Stadsbouwmeester Nathalie de Vries: ‘De ideologie moet terug in de stadsontwikkeling’

23 juni 2021 Leestijd: 13 minuten

Het ene opiniestuk over de woningmarkt buitelt over het andere heen. Eén miljoen nieuwe woningen zouden we nodig hebben. Maar moeten die aantallen leidend zijn? Is het niet beter eerst te kijken naar wát voor woningen we nodig hebben? En hoe zorgen we dat ze allemaal op de juiste plek terechtkomen? Nathalie de Vries, sinds een half jaar stadsbouwmeester van Groningen, pleit voor oplossingen die over veel meer gaan dan alleen een getal.

OP ZOEK NAAR DE CRUX

We hebben nieuwe woningen nodig, en graag snel een beetje. Voor Groningen gaat het om pakweg 20.000 woningen, waarvan het overgrote deel een plek moet krijgen binnen de bestaande grenzen van de stad. De focus ligt op de ontwikkelzones uit de omgevingsvisie The Next City, waaronder Stadshavens, de Suikerzijde en Meerstad. Daarnaast bieden de bestaande (naoorlogse) wijken kansen.

De druk op de woningmarkt is fors. Groningen wil daarom de woningbouw versnellen. Dat mag alleen niet ten koste gaat van de kwaliteit. Sterker: die kwaliteit moet omhoog. En ook typologisch is er nog een wereld te winnen. Maar hoe we de vraag precies moeten beantwoorden ligt nog open.

‘In de discussie over de woningbouwopgave mis ik de duiding van de behoefte’, stelt Nathalie de Vries. ‘Er wordt van alles geroepen: een miljoen huizen erbij! Maar wat is nou de crux? Hebben we alle informatie wel?’

De Vries waakt voor kortetermijndenken. ‘Als we snel die huizen bouwen is het probleem opgelost, wordt wel gezegd. Maar dat soort snelle oplossingen creëren doorgaans problemen op de langere termijn. Worden het aantrekkelijke woningen en aangename buurten, die waarde teruggeven aan de stad? Zit er voldoende samenhang in? Wat zijn nou echt de behoeften, hoe interpreteren we die op de juiste manier en hoe ontwerpen we daaraan? Er zijn in het verleden al prachtige studies gedaan naar wat mensen echt willen, in en buiten de stad. Neem alleen al het onderzoek van stadssocioloog Arnold Reijndorp. Dat soort kwalitatief onderzoek bevat erg waardevol materiaal als we het over onze woningbouw hebben, voor zowel gemeenten, ontwikkelaars als ontwerpers.’

Wie naar de bouwproductie kijkt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vraag nu toch vooral beantwoord wordt met grondgebonden gezinswoningen en appartementen. Iedereen wil immers een huis met een tuin, zo wordt vaak gesteld. Maar is dat wel zo?

Is dat huis met die tuin het aanbod of de vraag? Zien we niet vooral het meest gemakkelijke – want bekende – antwoord? Alternatieven worden nauwelijks gebouwd. ‘De vraag naar een tuin kan ook de vraag naar buitenruimte zijn. En dan niet een miezerig balkon, maar echt een plek waar je wat mee kan, al dan niet met een collectieve betekenis. Of wat te denken van een groene, collectieve binnenruimte? Op zo’n manier zou je ook vorm kunnen geven aan een stedelijke gezinswoning. Of misschien beter: aan wonen met kinderen. Want het traditionele gezin is steeds meer uitzondering dan regel.’

CPO-project aan de Veenweg, Groningen // Ontwerp: Zofa Architecten // Foto: Gerben Meinders

EEN HOLISTISCHE BLIK OP DE WOONOMGEVING

Dat de oplossing vooral gezocht moet worden in de bestaande stad, staat voor de stadsbouwmeester vast. ‘Als we naar een duurzame samenleving willen, moeten we uitgaan van de kansen die de steden en dorpen ons bieden. Onze stadsranden staan al zwaar onder druk. Windmolens, bedrijven en energieparken vragen volop ruimte. Alles moet aan die rand. En ondertussen hollen de natuurwaarden verder achteruit. Het heeft geen zin om verder uit te dijen.’

Vooral knooppunten zijn interessant: plekken die goed bereikbaar zijn, en dan het liefst met het openbaar vervoer. Een stad als Groningen doet er bovendien goed aan verder te kijken dan alleen naar het centrum. De uitdaging is om ook de omliggende wijken meer stedelijke kwaliteit te geven: van woonwijk naar leefwijk. ‘Condities die we nu afficheren met de binnenstad verdienen daar een plek. Dat zorgt op veel meer plekken voor een veel aangenamer stad: met meer gemengde functies, verschillende doelgroepen naast elkaar en voorzieningen op loopafstand.’

‘Met de Vinex hebben we het maatschappelijk ideaal gereduceerd tot individualisme’

Voor een belangrijk deel biedt de stad, zoals ze nu is, inspiratie. Oudere wijken zijn vaak gemengder en worden mede daarom gewaardeerd. Hoe dat komt? ‘Vooral omdat veel vooroorlogse en vroeg-naoorlogse wijken ontsproten zijn aan een ideologie: een opvatting over de stad en de maatschappij’, stelt De Vries. Decennialang was de volkshuisvesting een belangrijke basis onder de stadsontwikkeling. Na de oorlog kwam daar bijvoorbeeld het ideaal van de wijkgedachte bij. ‘De aandacht voor het gemeenschappelijke is, zeker eind vorige eeuw, langzaam maar zeker uit de stadsontwikkeling verdwenen. Scherp gesteld zou je kunnen zeggen dat we met de Vinex het maatschappelijk ideaal gereduceerd hebben tot individualisme.’

Dat moet anders. ‘De ideologie moet terug in de stadontwikkeling. Het begin is er. We staan onszelf gelukkig weer toe om meer dan een neoliberaal mens te zijn. Daar hoort een holistische blik op de woonomgeving bij. Stadmaken gaat over zo veel meer dan alleen om huizen in rijtjes en huizen op stapeltjes. Integrale wijken met een gezonde mix aan bewoners en woningtypologieën zijn zoveel boeiender. Hybride oplossingen, geen versnippering. Dat geldt ook voor het groen in de wijk. Dat kan echt volwaardiger, alleen al met het oog op de kwaliteit van de openbare ruimte en ons veranderende klimaat. Betaalbaarheid is natuurlijk een belangrijk thema, maar het moet net zo hard gaan over het maken van een prettige leefomgeving, over gezondheid, voorzieningen op loopafstand en collectieve oplossingen voor, bijvoorbeeld, energie.’

VAN SECTORAAL NAAR SAMENWERKEN

Kenmerkend voor de huidige woningbouw is de segregatie. Die is de afgelopen tien jaar alleen maar sterker geworden. Wonen is een product. Ontwikkelaars bedienen ‘de markt’. Daaronder zitten de corporaties, die vaak met pijn en moeite bouwen voor het sociale domein. ‘Het is mijn overtuiging dat we zo snel mogelijk af moeten van deze segregatie. Samenwerking is het devies, tussen publieke en private partijen. Je ziet dat gelukkig steeds meer. Succesvolle ontwikkelaars – zij die de toon zetten – zoeken de samenwerking op. Het gaat hen steeds meer om het mengen van woningtypen voor een mix van doelgroepen. De kracht is dat je daarmee de verschillen een stuk minder expliciet maakt. Dit soort eigentijdse ontwikkelaars beperken zich allang niet meer tot alleen woningen. Ze denken na over verbindende functies. Ze maken de stad.’

Voor de overheid is ook een belangrijke, zo niet essentiële, rol weggelegd. Die moet weten wat ze wil, vanuit een duidelijke visie en opvatting over de stad. ‘Hoe groot de opgave ook is: wonen is slechts één van de ruimtelijke opgaven. Dat kun je niet sectoraal oplossen – je moet het niet eens willen. In het bewaken van en het sturen op samenhang ligt een belangrijke rol voor de overheid. En niet onbelangrijk: maak keuzes. Bijvoorbeeld wat betreft de auto. Durf te kiezen en maak stukken stad waar gewoon geen plek meer is voor die auto. Helemaal waar alle voorzieningen op loopafstand zijn, kun je op die manier ontzettend aantrekkelijke stukken stad maken.’

‘In de naoorlogse periode zijn met prefab ontzettend mooie dingen gemaakt, vaak heel gevarieerd. Dat moet nu toch ook kunnen?’

Belangrijk is dat iedereen die in de stad bouwt ook wat teruggeeft: zaken die de buurt en de wijk beter en aantrekkelijker maken. ‘Is het programma ten volle uitgenut? Worden opdrachtgevers voldoende uitgedaagd tot samenwerking? Wat is de relatie tussen woning en openbare ruimte? Denk na over verschillende behoeftes en breng ze samen. Niet iedereen z’n eigen plekje, maar een zo groot mogelijke overlap. Als je op het niveau van buurten en wijken een goede visie hebt, dan kun je ook die individuele bouwer en ontwikkelaar uitdagen. Dit is wat we willen, dit is onze visie voor nieuwbouw en wijkvernieuwing. Verhoud je hiertoe. Ook daar ligt en belangrijke rol voor de gemeente. Dat is zeker geen pleidooi voor een terugkeer naar een almachtige overheid en een vaderlijke corporatie. Wel is het een oproep voor samenwerking, waarbij iedereen z’n rol pakt.’

Om dat allemaal goed te kunnen doen zal de overheid zelf integraler moeten gaan werken. De roep om zo’n aanpak is er. ‘Als ik mensen binnen de gemeentelijke organisatie individueel spreek, zijn we het doorgaans snel eens. Menigeen herkent de problemen die voortkomen uit de verkokering en geeft aan dat we zo kansen missen. Toch hebben we het nog altijd behoorlijk sectoraal georganiseerd: de programmamanager economie doet de supermarkt, die van onderwijs doet de school. Dat fascineert mij als stadsbouwmeester. Hoe krijgen we vat op het systeem? Hoe zorgen we dat we het zo organiseren dat we ook echt invulling kunnen geven aan de wens om samen werk te maken van een mooie, duurzame, gemengde en kwalitatief hoogwaardige leefomgeving?’

Naoorlogse woningbouw in de Groningse wijk De Wijert

MEER GEVOELIGHEID IN DE MASSA

Wanneer we de focus leggen op bouwen in de bestaande stad, ontkomen we niet aan hoogbouw – of in iedere geval hogere bouw. Daarin is vervolgens nog een wereld te winnen. ‘Wat me opvalt is dat veel recente hoogbouw in Groningen achterblijft in kwaliteit en diversiteit. Zo gaat het op veel plekken in de plint, op de begane grond, mis. Die plint is er vaak gewoon helemaal niet, maar is juist ontzettend belangrijk. Daar leg je de relatie met de omgeving, nadrukkelijk ook in het gebruik. Je hebt doorgaans maar een of twee voorzieningen nodig om de plint te activeren. Dat kan gaan om collectieve voorzieningen voor bewoners en omwonenden, maar ook om winkels, kantoren of commerciële functies. Het hoeft daarbij echt niet om enorme oppervlakten te gaan, maar misschien wel wat meer dan nu vaak wordt gereserveerd. Parkeren daarentegen moet juist meer uit het zicht of onder de grond.’

Hoogbouw draagt vaak een wat negatief imago met zich mee, wellicht gevoed door het gebrek aan goede plinten en de achterblijvende kwaliteit en diversiteit. Wat dat betreft is snel een nieuwe visie op hoogbouw nodig, vindt de stadsbouwmeester. ‘Hoogbouw of hogere bouw kan een enorme impuls zijn voor de stad en de stedelijke leefkwaliteit. Dat zit ‘m inderdaad in de plint, maar ook in het feit dat je door verdichting bestaand groen kunt sparen en je echt stedelijke gebouwen kunt maken waar de collectiviteit ook op andere plekken in het gebouw zit. Of het nou gaat om een gedeelde stalling, een collectief dakterras, voorzieningen die door meerdere bewoners gebruikt worden of een semi-openbare daktuin: daarmee geef je invulling aan stedelijke kwaliteit en stedelijk wonen. Juist die mix en variatie in het aanbod maakt de stad interessant.’

In de gesprekken over aantallen wordt veelvuldig gewezen op de kansen van massaproductie: woningen uit de fabriek. Wanneer we dat grote aantal woningen inderdaad nodig hebben, ligt daar natuurlijk een deel van de oplossing. Als overheid en architectengemeenschap moeten we onze neus daar niet voor ophalen, vindt De Vries. ‘De naoorlogse periode heeft ons geleerd dat je met prefab ontzettend mooie dingen kunt maken, vaak heel gevarieerd. Dat moet nu toch ook kunnen? We moeten het gesprek dus zeker aangaan, ook met de spreekwoordelijke Action van de woningbouw. Kunnen we dat upgraden naar HEMA of IKEA? Kunnen we in de massa meer gevoeligheid krijgen? En hoe maken we met fabriekswoningen een waardevolle, prettige wijk? Ik geloof echt dat dit mogelijk is, mits we de ambities opschroeven en de markt hier uitdagen.’

‘Huizen ontwerpen die je makkelijker kunt aanpassen, vraagt om een fundamenteel andere benadering van woningbouw. Dat is bij uitstek architectenwerk’

De opgave is bovendien om op dit vlak ook typologisch de lat hoger te leggen. Hoe ontwerpen we fabriekswoningen die wat betreft hun indeling wat ambivalenter zijn? Welke mogelijkheden zijn er om ergens een wandje uit te tikken of juist bij te plaatsen op het moment dat je woonwensen veranderen? ‘Maak huizen zo dat je ze veel makkelijker kunt aanpassen en daarmee beter kunt inspelen op verschillende doelgroepen of behoeften. Dat vraagt om een fundamenteel andere benadering van woningbouw. En juist dat is ook bij uitstek architectenwerk.’

Na de Tweede Wereldoorlog lukte het ook om veel goede woningen te bouwen, stelt de stadsbouwmeester. Ook toen moest het snel en goedkoop. Illustratief is een wijk als De Wijert. ‘Architectuurhistoricus Marieke van der Heide, tevens lid van het Atelier Stadsbouwmeester, vertelde mij laatst dat daar maar liefst twintig verschillende architectenbureaus bij betrokken waren. Ze bouwden veelal met hetzelfde bouwsysteem: dat van Klein en Rottinghuis. Het heeft tot veel variatie geleid, in architectuur en typologie. Soms subtiel, maar als je erop let zie je de verscheidenheid. Verschillende woningbouwcorporaties konden zo ook de door hen gewenste karakteristiek meegeven aan hun woningen.’

Little C, Rotterdam // Ontwerp: CULD – INBO // Foto: Ossip van Duivenbode // littlecoolhaven.nl

VERANDEREN BUITEN HET SYSTEEM OM

Natuurlijk is dit alles niet zomaar even geklaard. ‘De woningbouwopgave is complex. We hebben te maken met ontzettend veel actoren. Geld is een probleem. Bouwkosten rijzen de pan uit, corporaties hebben te weinig geld om te investeren en het aandeel dat veel mensen tegenwoordig al kwijt zijn aan woonlasten is fors. Alleen slimme integratie kan wat opleveren. Werk maken van werk, projecten en programma’s dwars door de sectoren heen verbinden en zo meerwaarde creëren. Ook moeten we leren om op andere manieren over financiering na te denken. Hoe reken je kosten om in waarde? Hoe neem je de maatschappelijke investeringen mee in de afweging waar te bouwen? Hoe kun je een investering in extra duurzaamheid uitsmeren over een langere periode en daarmee ruimte maken voor kwaliteit?’

Voorbeelden van hoe een andere benadering tot overtuigende resultaten kan leiden, zijn er. ‘Ik geloof heilig in de kracht van goede voorbeelden.' De Vries noemt het recent opgeleverde, dichtbebouwde project Little C in Rotterdam. Het won de Rotterdam Architectuurprijs en wordt alom geroemd. 'Dit project heeft voor een enorme boost gezorgd in het gesprek over woningbouw en stadsontwikkeling. Het inspireert. Zulke projecten laten zien dat het anders kan.’

Ook collectief particulier opdrachtgeverschap en andere bewonersinitiatieven verdienen volgens De Vries veel meer aandacht. ‘We moeten het onszelf toestaan om van die enorme aantallen woningen die we de komende jaren gaan bouwen ten minste 10 procent ook echt experimenteel uit te voeren. Daar hoort bij dat er geen wijken meer mogen zijn die niet voldoende voorzieningen op loopafstand hebben. Alleen dan beginnen we weer vanuit idealen te denken en aan de werkelijke maatschappelijke behoeftes te voldoen.

We kunnen wachten tot het systeem verandert. Nog beter is om nu alvast te beginnen en, buiten het systeem om, zaken slimmer te regelen. Groningen heeft in het verleden met manifestaties als De Intense Stad, Intense Laagbouw, BouwJong! en Wonen in Stadshart laten zien dat dit kan. Met de manifestatie Bouw Anders kunnen we opnieuw het voortouw nemen.’

***

Foto header: Barbra Verbij

Dit is de eerste in een serie interviews waarmee GRAS dieper ingaat op de forse woningbouwopgave waarvoor Groningen staat. De serie maakt deel uit van de manifestatie Bouw Anders. Met deze manifestatie wil de gemeente Groningen laten zien dat kwantiteit en kwaliteit elkaar niet in de weg hoeven te zitten. Betaalbaarheid, meer diversiteit in het aanbod, meer groen en fijne wijken en buurten voor alle Groningers staan centraal. Bouw Anders sluit aan bij de rijke traditie van Groninger architectuur- en ontwikkelmanifestaties. Het moet binnen nu en pakweg vijf jaar leiden tot concrete, gebouwde resultaten, die nadrukkelijk anders zijn.