De Groninger Methode
Met zevenmijlslaarzen door dertig jaar manifestatietraditie
De manifestatie is een instrument waar Groningen inmiddels eigenlijk niet meer zonder kan: een prachtig vehikel bij de uitvoering van ruimtelijke ambities en beleid, dat op veel meer plekken in Nederland van waarde kan zijn. Hoewel er geen vast recept voor een manifestatie bestaat, zijn er duidelijke overeenkomsten en kernprincipes aan te wijzen. Wat heeft ruim dertig jaar aan Groninger manifestaties ons geleerd?
Ondanks de noordelijke nuchterheid presenteert Groningen zich graag als een laboratorium voor architectuur, stedenbouw en ruimtelijke ontwikkeling. Hoewel er momenten van verminderde aandacht zijn geweest, is de stad gewend om maatschappelijke opgaven geëngageerd en met nadrukkelijke aandacht voor de ruimtelijke component op te pakken.
Dat uit zich in een uitgesproken beleid op het vlak van architectuur, stedenbouw en stadsontwikkeling. Daarin keert een aantal onderdelen voortdurend terug: het ideaal van de compacte stad, het bewaken en stimuleren van het voorzieningenniveau van de stad en zijn wijken, de kwaliteit van de stad als publiek domein en natuurlijk de kwaliteit en diversiteit van de woningbouw.
Natuurlijk zijn het geen thema’s die uniek zijn voor Groningen. Iedere zichzelf respecterende gemeente is ermee bezig. Toch geeft Groningen er een eigen draai aan. De stad doet het graag nét even anders, is eigenzinnig en zoekt bewust niet naar de meest makkelijke weg. Want waarom zou je het makkelijk doen, als het ook moeilijk kan?
Complexiteit ga je niet uit de weg – je zoekt het juist op. Vanuit de wetenschap dat makkelijke oplossingen niet bestaan, kun je de complexiteit beter voor zijn en omarmen, dan er op een later moment hard en genadeloos tegenaan te lopen.
Stadsmarkering S04, Polyhymnia, Thom Puckey, 1990 // Foto: Jenne Hoekstra - Kunstpunt
Twee generaties manifestaties
De Groninger manifestaties spelen hierin een belangrijke rol. Grofweg zijn er twee generaties te onderscheiden. De eerste heeft een sterk cultureel karakter. Kunst en architectuur worden ingezet ter viering van de stad. Zo staan Stadsmarkeringen en What a Wonderful World! Music video’s in architecture in 1990 in het teken van het 950-jarig bestaan van de stad. Zes jaar later viert A Star is Born het gereedkomen van de herinrichting van de binnenstad, naar een masterplan van Mecanoo: het welbekende gele-steentjesplan.
Vijf jaar daarna is het de beurt aan Blue Moon. Deze manifestatie wil een brug slaan tussen de oude binnenstad en het dan nog braakliggende Europapark, waar een nieuw gemengd stadsdeel moet ontstaan.
Hoewel hun feitelijke invloed moeilijk te meten is, zijn de ‘eerste-generatiemanifestaties’ een succes. Ze trekken veel publiek en illustreren de bevlogenheid waarmee Groningen stadsontwikkeling bedrijft. Ook laten ze diverse gebouwde sporen na, die een bezoek nog altijd meer dan waard zijn.
De manifestaties worden breed gedragen en zetten de stad internationaal op de kaart. De enige uitzondering is wellicht Blue Moon, dat, in tegenstelling tot de drie voorgangers, de nodige kritiek te verstouwen krijgt. Zeker na het succes van A Star is Born vallen de bezoekersaantallen tegen. Oppositiepartijen spreken van ‘een elitair feestje met onvoldoende publiciteit’.
Na Blue Moon is het manifestatierecept aan vernieuwing toe, vindt ook de gemeente zelf. Rond 2002 wordt afscheid genomen van de innige vervlechting van beeldende kunst en architectuur. Van een ‘vierend medium’ transformeert de manifestatie naar een platform om concrete en actuele stedelijke opgaven kritisch te beschouwen en ze van bevlogen, onverwachte impulsen te voorzien. Alles georganiseerd, geïnitieerd en begeleid door een compacte gemeentelijke projectgroep, in nauwe samenwerking met corporaties en marktpartijen. Dat laatste illustreert ook de veranderende rol van de gemeente: van regisseur naar aanjager, verleider en wegbereider.
Met deze transitie kruipt de manifestatie veel dichter op de praktijk. Gelardeerd met lezingen, publieksactiviteiten, bewonersbijeenkomsten, tentoonstellingen en publicaties wordt het een instrument om gelijktijdig aan versnelling en aan integrale, kwalitatief hoogwaardige plannen te werken. En zo ontstaat een instrument waar Groningen inmiddels eigenlijk niet meer zonder kan. Een prachtig vehikel bij de uitvoering van ruimtelijke ambities en beleid, dat op veel meer plekken in Nederland van waarde kan zijn.
Stadsmarkeringen
Het plan voor Stadsmarkeringen (1990) komt van cultureel adviseur Frank Mohr (1931-1998). Hij stelt voor om in het kader van het 950-jarig bestaan van Groningen nieuwe, eigentijdse stadspoorten te maken die de hoofdtoegangswegen tot de stad markeren. Het plan wordt omarmd door de gemeente, waarna architect Daniel Libeskind de opdracht krijgt een masterplan te ontwikkelen.
In zijn The Books of Groningen – letterlijk een loodzwaar boek, bestaande uit twaalf aluminium platen – ontvouwt Libeskind zijn visie op de moderne stad en de identiteit van Groningen anno 1990. Hij neemt de naam CRUONINGA als uitgangspunt: de vroegst bekende benaming van de stad die voorkomt in een akte uit 1040. De negen letters laat hij corresponderen met negen stadsmarkeringen bij de belangrijkste toegangswegen van Groningen.
Stadsmarkering S01, Gate Tower Clio, Kurt W. Forster, 1990 // Foto: Jenne Hoekstra - Kunstpunt
Een tiende markering tekent Libeskind op het Martinikerkhof: het centrum van de stad. Het plein verbindt het hart van de stad met de negen ‘poorten’ aan de stadsranden. Aan elke letter en stadsmarkering verbindt Libeskind bepaalde karakteristieken – zoals een kleur, een tijdstip of een Griekse muze – én de onbekende grootheid ‘X’, die staat voor het creatieve en onvoorspelbare.
Negen personen uit zeer verschillende disciplines worden uitgenodigd een stadsmarkering te maken: architectuurhistoricus Kurt Forster, econoom Akira Asada, danser en choreograaf William Forsythe, toneelschrijver Heiner Müller, beeldend kunstenaars Thom Puckey en Leonhard Lapin, filosoof Paul Virilio en architecten John Hejduk en Gunnar Daan. Zij krijgen elk een letter met de bijbehorende parameters mee. Eén stadsmarkering ontwerpt Libeskind zelf.
What a Wonderful World!
In hetzelfde jaar als Stadsmarkeringen vindt What a Wonderful World! Music video’s in Architecture plaats, eveneens ter gelegenheid van het 950-jarig bestaan van de stad. Tijdens de manifestatie worden videoclips getoond in vijf speciaal daarvoor ontworpen paviljoens.
What a Wonderful World! is een samenwerking tussen de gemeente Groningen en het Groninger Museum – dan nog gevestigd op de oude locatie. Het wil een verbinding tot stand brengen tussen architectuur en eigentijdse media. Daartoe worden vijf architecten uitgenodigd om een eigen omgeving te creëren voor de videoclip, maar dan op de schaal van de stad, in plaats van die van de huiskamer.
Videobusstop, Rem Koolhaas, 1990 // Onderdeel van de manifestatie What a Wonderful World! // Foto: Peter de Kan
De keus valt op architecten die zich al eerder met de relatie tussen architectuur en media hebben beziggehouden: Peter Eisenman, Zaha Hadid, Coop Himmelb(l)au, Rem Koolhaas en Bernard Tschumi. Hun vijf paviljoens worden gebouwd rond de plek waar in 1994 de nieuwbouw van het Groninger Museum zijn deuren opent en op de belangrijkste routes van en naar de binnenstad.
Na afloop worden drie paviljoens afgebroken. Dat van Coop Himmelb(l)au krijgt na enige tijd een plek in de haven van Delfzijl en het paviljoen van Zaha Hadid komt terecht op bedrijventerrein Fivelpoort in Appingedam. De twee overgebleven videopaviljoens – het Tschumipaviljoen en de Videobusstop van Rem Koolhaas, zijn te vinden op respectievelijk het Hereplein en het Emmaplein in Groningen.
A Star is Born
Met A Star is Born viert Groningen in 1996 de afsluiting van een lange periode van herinrichting, waarin de stad de inmiddels zo kenmerkende gele steentjes kreeg. De nadruk ligt op het zichtbaar maken van de diversiteit aan bijzondere plekken in de openbare ruimte van de stad.
In de nazomer van 1996 wordt de stad zélf letterlijk zeven weken lang het podium voor talloze gratis muziek-, literatuur- en theatervoorstellingen. In de traditie van eerdere manifestaties worden ze geconcentreerd op vier locaties in de stad die door internationale teams (bestaande uit een architect en een kunstenaar) worden vormgegeven.
Openbaar toilet aan de Reitemakersrijge, Rem Koolhaas & Erwin Olaf, 1996 // Onderdeel van de manifestatie A Star is Born // Foto: Peter de Kan
Twee podia zijn van tijdelijke aard: een mobiel podium van William Alsop en Bruce McLean, en een drijvend paviljoen van architect Fumihiko Maki en theatermaker Dora van der Groen. Twee paviljoens zijn permanent: een openbaar toilet van Rem Koolhaas en Erwin Olaf en een publiek toegankelijke bank en podium aan het water, gemaakt door Manuel de Solà-Morales. Beide zijn gelegen aan de Groninger diepenring en op de rand van de oude binnenstad.
Blue Moon
Blue Moon, naar een Japanse beeldspraak voor ‘een zeldzame gebeurtenis’, wil in 2001 een brug slaan tussen de oude binnenstad en het nog te ontwikkelen stadsdeel Europapark. Het uitgangspunt is de ontdekking van de kansen van de nog onbekende stad: het dan nog braakliggende Europapark én vijf ‘vergeten’ plekken in achterafstraatjes van de binnenstad.
Vanwege zijn onderzoek naar de betekenis van ‘grenzen’ binnen de architectuur wordt architect Toyo Ito benaderd om een masterplan te maken. Xaveer De Geyter, Space Group, Foreign Office Architects en Tony Fretton Architects krijgen de vraag om op de vijf min of meer verborgen plekken in de binnenstad een bijzonder bouwwerk te realiseren dat de kansen van de plek illustreert. Dezelfde architecten krijgen van Ito ook een plek op het Europapark.
Paviljoen Schuitenschuiverskwartier, Foreign Office Architects, 200 // Onderdeel van de manifestatie Blue Moon // Foto: Peter de Kan
In augustus en september 2001 zorgen diverse culturele instellingen voor een kunstzinnige of spectaculaire entourage op de diverse Blue Moon-locaties, variërend van toneel-, dans- en klassiekemuziekvoorstellingen tot videoprojecties en vuurwerkspektakel. Van de tien paviljoens blijven er vier behouden: de ontwerpen van Foreign Office Architects in het Schuitenschuiverskwartier, Tony Fretton Architects in de Lutkenieuwstraat, Toyo Ito in de Uurwerkersgang en Space Group in Achter de Barakken. Het ontwerp van Xaveer De Geyter is nooit gerealiseerd.
Intense hoog- en laagbouw
De Intense Stad is in 2004 de eerste van een nieuwe generatie manifestaties. Het dient als platform om samen met ontwikkelaars, wooncorporaties en architecten na te denken over de verdere verdichting van de stad. Het doel is om met name in de naoorlogse schillen en in kansrijke binnenstedelijke ontwikkelzones nieuwe stedelijke woningtypen toe te voegen. Niet alleen om de bestaande wijken meer divers te maken en doorstroming op gang te brengen, maar ook om het draagvlak onder bestaande en nieuwe voorzieningen in de schillen rond de binnenstad sterker te maken.
Met architect Winy Maas van MVRDV in de rol van inspirator leidt De Intense Stad tot 33 plannen voor concrete locaties binnen de gemeentegrens. In alle gevallen zijn de locaties gekoppeld aan een architect en een ontwikkelende partij, waaronder diverse marktpartijen, de Groninger woningcorporaties en in een enkel geval ook de gemeente zelf. De betrokken architecten zijn een mix van lokale, nationale en internationale bureaus.
Bloemhof, Marlies Rohmer, 2011 // Onderdeel van de manifestatie De Intense Stad // Foto: Peter de Kan
Palladiumflat, Johannes Kappler, 2006 // Onderdeel van de manifestatie De Intense Stad // Foto: Peter de Kan
Sommige plannen zijn studieus en agenderend van aard, andere nagenoeg panklaar voor realisatie. Een aantal wordt in korte tijd en bijna geheel volgens plan gerealiseerd, zoals de Palladiumflat in Vinkhuizen – een ontwerp van Johannes Kappler in opdracht van de Christelijke Woningstichting Patrimonium – en De Rokade in Corpus den Hoorn van woningcorporatie De Huismeesters, een ontwerp van Arons en Gelauff architecten. Ook projecten als Bloemhof, de Tasmantoren, Klein Corpus en De Rederijker zijn in meer of mindere mate schatplichtig aan De Intense Stad.
Ook op andere locaties die niet formeel onder de manifestatie vallen, zorgt De Intense Stad voor impulsen. Daarmee heeft de manifestatie een grote invloed op hoogbouw-, mixed-use- en intensiveringsprojecten in de stad.
Manifestaties zijn op hun best wanneer het doel gelaagd en meervoudig is. Ze moeten inspireren, agenderen én realiseren
De tegenhanger van De Intense Stad volgt in 2008: Intense Laagbouw. Deze keer is Dick van Gameren, hoogleraar woningontwerp aan de TU Delft, de aanjager. Opnieuw staat intensivering van de bestaande stad op één, maar dan niet langer aan de hand van hoogbouw. ‘Ontwerp woningen met een eigen buitenruimte waarmee we ongebruikte plekken in de stad zo goed mogelijk kunnen benutten’, is de opdracht die de gemeente aan een groot aantal Nederlandse en buitenlandse architecten meegeeft. Ook nu ligt de focus op concrete, kansrijke locaties, waaronder een aantal plekken die ook in De Intense Stad al aandacht hadden gekregen. En opnieuw zijn er combinaties met ontwikkelende partijen.
In vergelijking met De Intense Stad heeft Intense Laagbouw een studieus en agenderend karakter. Dat uit zich al in de voorbereiding. In samenwerking met de TU Delft en onder regie van curator Dick van Gameren wordt een uitgebreide typencatalogus samengesteld met inspirerende voorbeelden uit binnen- en buitenland.
De manifestatie leidt tot een grote rijkdom aan typologische studies, plannen en vingeroefeningen: maar liefst 52 in totaal. Voor veel locaties worden meervoudige opdrachten verstrekt aan lokale, nationale en internationale architectenbureaus. Aanvullend is er ruimte voor eigen initiatieven en typologische studies zónder locatie.
Het studieuze karakter heeft ook een keerzijde. In lang niet alle gevallen is de haalbaarheid onderdeel van de plannen. Op weg naar realisatie blijkt dat een achilleshiel. Gecombineerd met de nodige tegenwind van de kredietcrisis zorgt het dat geen van de plannen tot uitvoering komt.
Overigens betekent dat niet dat Intense Laagbouw faalt. Tot op de dag van vandaag is de agenderende en inspirerende waarde groot. Zo wordt het boek Intense Laagbouw: woningbouw in hoge dichtheden, met daarin de 52 plannen, nog altijd veelvuldig gebruikt als inspiratiebron in, maar ook (ver) buiten Groningen.
Wel leert Intense Laagbouw de initiatiefnemers een les. Manifestaties zijn op hun best wanneer het doel gelaagd en meervoudig is. Ze moeten inspireren, agenderen én realiseren. Dat betekent niet dat er geen plaats mag zijn voor ietwat ‘vrijblijvende studies’, maar wél dat een substantieel deel van de plannen dat onder de hoed van een manifestatie tot stand komt ook echt haalbaar moet zijn en tot realisatie kan komen. Sterker, het manifestatie-instrument kan alleen maar krachtiger worden wanneer de haalbaarheid integraal onderdeel wordt van de studies en het ontwerpend onderzoek.
BouwJong!
In 2010 doet de kans zich voor om de geleerde lessen onderdeel te maken van BouwJong! (2010 – 2012). Met deze manifestatie wil de gemeente een kwantitatieve en vooral kwalitatieve impuls geven aan de jongeren- en studentenhuisvesting in de stad. Het leidt tot dertig plannen voor 22 concrete plekken in de stad. Daarin wordt niet alleen samenwerking gezocht met ontwikkelende partners en architecten uit binnen- en buitenland, maar vraagt de gemeente ook diverse systeembouwers om mee te denken. Om zeker te zijn dat het snel tot realisatie leidt, wordt bij het overgrote deel van de plannen de haalbaarheid meteen meegenomen.
Dat heeft effect. BouwJong! staat aan de basis van een enorme hoeveelheid gerealiseerde projecten die razendsnel tot stand komen. Zo staat de teller in 2016 al op 3.500 nieuwe studenteneenheden. Eerlijk is eerlijk: het succes is mede een gevolg van de enorme vraag naar goede jongerenhuisvesting én van het feit dat het voor veel marktpartijen een interessant businessmodel is. Waar Intense Laagbouw de wind tegen had, heeft BouwJong! de wind mee.
Tentoonstelling van de manifestatie BouwJong!
Dat laat onverlet dat vrijwel alle grote en middelgrote jongerenhuisvestingsprojecten die sinds 2012 in Groningen zijn gerealiseerd in meer of mindere mate schatplichtig zijn aan de manifestatie. Het hadden er nog meer kunnen zijn, wanneer de woningcorporaties na 2012, als gevolg van rijksbeleid, niet beperkt waren geweest in hun financieringsmogelijkheden.
Verder volgt BouwJong! het bewezen stramien van de voorgangers: er is een curator en inspirator in de persoon van Marlies Rohmer, en er wordt gelijktijdig gestudeerd op diverse locaties en uitgebreid vooronderzoek gedaan in samenwerking met de TU Delft. Wederom leidt dit tot een inspirerende collectie voorbeelden, in dit geval van jongerenhuisvesting in binnen- en buitenland. Het dient als spiegel voor de Groninger opgave en verbeeldt richting alle deelnemers het ambitieniveau.
Wonen in Stadshart
In 2016 is de binnenstad van Groningen aan de beurt. Wonen in Stadshart onderzoekt aan de hand van veertien plannen hoe in het stadscentrum meer – en vooral andere – woonruimte gerealiseerd kan worden. Met name woningen voor andere doelgroepen dan studenten en jongeren, die een groot deel van de binnenstad al bevolken.
De plannen zijn divers van aard. Ze omvatten studies naar de herbestemming van voormalige schoolgebouwen naar woongebouwen, plannen voor kleinschalige nieuwbouw binnen het binnenstedelijk weefsel, ontwerpend onderzoek naar verborgen waarden van de Herestraat en de revitalisatie van de openbare ruimte van de Groninger diepenring. Het gaat, kortom, niet alleen om het toevoegen van woningen, maar ook om het scheppen van een aantrekkelijke context voor dat binnenstedelijke woonprogramma.
Ten opzichte van de voorgangers wordt een aantal vernieuwingen doorgevoerd. Zo is Wonen in Stadshart de eerste manifestatie met een niet-architect als inspirator en aanjager: projectontwikkelaar Edwin Oostmeijer. Het is een bewuste keus om naast het ontwerp meteen ook aandacht te vragen voor de ontwikkelstrategie bij de vaak complexe binnenstedelijke locaties die onderdeel zijn van de manifestatie.
Werkmanhof, Zofa Architecten, 2024 // Onderdeel van de manifestatie Wonen in Stadshart // Foto: Peter de Kan
Maquette van de manifestatie Wonen in Stadshart
Nieuw is ook dat er geen uitgebreid typologisch vooronderzoek wordt gedaan. Dat was alleen al omdat Intense Laagbouw op dat vlak al veel op tafel had gekregen. In plaats daarvan geeft stadsbouwmeester Jeroen de Willigen iedereen een architectuurmanifest mee dat oproept om met liefde voor de stad aan wederkerige, contextbewuste plannen te werken. Verder worden gezamenlijke ontwerpateliers georganiseerd met veel ruimte voor dialoog tussen de deelnemende teams. Het doel is om kennis uit te wisselen en elkaars plannen beter te maken.
Van alle Wonen in Stadshart-projecten zijn er inmiddels vijf gerealiseerd, waaronder het prijswinnende Werkmanhof en de geslaagde herbestemming van een tweetal voormalige basisscholen in de binnenstad. Ook het ontwerpend onderzoek werkt door. Illustratief is de studie Welkom op de Diepenringboulevard die de weg plaveit voor twee aansprekende en inmiddels gerealiseerde openbare-ruimteprojecten: de nieuwe Kattenbrug naar ontwerp van Korth Tielens Architecten en Dudok aan het Diep van IRIS architecten en Marseille Buiten.
Een ‘vreemde eend’: Sponsland
Met Sponsland (2020 – 2021) steekt Groningen voor het eerst de gemeentegrens over, letterlijk en figuurlijk. De manifestatie, een coproductie van de gemeente en de provincie Groningen, gaat op zoek gaat naar ontwerpende oplossingen voor klimaatadaptatie. De aanleiding is de internationale Climate Adaptation Week die in januari 2021 mede in Groningen plaatsvindt.
Het initiatief voor Sponsland komt van landschapsarchitect Tamara Ekamper, destijds werkzaam bij het Atelier Stadsbouwmeester van de gemeente Groningen. Ze ziet een kans om na diverse 'op gebouwen gerichte' manifestaties een ander thema onder de aandacht te brengen als integrale ontwerpopgave.
Sponsland zoomt in op een uitsnede van het Groninger landschap: acht grote locaties op de lijn van de Hondsrug tot aan Schiermonnikoog, vier in de stad Groningen en vier in het landelijk gebied. Voor de manifestatie selecteert curator-duo Yttje Feddes en Peter Veenstra acht landschapsarchitecten uit binnen- en buitenland. Hun wordt om een perspectief gevraagd dat niet alleen de technische klimaatproblemen oplost, maar ook versterkend werkt op cultuurhistorie, de schoonheid van het landschap, de economie en de ecologie.
Tentoonstelling van de manifestatie Sponsland op de Grote Markt
Hunzevallei, Bureau B+B // onderdeel van de manifestatie Sponsland
Van alle manifestaties is Sponsland het meest agenderend en het minst gericht op directe realisatie. Dat is mede het gevolg van de gekozen tijdshorizon. De initiatiefnemers presenteren Sponsland als een reis door het Groninger landschap anno 2120. In de wetenschap dat klimaatadaptatie per direct aandacht vraagt om überhaupt tot die aantrekkelijke perspectieven te kunnen komen, biedt ieder plan ook aanbevelingen om snel aan de slag te gaan.
Alle opgedane kennis wordt in de afsluitende publicatie bovendien vertaald naar algemeen geldende principes voor klimaatadaptief ontwerp. Op deze manier wil Sponsland iedereen inspireren die zich binnen en buiten Nederland bezighoudt met klimaatadaptatie en een duurzaam gebruik van de aarde.
Uitvoering van woonbeleid: Bouw Anders
De Intense Stad, Intense Laagbouw, BouwJong!, Wonen in Stadshart en Sponsland: ze komen alle tot stand op initiatief van de stadsbouwmeester. Het onderliggende doel is het stimuleren van plankwaliteit. Daar komt een laag bij wanneer ‘de manifestatie’ in juni 2020 expliciet genoemd wordt in de woonvisie Een thuis voor iedereen, als uitvoeringsinstrument van het gemeentelijk woonbeleid.
Meerdere thema’s uit de woonvisie worden in 2022 samengebracht in Bouw Anders. Het is een pleidooi voor meer variatie in het woningaanbod, andere ontwikkelvormen, hoogwaardige architectuur, goede openbare ruimte en gebouwen die de leefomgeving écht beter maken. En dat allemaal het liefst zo duurzaam, natuurinclusief en betaalbaar mogelijk.
Voltage, Korth Tielens en LAOS, 2025 // Onderdeel van de manifestatie Bouw Anders // Foto: Peter de Kan
Ten opzichte van zijn voorgangers valt Bouw Anders op door de grote diversiteit aan locaties. Er zijn grote stedelijke gebiedsontwikkelingen als de Suikerzijde en het meer suburbane Meerstad, maar ook kleinere ontwikkelzones, herbestemmingsopgaven, wijkvernieuwingsprojecten en locaties in dorpen. Onder leiding van curator Patrick van der Klooster en stadsbouwmeester Nathalie de Vries worden alle deelnemers uitgedaagd om de woonopgave als een integrale ontwerpopgave te omarmen. De kwantitatieve vraag naar nieuwe woningen wordt aangegrepen om tot meer kwaliteit en diversiteit te komen.
In zekere zin is Bouw Anders een trainingsveld voor ‘integraal stadmaken’. Illustratief is de vraag die door de curatoren aan alle teams gesteld wordt: wat geeft jouw project terug aan de straat, de buurt, de wijk en de stad? Dat inspireert deelnemers, maar zeker ook de gemeente als initiatiefnemer van de manifestatie, om verder te kijken. Wat is de wisselwerking tussen het wonen en de (openbare) kwaliteit van de woonomgeving? Hoe zorg je voor levendigheid? Maar ook: hoe maak je groen, klimaat en natuur integraal onderdeel van je plan?
Schoolvoorbeeld
De jongste loot aan de manifestatieboom is Schoolvoorbeeld. Na Sponsland is het de tweede manifestatie waarin een niet-woningbouwopgave centraal staat. Eerst en vooral is het een onderzoek, bedoeld om de rijke Groninger scholenbouwtraditie een nieuwe impuls te geven. De uitkomsten moeten helpen om het omvangrijke gemeentelijke scholenplan Gro Up op de best mogelijke manier tot uitvoering te brengen. De gemeente werkt nauw samen met KAW architecten en adviseurs, en De Zwarte Hond. Die laatste levert ook de curator: architect Bart van Kampen.
Onder de paraplu van Schoolvoorbeeld worden zes locatiestudies uitgevoerd door BDG Architecten, Studio Nuy van Noort, BRIQUE architecten, SVP, Korteknie Stuhlmacher Architecten en Frencken Scholl Architecten. De studies omvatten zowel bestaande als nieuwe locaties. Ook wordt er uitvoerig cultuurhistorisch onderzoek gedaan naar de Groninger scholenbouwtraditie, vinden er ontwerpateliers plaats met studenten vormgeving van Academie Minerva en biedt de manifestatie een podium voor een serie verdiepende gesprekken en publieksbijeenkomsten. De dialoog tussen architecten, stedenbouwers, beleidsmakers, schoolbesturen, leerkrachten en leerlingen krijgt volop aandacht vanuit de overtuiging dat de grootste winst zit in een open uitwisseling van kennis en inzichten.
Alles bij elkaar leidt het tot 35 aanbevelingen, verdeeld over drie categorieën: de schaal van het gebouw, de schaal van de wijk en de schaal van de stad. De aandacht voor die verschillende schaalniveaus zegt veel over de onderliggende doelstelling. Scholen verdienen meer te zijn dan vierkante meters onderwijsvastgoed. En een school is meer dan een gebouw om te leren: het is ook een plek om te spelen, bewegen en vrienden te maken. Scholen zijn van waarde voor de buurt, de wijk en de stad. In dat licht spreekt de gemeente de ambities uit om (weer) de beste schoolgebouwen op de beste plekken te gaan bouwen.
Zit het in het water?
Waar komen die manifestaties nou precies vandaan? Zeker is dat er in Groningen al jarenlang belangstellend gekeken wordt naar het Duitse concept van de Internationale Bauausstellung (IBA), waarvan de eerste in 1901 in Darmstadt wordt georganiseerd. Maar er komt ook inspiratie van veel dichterbij. Zo wordt de oervader van alle Groningen manifestaties eigenlijk al in 1903 georganiseerd op initiatief van grootindustrieel en filantroop Jan Evert Scholten.
Voor deze Groningsche Tentoonstelling voor Nijverheid en Kunstindustrie wordt op het terrein dat we nu kennen als het Ebbingekwartier een serie tijdelijke paviljoens gebouwd. Een zomer lang staan er tentoonstellingshallen voor nijverheid en kunstnijverheid en paviljoens rond de thema’s vervoer, verwarming en verlichting. Ook zijn er twee restaurants, een winkelgalerij, een muziekkoepel en een feestzaal.
Een commissie met de bekende Groninger architecten Jan Anthony Mulock Houwer, Pieter van de Wint en de broers Antoon en Pieter Huurman is verantwoordelijk voor het ontwerp. Op de tentoonstelling is werkelijk van alles te zien: van de nieuwste drukpersen en zetmachines tot rijwielen, van japons en elektrische verwarmingstoestellen tot koek, maar ook wandtegels, borduurmachines, aardewerk, gepasteuriseerde melkproducten, puddingpoeder en veel meer. De producenten, kunstenaars, fabrikanten en uitvinders komen uit Nederland, maar ook elders uit Europa.
Het succes van de Groningsche Tentoonstelling smaakt naar meer. Het leidt zelfs tot de oprichting van de NV Maatschappij tot exploitatie van een Tentoonstelling in de stad Groningen, die plannen maakt voor een groot nieuw evenement. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gooit roet in het eten. In 1922 pakt men de draad weer op met de organisatie van De Landbouwtentoonstelling. Daarna volgen onder meer de tentoonstelling van handel, nijverheid en landbouw Noorderlicht (1935) Groningen landbouw, industrie, verkeer, handel (1948), Groningen Lichtstad (1953), Manifestatie Groei (1961) en Gronings Ontzet (1972).
Daarnaast zit de manifestatiedrang in Groningen ook gewoon een beetje in het water. Zo kenmerkt de Groninger stadsontwikkeling zich sinds jaar en dag al door een ietwat eigenwijze en eigenzinnige aanpak – waarschijnlijk een gevolg van de bijzondere positie van Groningen als enige grote stad in Noord-Nederland. Diverse voorbeelden illustreren die eigenzinnigheid. Het zit in de wijze waarop de stad zich aan het eind van de negentiende eeuw sterk maakt voor een uniek eigen Hoofdstation, in plaats van het standaardtype dat de Nederlandse Spoorwegen eigenlijk in Groningen wil bouwen.
De Groninger stadsontwikkeling kenmerkt zich door een ietwat eigenwijze en eigenzinnige aanpak – waarschijnlijk een gevolg van de positie als enige grote stad in Noord-Nederland
Illustratief is ook het uitbreidingsplan dat H.P. Berlage in 1928 op uitnodiging van de gemeente maakt. De dan 72-jarige Berlage tekent een plan dat duidelijk verwant is aan zijn uit 1914 stammende Plan Zuid voor Amsterdam. De ambitie om een mooie, samenhangende stad te maken, geïnspireerd op negentiende-eeuwse stedenbouwkundige principes, druipt ervan af. Het komt tot stand op het moment dat elders in Nederland de functionele stedenbouw al volop wordt omarmd, met het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam voorop. Tot groot ongenoegen van de provincie trouwens, die de stad verwijt mateloos ouderwets te zijn.
Tekenend is hoe Groningen tot ver in de jaren vijftig vasthoudt aan het Berlage-plan, met de typerende gesloten bouwblokken. Ook daarna houdt de eigenzinnigheid aan. Zo wordt de eerste echte naoorlogse wijk, Corpus den Hoorn, aan het eind van de jaren vijftig een proeftuin voor verschillende verkavelingstypen. Na een korte periode waarin de stad mee marcheert in de functionele stedenbouw, loopt Groningen begin jaren zeventig weer voorop met z’n verzet tegen de cityvorming en grootschalige uitbreidingen die de stad moeten doen uitgroeien tot een ‘metropool’ met 500 duizend inwoners.
Dat gebeurt onder aanvoering van de dan 24-jarige wethouder Max van den Berg. Aan de hand van de Doelstellingennota komt behoud van de woonfunctie voor de binnenstad hoog op de agenda, net als het behoud van de universiteit. Bij de geplande uitbreidingswijken wordt vaarwel gezegd tegen functionalistische uitgangspunten en gaan herbergzaamheid en kleinschaligheid de boventoon voeren. Revolutionair is ook het Verkeerscirculatieplan uit 1977, dat voortvloeit uit de Doelstellingennota. Hiermee begint Groningen als eerste Nederlandse stad met het weren van de auto uit het centrum.
Bovenstaande is slechts een greep uit de eigenzinnige Groninger stadsontwikkelingstraditie. Toch laat het zien dat het fenomeen 'manifestatie' eind jaren tachtig niet zomaar uit de lucht komt vallen. Het past bij de wens het experiment aan te gaan en linksaf te slaan waar anderen rechtsaf gaan. Groningen doet het graag nét even anders en zoekt bewust niet altijd de meest makkelijke weg. Nogmaals: waarom zou je het makkelijk doen als het ook moeilijk kan?
Manifestatiekracht
Als je alle manifestaties, zeker die van de tweede generatie, op een rij zet, zie je verschillen in aanpak en thematiek. Maar ook overeenkomsten. Zo schuilt de kracht van iedere manifestatie in de creatie van momentum. Voor een periode van één tot anderhalf jaar krijgt een thema gerichte en vooral continue aandacht. Dat zorgt voor een impuls in het denken over ruimtelijke en maatschappelijke opgaven, terwijl ondertussen de rol van goed opdrachtgeverschap en goed ontwerp wordt gearresteerd.
Uiterst waardevol is dat meerdere teams gelijktijdig aan vergelijkbare opgaven werken. Dat zorgt voor kruisbestuiving. Deelnemende architecten en opdrachtgevers zien elkaars plannen. Ze bevragen elkaar, denken mee en zijn kritisch.
Een andere waarde schuilt in de wijze waarop de manifestatie een kans biedt om aan projecten te werken, los van de dagelijkse waan en van bekende, al dan niet ingesleten werkprocessen. Het proces wordt weer dienstbaar aan de ambitie en de inhoud. Die vrijheid helpt ook om voorbij sectorale beleidsgrenzen en ingenomen posities op zoek te gaan naar de best mogelijke oplossingen. Natuurlijk wordt binnen duidelijke kaders gewerkt, maar ze zijn niet in beton gegoten.
Complexiteit wordt niet uit de weg gegaan. Soms wordt het zelfs opgezocht. Alle deelnemers stellen zich open op, waardoor er ruimte is om tot verrassende oplossingen te komen. Talloze plannen die binnen de manifestaties tot stand zijn gekomen, zijn daar aanwijsbaar beter van geworden. Of waren er zonder de manifestatie zelfs helemaal nooit geweest.
Ook het publieke aspect is een vast en belangrijk onderdeel van de Groninger manifestaties. Van vakpubliek tot geïnteresseerde bewoners en direct belanghebbenden: ze krijgen de kans om mee te kijken, mee te praten en te reageren. Onder meer door de organisatie van lezingen, tussenpresentaties en een tentoonstelling waarin de resultaten worden getoond. Daarbij is bewonersparticipatie in veel gevallen integraal onderdeel van de manifestatie. Niet aan het eind van de planvorming, maar vanaf het begin.
Hoewel er altijd een leidend thema is, is de verscheidenheid aan plannen binnen een manifestatie structureel groot. Het gaat van nieuwbouw tot herbestemming, en van groot naar klein. Zo ontstaat een staalkaart van oplossingsrichtingen. Ook de status van de plannen verschilt. Vrijwel iedere manifestatie wordt gebruikt om gelijktijdig te werken aan concrete plannen waarvan de bouw bij wijze van spreken morgen kan beginnen. Het zijn ontwerpstudies, al dan niet in prijsvraagvorm, die gebruikt worden om de kansen van een locatie te verkennen.
Gereedschapskist, horend bij de manifestatiehandleiding De Groninger Methode // Foto: Peter de Kan
Die combinatie van pionierswerk en op realisatie gerichte plannen wordt bewust gemaakt. Onder de paraplu van de manifestatie sorteert ze alvast voor op concrete doorwerking. Een plan wordt er een stuk minder vrijblijvend van. Andersom profiteren de ‘echte plannen’ van de vrijheid van het verkennende werk.
Kenmerkend is ook het genereuze karakter van de manifestaties. Niet alleen denken de deelnemers met elkaar mee, ook worden de resultaten na afloop breed gedeeld. Dat gebeurt met de genoemde tentoonstelling, en vooral met de uitgave van een boek dat de resultaten bundelt, inzicht geeft in het vooronderzoek, de thematiek inbedt in een bredere context én de geleerde lessen publiek maakt. Op deze manier kunnen ook andere architecten en opdrachtgevers, binnen en buiten Groningen, profiteren van het gedane werk.
Maar waarom zou je als opdrachtgever mee willen doen aan een manifestatie? Die vraag wordt regelmatig gesteld, vaak door mensen die de Groninger manifestatietraditie niet kennen. Het kost vast veel geld en tijd, is de gedachte.
En ja, manifestaties vragen inderdaad volle inzet van de deelnemers. Maar daar staat veel tegenover. Alleen al de waarde van de manifestatie als platform, waar je gezamenlijk nadenkt over ruimtelijke opgaven, is enorm. Daarnaast levert het momentum alle deelnemers veel op. Dit is de plek waar je elkaar uitdaagt en gezamenlijke ambities vorm krijgen. De grap is dat dit zich in veel gevallen ook uitbetaalt in een veel vloeiender en dus sneller proces richting realisatie.
En dat geld, hoe zit het daarmee? Wat kost zo’n manifestatie nou? Vanwege de grote verscheidenheid aan manifestaties is er moeilijk een bedrag op te plakken. Maar om een indruk te geven: aan externe kosten gaat het om bedragen van tussen de 250.000 en 450.000 euro.
Doorgaans is het de gemeente die, al dan niet samen met een andere overheid, de investering doet. De budgetten komen vaak uit bestaande projectbegrotingen. Omdat de manifestatie vaak voor versnelling en meer daadkracht zorgt, betaalt de investering zich direct uit. Om het geld hoef je het dus niet te laten.
Wat kan er anders en beter?
Een vast recept voor een manifestatie bestaat niet. Het instrument ontwikkelt zich. Niet alleen op de essentie – waarmee de eerste generatie zich onderscheidt van de tweede – maar ook in de wijze waarop ingespeeld wordt op nieuwe ontwikkelingen. Het instrument groeit en beweegt mee, al lerend van de lessen van de manifestaties die achter ons liggen. In die zin is Groningen zo langzamerhand ook toe aan een derde generatie, die al het goede van de voorgangers behoudt, en daarnaast nieuwe accenten legt.
In zekere zin is de eerste stap gezet met de manifestatie Bouw Anders. Vooral omdat deze op een vanzelfsprekende manier doelstellingen op het vlak van architectuurbeleid en ruimtelijke kwaliteit verknoopt met de uitvoering van het gemeentelijk woonbeleid. Niet langer is een gemeentelijke architectuurnota of een initiatief van de stadsbouwmeester de aanleiding. Nee: Bouw Anders wordt aangekondigd in het gemeentelijk woonbeleid.
Nieuw is ook dat bij Bouw Anders de nadruk nóg sterker wordt gelegd op de uitvoering. Zo wordt tijdens de aftrap door de verantwoordelijke wethouder een ambitieuze doelstelling op tafel gelegd: hoe mooi zou het zijn om binnen vijf jaar 80 procent van de plannen te realiseren?
Dat doel gaat niet behaald worden, al is het eerste Bouw Anders-project inmiddels opgeleverd en zit er veel meer aan te komen. In die zin koerst de manifestatie net als z’n voorgangers af op een mooie oogst. Wel brengt het de vraag op tafel waarom de manifestatie stopt op het moment dat het boek klaar is en de tentoonstelling is opgeborgen. Zou het niet beter zijn om de projectgroep daarna gewoon intact te laten, in plaats van deze weer onderdeel te maken van de reguliere aanpak? Hoe hou je de energie vast en borg je daadwerkelijk dat 80 procent van de plannen snel en met behoud van plankwaliteit tot realisatie komt?
In die zin zouden manifestaties meer ‘rollend’ van aard kunnen worden. Geen kortlopend traject met een kop en een staart, maar een aanpak waarbij continu op een andere manier aan plannen gewerkt wordt. De tijdshorizon zou opgerekt kunnen worden van de gebruikelijke twee jaar naar vijf jaar, waarbij pas afscheid van een plan genomen wordt wanneer de eerste paal de grond in gaat.
In zo'n opzet is dan standaard ruimte voor pakweg twintig projecten. Wanneer een aantal richting realisatie gaat, ontstaat ruimte voor een nieuwe batch die een vergelijkbare aanpak krijgt. Een verlengde manifestatie dus, waarmee we kunnen zorgen dat hetgeen we nu nog ‘anders’ noemen snel de nieuwe standaard wordt. Niet alleen ten aanzien van de brede manifestatiedoelen, maar ook wat betreft het proces waarmee we samen aan onze woonomgeving werken.
Tot slot nog een suggestie. Want waarom zouden we ons bij een volgende manifestatie beperken tot de ‘toevallige’ grenzen van de gemeente Groningen? Hoe mooi zou het zijn om gelijktijdig op meerdere plekken in het land aan plannen te werken? Daarbij maken niet alleen de betrokken teams elkaar beter, maar kan de ene regio of gemeente ook profiteren van de kennis en kunde van de andere.
Wanneer starten we? Groningen doet alvast graag mee.
Manifestatiehandleiding
In 2025 ontving Stichting Coördinatie Lokale Architectuurinitiatieven vanuit het ministerie van OCW de opdracht om in heel Nederland een maatschappelijke dialoog over ontwerpend onderzoek op touw te zetten. GRAS coördineerde landsdeel Noord en organiseerde in het kader van het Actieprogramma Ruimtelijk Ontwerp in 2025 en 2026 een vijftal bijeenkomsten rondom dit thema. Ook maakten we een manifestatiehandleiding: De Groninger Methode. Dit artikel is een bewerkte versie van een in deze handleiding opgenomen tekst.
Meer lezen over de verschillende manifestaties uit de afgelopen dertig jaar? In de webshop van GRAS zijn diverse publicaties te vinden.