaamse opleving’, stelde in een interview in het recente Jaarboek Architectuur in Nederland dat deze aanpak behalve variëteit en hoge ontwerpkwaliteit ook veel engagement oplevert. Hij noemt Belgische architecten een tikje radicaler: ‘Zij ‘vechten’ in actiecomités voor sociale inclusie, het klimaat en rechtvaardigheid op de woningmarkt. Niet tegen elkaar.’
In een ander interview, verschenen op gebiedsontwikkeling.nu, onderstreept Borret bovendien de bepalende rol van ontwerpend onderzoek bij de politieke besluitvorming over stedelijke ontwikkelingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn voornaamste werkgebied. Ontstijg de sectorale aanpak, kijk vooruit en denk in scenario’s, is het devies. En niet voor niets, want: ‘Het is toch absurd te denken dat het maken van een gebied een lineair project is waarbij je recht op een oplossing afgaat?’
De grap is dat de inspiratie die ten grondslag ligt aan de hernieuwde Vlaamse bouwcultuur uit Nederland komt. Zo heeft men heel goed naar het inmiddels genivelleerde Nederlandse architectuurbeleid gekeken, en naar instituten als Atelier Rijksbouwmeester, het College van Rijksadviseurs en ‘onze’ traditie van stadsbouwmeesters en gemeentearchitecten. Alleen, ze kopieerden het niet, ze gaven er een flinke update en upgrade aan. Vooral wat betreft de positionering van het ontwerp en het borgen van directe doorwerking op de stadsontwikkeling.
Zo’n heruitvinding en herpositionering kan natuurlijk ook in Nederland, en zeker in Groningen. De tijd is rijp, niet alleen omdat we meer en meer inzien dat het ook echt anders moet. Visie is geen vies woord meer. De prachtige incidenten laten zien dat we het nog altijd kunnen. Overheden bewegen, zowel op provinciaal, gemeentelijk als op rijksniveau. Illustratief is de wens van het Rijksvastgoedbedrijf om een grotere maatschappelijke rol te gaan spelen in gebiedsontwikkeling. Ook is het besef nagenoeg partijbreed doorgedrongen dat we in de woningmarkt te ver doorgeschoten zijn en die aloude volkshuisvestingstraditie eigenlijk nog helemaal niet zo gek was.
Laten we weer van reactief naar proactief gaan. Laten we economie en cultuur weer innig met elkaar verbinden en zo het plezier in de maakbaarheid van onze leefomgeving een betekenisvolle en vooral ook duurzame impuls geven!
Handreiking
Dit essay is onderdeel van de gelijknamige publicatie De vanzelfsprekende opgave, gemaakt door Libau en GRAS, in opdracht van de provincie Groningen. Deze binnenkort te verschijnen handreiking is een pleidooi om de rijke Groningse ontwerp- en planningstraditie een nieuwe impuls te geven. Integrale samenhang en samenwerking, goed opdrachtgeverschap en goed ontwerp vormen de sleutel. Zo kunnen we ervoor zorgen dat al die opgaven die op ons bord liggen een versterking worden van de schoonheid en economische potentie van onze provincie. Niet ten koste van de unieke historische kwaliteiten, maar juist als een verrijking.