Ambitie boven proces

‘Criticasters werden onze grootste fan, omdat er nu echt naar mensen geluisterd werd’

De vanzelfsprekende resultaten van het Lopster Model

Tekst:
Leestijd: .

Het Lopster Model wordt langzaam maar zeker een begrip. De manier waarop de voormalige gemeente Loppersum – nu gemeente Eemsdelta – sinds 2008 aan de aanpak van de openbare ruimte in diverse dorpskernen werkt, verdient lof. Wat is de kracht van die werkwijze? En wat kunnen andere gemeenten leren van wat er gebeurt in Loppersum, Garrelsweer, Stedum, Zeerijp, Meedhuizen en Middelstum? Mathijs Dijkstra van LAOS Landschapsarchitecten en Menno Smit, strategisch beleidsadviseur Openbare Ruimte van de gemeente Eemsdelta, vertellen het verhaal, in gesprek met Tim Willems-Kruize, Arnoud Garrelts en Peter Michiel Schaap.

‘Eigenlijk hebben we het Lopster Model te danken aan ruim dertig jaar achterstallig onderhoud’, begint Menno Smit. Hij werkt als strategisch beleidsadviseur Openbare Ruimte bij de gemeente Eemsdelta. De Molenweg in Loppersum was zo'n plek die dringend een opknapbeurt kon gebruiken. Smit: 'Die straat lag er niet best bij. Het was één plakkaat asfalt. Een dorpshart onwaardig. Maar de opgave was zo groot dat we eigenlijk niet wisten waar te beginnen.’

Dat de financiële positie van de gemeente in die jaren niet bepaald goed was, maakte het niet makkelijker. Maar de druk vanuit de het dorp om tóch aan de slag te gaan was groot. ‘Dit kan zo niet langer, vonden de bewoners van de Molenweg. En ze hadden gelijk.’ 

De behoefte van de dorpsbewoners werkte als vliegwiel, samen met het gegeven dat Loppersum in 2008 de status van Artikel 12-gemeente kreeg. Mede door financiële steun vanuit het Rijk en de provincie ontstond de mogelijkheid een plan te maken voor het aanpakken van de achterstanden in de openbare ruimte. Smit: ‘Voor mij stond vast dat we dat plan mét en vóór de bewoners zouden gaan maken.’

Op die manier ontstond draagvlak en begrip voor de opgave, en voor de grootte ervan. Met hulp van externe partijen bracht de gemeente de opgave in kaart. Besloten werd te beginnen met de openbare ruimte voor het gemeentehuis aan de Molenweg. ‘Zo konden we bestuur en politiek ook echt meenemen en inspireren.’

Voor Smit was het, vanuit zijn stedenbouwkundige achtergrond, vanzelfsprekend om vanuit het perspectief van de openbare ruimte naar de opgave te kijken. Niet louter technisch of verkeerskundig, maar vanuit samenhang. Het maken van een integrale ontwerpopgave werd het devies.

Zeker voor mensen met een ontwerpende achtergrond klinkt dat logisch, maar binnen veel gemeenten is zo’n integrale benadering niet gebruikelijk. Dat Loppersum erin meeging, was volgens Smit onder meer omdat de gemeente allang blij was dat iemand het oppakte. ‘Toen we begonnen, was er eigenlijk helemaal niets. Geen visie, geen beleid – en alles werd bekeken vanuit de invalshoek van beheer. Het ging over rioolbuizen, niet over openbare ruimte.’

Er was, kortom, een wereld te winnen in Loppersum.

Op zoek naar een kartrekker

Voor Menno Smit was de grootste doorslaggevende factor het vertrouwen vanuit het college van B en W, en in het bijzonder de rol van verantwoordelijk wethouder en naamgenoot Hommo Smit. ‘Hij was degene die, samen met de te kiezen ontwerper, voor de troepen uit moest lopen. We zochten een bureau dat de gemeente kon vertegenwoordigen en dat sterk was in het betrekken van bewoners in het planproces. En we wilden duidelijk één gezicht. ‘De vent is belangrijker dan de tent’, zo vatte de wethouder het samen.’

Die vent werd Mathijs Dijkstra, oprichter van LAOS Landschapsarchitecten, destijds nog MD Landschapsarchitecten geheten. Uit de vier bureaus die de gemeente uitnodigde, kregen zij de voorkeur. De gemeentelijke uitvraag paste zo ongeveer op twee A4’tjes: dit is ons probleem, en we willen samen met de bewoners werken aan de aanpak.

Smit: ‘Wat meespeelde is dat we met LAOS een bureau uit de regio hadden. Destijds nog een klein bureau, maar wel een club met gevoel voor het gebied en de opgave. Dat paste bij onze gemeente. Bovendien wisten we zeker dat Mathijs de kar ook echt zou gaan trekken. Voor de wethouder was er eigenlijk geen twijfel: hem moeten we hebben.’ En dat terwijl Dijkstra tijdens zijn presentatie te kampen had met wat technisch ongemak, waardoor hij flink moest improviseren, weet Smit zich nog te herinneren.

‘We hadden alleen een analyse gemaakt, en niet iets dat al neigde naar een plan. Dat zouden we namelijk samen gaan maken’

Tijdens die presentatie sloeg de gemeente aan op de manier waarop LAOS de participatie met bewoners voor zich zag, vertelt Dijkstra. ‘We hadden vlak daarvoor in Heerenveen een plan gemaakt waar die samenwerking met bewoners ook centraal stond. We hadden dus bewijs: dit kunnen wij. Ook kozen we er in de presentatie heel bewust voor om een analyse te maken, en niet iets dat al neigde naar een plan of een oplossing. Dat plan zouden we namelijk samen gaan maken. En daarvoor was het essentieel om eerst met alle betrokkenen te spreken.’

Een bijkomend geluk voor de ontwerpers was dat in de aanbesteding niet de prijs leidend was, maar hun visie op de opgave.

De Molenweg in Loppersum, voor de herinrichting

De prijs zegt niet alles

Dit alles vond plaats in 2008, in een tijd waarin aanbestedingen anders werkten dan nu. Tegenwoordig zijn er formele inkooptrajecten en puntensystemen en ligt de focus vaak op de prijs. Geen goede ontwikkeling, vindt zowel Smit als Dijkstra. Want zeker aan het begin van een traject zeggen kosten lang niet alles. En bezuinigen op de plan- en aanloopfase is nooit verstandig. Als je voor samenhang zorgt, integraal kijkt, keuzes voor de langere termijn maakt en iedereen met een belang meeneemt, betaalt zich dat eigenlijk altijd uit.

‘Het was heel waardevol dat de gemeente die integrale aanpak al scherp had’, zegt Dijkstra. ‘Want waarom zou je als je het riool vervangt, en de straat er dus toch al uit ligt, niet meteen ook wat doen aan je bestrating en het aanplanten van extra groen? Als je daar meteen andere nutsbedrijven bij betrekt, hoeft de straat maar één keer open. Dan maak je werk van werk.’ 

Handreiking

Groningen staat voor tal van grote opgaven: van klimaatadaptatie en energietransitie tot de bouw van nieuwe woningen, het scheppen van nieuw perspectief voor de landbouw en de versterking in het aardbevingsgebied. Hoe houden we in al die dynamiek onze steden, wijken, buurten en dorpen leefbaar, herkenbaar en aangenaam?

Binnen deze context werken Libau en GRAS in opdracht van de provincie Groningen aan een handreiking, bestemd voor Groninger gemeenten. We spraken daarvoor mensen die werkten aan projecten waarbij het proces dienstbaar was aan de inhoud en de ambitie. Bij wijze van teaser voor het eindproduct publiceren we de komende tijd een aantal van deze interviews.

Door de integrale aanpak had de gemeente Loppersum de mogelijkheid om verschillende potjes aan te speken. Smit wist uit zijn periode bij de gemeente Zuidhorn bijvoorbeeld dat er op provinciaal niveau budget beschikbaar was voor verkeer en vervoer, en voor stads- en dorpsvernieuwing. ‘Het slim combineren van opgaven en budgetten maakt dat je veel meer kunt doen met minder.’

Voor landschapsarchitect Mathijs Dijkstra waren het goede opdrachtgeverschap, het vertrouwen en de betrokkenheid vanuit de gemeente doorslaggevend bij de herinrichting van de Molenweg. ‘Het is zo belangrijk dat de juiste mensen op de juiste plekken zitten. Mensen die in staat zijn om verder te kijken dan hun eigen portefeuille, of anderen de ruimte geven dat te doen. Dat is hier in Loppersum heel goed gegaan. Maar ik ken ook voorbeelden in de provincie waarbij de kansen een stuk minder zijn gepakt, bijvoorbeeld door een opgave die over openbare ruimte had moeten gaan te veel aan te vliegen vanuit civieltechnisch perspectief.’

Eerst goed luisteren

Waar het vertrouwen van de gemeente er meteen was, moesten de ontwerpers dat bij de bewoners eerst opbouwen. Jarenlang was er niets aan de Molenweg gedaan, dat had z’n sporen nagelaten. Dijkstra: ‘Precies daarom zijn we ook niet begonnen met een tekening. Je moet eerst heel goed luisteren. Kennis ophalen, ervaringen optekenen: daar hebben we in verschillende sessies veel aandacht aan besteed.’ Van daaruit richtte LAOS een klankbordgroep met bewoners en ondernemers in. ‘Daarin wilden we niet alleen fans van de aanpak, maar ook mensen met een kritisch geluid.’

Steeds vroegen de ontwerpers de leden van de klankbordgroep te reageren op de voortgang. Die aanpak hielden ze van begin tot eind vol: van de inventarisatie en de eerste modellenstudies tot het voorlopig ontwerp en het definitieve ontwerp.

Smit: ‘Ik weet niet hoe vaak we bij elkaar zijn geweest, maar het kan maar zo twintig keer geweest zijn. En dat was het allemaal waard. Het heeft enorm geholpen in het herstel van het vertrouwen. Uiteindelijk werd de grootste criticaster onze grootste fan, omdat er nu echt naar mensen geluisterd werd.’ 

Het nauw betrekken van bewoners zorgde niet alleen voor een hersteld vertrouwen: het maakte de plannen volgens Dijkstra en Smit daadwerkelijk veel beter. Vooral omdat door een goed overzicht van al die verschillende perspectieven, wensen en ervaringen de juiste afwegingen gemaakt konden worden.

Dijkstra: ‘Om tot samenhang en kwaliteit te komen moet je heel helder maken binnen welke kaders je het gesprek voert. Goede participatie betekent daarbij niet dat iedereen z’n zin krijgt. Het antwoord kan dus heel goed zijn: nee, dat doen we niet. Vervolgens gaat het erom dat je betrokkenen meeneemt in het waarom van de keuzes. Kortom: leg het uit, laat consequenties zien, geef inzicht in het geheel en in welk gevolg de ene keuze voor de andere heeft.’

De Molenweg in Loppersum, voor en na de herinrichting door LAOS

Gebakken klinkers

Het plan voor de Molenweg telt diverse voorbeelden die de meerwaarde van het Lopster Model illustreren. Dat begint al met de keuze voor gebakken klinkers, een mooie en duurzame optie, maar eentje die aanvankelijk te duur werd geacht. In de aanschaf was dat ook zo. Maar met het beheer in ogenschouw genomen, en daarmee dus de langere termijn, bleek de keuze voor de stenen juist goedkoper.

De gebakken klinkers, in de voor het gebied zo kenmerkende rode tint, bepalen nu het karakter van de straat. ‘We hebben de toepassing ervan in een raadsbesluit laten vastleggen,’ zegt Smit, ‘zodat we die discussie nooit meer hoeven te voeren.’

Verkeersremmende maatregelen loste LAOS ontwerpend en binnen de ruimtelijke structuur op. Bijvoorbeeld door de as van de weg te laten verspringen, met veranderingen in het legpatroon en met de creatie van shared spaces. Traditionele verkeerskundige oplossingen als wegversmallingen en verkeersdrempels vind je aan de Molenweg niet. 

Bijzonder is ook het afwijkende profiel. De straat heeft de breedte van een 50 kilometerweg, terwijl je er maar 30 mag rijden. Ook voor het landbouwverkeer is dit namelijk een belangrijke weg: een 30 kilometerprofiel was voor trekkers te smal geweest. De straat heeft daarnaast maar aan één zijde groen. Het zorgt ervoor dat de bomen op die plek veel meer ruimte hebben om echt te groeien. Smit: ‘Door te spelen met het profiel hebben we dus meerdere zaken opgelost.’ 

‘Eigenlijk zou het niet moeten afhangen van de toevallige aanwezigheid van de juiste persoon op de juiste plek, en van een ambitieuze wethouder die het snapt’

De afgelopen jaren fungeerde de herinrichting van de Molenweg als blauwdruk voor de aanpak van diverse andere dorpskernen in de gemeente: van Garrelsweer, Stedum en Zeerijp tot Meedhuizen, Westeremden, ‘t Zandt en Middelstum. Bestuur en politiek zagen de meerwaarde, net als bewoners.

‘In iedere dorpskern waar we met het Lopster Model aan de slag zijn gegaan, is het resultaat anders’, zegt Dijkstra. ‘Overal past het zich aan op de context.’ Een aantal ingrediënten, zoals het gebruik van gebakken materiaal, zie je in elk dorp terug.

De Molenweg in Loppersum, na herinrichting door LAOS

Gezamenlijke betrokkenheid

Een belangrijk aspect bij het slagen van een project als dit is de blijvende betrokkenheid van de ontwerpers, daarover zijn Smit en Dijkstra het eens. LAOS was bij alle dorpskernen nauw betrokken bij het opstellen van het bestek ­– bij de Molenweg huurde het bureau zelf de bestekschrijver in. Op die manier blijft de kwaliteit die de ontwerpers samen met alle betrokkenen in het plan stoppen er ook tijdens de uitvoering in.

Dijkstra: ‘De uitvoerder is hier ontzettend belangrijk: zijn vakmanschap, de wil om mee te denken en het gevoel voor het dorp en de context.’ Hoewel de samenwerking in ieder dorp goed was, is Meedhuizen voor de landschapsarchitect een prachtig voorbeeld. ‘De aannemer zat hier vanaf dag één aan tafel, waardoor we samen nog betere keuzes konden maken. En ook in het contact met de bewoners waren ze fantastisch.’ 

Wat betreft dat laatste was het project in Meedhuizen niet uniek, benadrukt Smit. Ook bij veel andere projecten was de band tussen bewoners en de uitvoerende aannemer goed.

Zouden ze nu, inmiddels bijna zestien jaar nadat het contact tussen de gemeente en LAOS werd gelegd, dingen anders doen? Het karakter van het plan zou anders zijn, zegt Dijkstra, met een groenere inrichting, minder verharding en veel meer aandacht voor klimaatadaptatie.

Smit: ‘Natuurlijk is er een leercurve, en is de aanpak daardoor met de jaren beter geworden. Maar de essentie blijft een nauwe betrokkenheid van bewoners, boeren en ondernemers, de inzet op samenhang en ontwerpende oplossingen en hechte samenwerking tussen alle betrokkenen – van ontwerp tot uitvoering.’

Stedum, herinrichting dorpskern door LAOS volgens het Lopster Model

Middelstum, herinrichting dorpskern door LAOS volgens het Lopster Model

Vanzelfsprekend

Hoewel het Lopster Model onomstotelijk tot geslaagde projecten heeft geleid, vinden Smit en Dijkstra dat ze eigenlijk niks bijzonders hebben gedaan. Ze verbazen zich er zelfs over dat hetgeen zij zo vanzelfsprekend vinden niet allang de normaalste zaak van de wereld is. Smit: ‘Ik ben de afgelopen jaren wel bij andere gemeenten langs geweest om te vertellen wat we hebben gedaan. Toch is het nergens gekopieerd.’

Dijkstra: ‘Dat het gelukt is in Loppersum, is grotendeels het gevolg van de juiste combinatie van mensen die de ruimte hebben gekregen om ook echt aan de slag te gaan. Dat is fantastisch, maar legt meteen ook het probleem bloot. Want het zou eigenlijk niet moeten afhangen van de toevallige aanwezigheid van een persoon die dan ook nog eens toevallig op de juiste plek zit en dienstbaar is aan een ambitieuze wethouder die het snapt.’

Maar hoe doorbreken we dat? En hoe maken we het ook voor andere gemeenten tot de normaalste zaak van de wereld?

‘Het begint met het blijven vertellen van het verhaal’, stelt Smit. ‘En het helpt enorm wanneer er binnen een gemeentelijke organisatie ruimte is om kennis over te dragen en een team op te bouwen met daarin de juiste mensen. Dat is minstens zo belangrijk als het maken van goede visies en handboeken.’ 

Dijkstra: ‘Daarbij heb ik de stellige overtuiging dat deze manier van werken, waarin samenhang en samenwerking voorop staat en er ruimte is om al ontwerpend op zoek te gaan naar de beste oplossingen, op tal van andere terreinen ook z’n waarde kan bewijzen. Van de klimaatopgave en de transitie van de landbouw tot de omgang met water en waterveiligheid en de versterkingsopgave. Zet het ontwerp in als instrument. Durf ambitie te hebben. Betrek bewoners door ze ook echt mee te nemen in de opgave en de keuzes.’

Bovendien, zegt hij, kan het ontwerp enorm helpen om vastgelopen projecten weer vlot te trekken. ‘Het stimuleert de dialoog en brengt belangen bij elkaar. Door al schetsend samen scenario’s te verkennen, hoef je niet eerst iets te bouwen om daarna te concluderen dat het toch niet zo’n goede oplossing was. Dat is zoveel waard. Het kan geen kwaad dat nogmaals te benadrukken.’