Meer dan een school
Op naar een krachtige nieuwe generatie Groninger scholen
Groningen heeft, zoals elke gemeente, behoefte aan goede scholen. Daarvoor hoeft het wiel niet opnieuw uitgevonden te worden, betoogt Peter Michiel Schaap. Goede voorbeelden zijn er alleen al in de stad Groningen genoeg, met de scholen van Mulock Houwer, Bouma en Wilhelm voorop.
Schoolpaleizen
De wijk met de hoogste dichtheid qua mooie scholen, nationaal, is zonder twijfel de Groninger Oosterparkwijk. Vijf zijn er ontworpen door Siebe Jan Bouma, de vooroorlogse wonderboy van de Groninger architectuur. Verder staan er mooie scholen van de hand van Jan Anthony Mulock Houwer, Kuiler & Drewes, Gerhardus Hoekzema Kzn, Architectenbureau Van Wijk en Broos, A. Reiziger en P. Bügel. Ze hebben misschien niet de uitstraling van de ontwerpen van Bouma, maar zijn desalniettemin van bovengemiddeld niveau.
Dat er zoveel mooie scholen in de Oosterparkwijk staan is geen toeval. Het royale groen, de zorgvuldig vormgegeven openbare ruimte en de talloze voorbeelden van goed ontworpen ‘volkswoningen’, maken de Oosterparkwijk tot een toonbeeld van de vooroorlogse stadsontwikkeling. Met de volkshuisvesting als drijvende kracht diende die ten goede te komen aan de gezondheid en emancipatie van het volk. Weg van de erbarmelijke woonomstandigheden in de oude binnenstad, op naar een mooie, gezonde en groene wijk!
De school speelde in die ‘waarlijk liberale en sociaaldemocratische volksverheffing’ een belangrijke rol. Precies daarom staan de scholen in de Oosterparkwijk zonder uitzondering op prachtige plekken. Zeker de vooroorlogse ontwerpen van Bouma presenteren zich als ware schoolpaleizen, vaak mooi verweven met het omliggende groen en de openbare ruimte. De ontwerpende aandacht zat niet alleen in de ligging en stedenbouwkundige inbedding, maar zette zich voort in de architectuur, de plattegrond, de inrichting en dat wat we nu ook wel het binnenklimaat noemen.
De gemeentelijke lagere school aan de Cortinghlaan in De Hoogte, naar ontwerp van J.A. Mulock Houwer // Foto: P.B. Kramer, Groninger Archieven
De hoge bestemming van het schoolgebouw
Hoewel de uitvoering in de Oosterparkwijk – maar ook breder in de stad Groningen – tegen het sublieme aan zit, verzinnen Bouma en zijn scholenbouwconsorten het natuurlijk niet allemaal zelf. Na de beëindiging van de jarenlange schoolstrijd in 1917 – waarna het bijzonder onderwijs vanuit het Rijk evenveel recht op financiële steun krijgt als het openbaar onderwijs – is er op nationaal niveau ruimte ontstaan om het over écht relevante zaken te hebben. Waaronder het ontwerp van goede schoolgebouwen.
Illustratief is de publicatie Scholenbouw uit 1924. De auteurs zijn journalist en architect E.J. Rotshuizen, inspecteur Lager Onderwijs K. Brants en H.J. Kockx, die, eveneens geschoold als architect, werkzaam is bij de Dienst Rijksonderwijsgebouwen in Den Haag. Het boek verschijnt met de zegen van het toenmalige Departement van Kunsten, Onderwijs en Wetenschappen en bevat een eindeloze hoeveelheid tips, tricks en aanbevelingen voor het komen tot een goede, gezonde en mooie school.
Aan de basis van het boek staat de overtuiging dat ‘het schoolgebouw […] zijn hooge bestemming ook in de architectuur tot uiting [behoort] te brengen door een harmonische en goed geproportioneerde gevelcompositie en een behaaglijk, opwekkend interieur’.
De Fröbelschool aan de Graaf Adolfstraat, een ontwerp van Siebe Jan Bouma // Foto: Openbare Werken, Groninger Archieven
De auteurs gaan in het boek van groot naar klein. Ze beginnen met de locatie, de bodemgesteldheid, het bouwterrein en de positionering van de school op het bouwterrein. Daarin benadrukken ze dat ieder schoolgebouw goed bereikbaar moet zijn voor alle leerlingen en niet te ver van de woning mag liggen. Dat geldt voor de stad en het platteland.
Verder mogen scholen omwille van de gezondheid nooit nabij stoffige wegen, drukke straten en ‘schadelijke dampen verspreidende fabrieken liggen’. En, niet te vergeten: ‘Ook vermijde men de nabijheid van inrichtingen, die een verruwenden invloed op het gemoed der kinderen kunnen hebben (slachterijen, veemarkten) of waar tucht en goede zeden gevaar loopen.’
Aansluitend gaan de schrijvers in op de afmetingen van het bouwterrein, en op de positie van de school met het oog op zaken als daglicht en contact tussen binnen en buiten. Daarbij hanteren ze de stelregel dat ‘elk kind een stuk van den hemel moet kunnen zien’.
‘Bovendien’, zo gaan ze verder, ‘zal met de omgeving [...] rekening moeten worden gehouden [...] zoodat niet, zooals reeds vaak is geschied, een mooi stadsbeeld wordt bedorven door het daarin plaatsen van een massalen, vormloozen steenklomp […].’ Ook komt de beplanting volop aan de orde. Die helpt bij de creatie van een vriendelijke omgeving en speelt een rol bij het garanderen van een aangenaam klimaat op het schoolplein. Overigens hebben de auteurs sowieso een voorkeur voor scholen die ‘op een vrij terrein liggen, het liefst te midden van tuinen of anderszins begroeide gronden’. Immers: groen is gezond en heilzaam.
Functioneel en betekenisvol
Het wekt nauwelijks verwondering dat verderop in het boek uitvoerig ingegaan wordt op de waarde van de schooltuin. Die biedt kinderen de gelegenheid ‘door aanschouwing het onderricht in plantkunde te vergemakkelijken, en tevens den lust bij hen aan te wakkeren tot het kweeken en verzorgen van planten en moeskruiden’. Deze bezigheid in de open lucht is ook uit hygiënisch oogpunt van groot belang, en ‘heeft groote opvoedkundige waarde, aangezien den kinderen hierdoor arbeidzaamheid, oplettendheid, zin voor orde en niet het minst voor schoonheid wordt bijgebracht’.
In de volgende hoofdstukken gaat de aandacht uit naar het schoolgebouw zelf, de klaslokalen en de inrichting van die lokalen. Werkelijk alles komt voorbij, van de plattegronden, de vloeren en de bekapping tot en met de bliksemafleiders, de verlichting, de schoolbanken en het schoolbord. Daarbij laten de auteurs er geen enkele twijfel over bestaan dat de kwaliteit en schoonheid van het ontwerp essentieel zijn.
‘Wanneer de uitvoering van den bouw in bekwame handen wordt gelegd, behoeft mooi bouwen volstrekt niet duurder te zijn dan leelijk bouwen’, schrijven de auteurs van het boek Scholenbouw in 1924
In alles daagt het boek uit om hele goede scholen te maken. Daarbij mag geld nooit een reden zijn om niet gewoon het allerbeste te doen. Want ‘wanneer de uitvoering van den bouw in bekwame handen wordt gelegd, behoeft mooi bouwen volstrekt niet duurder te zijn dan leelijk bouwen’.
Het is verleidelijk om eindeloos te blijven citeren uit het handboek van Rotshuizen, Brants en Kockx. Vooral omdat veel van wat ze schrijven nog altijd enorm relevant is, of juist opnieuw relevantie heeft gekregen. Wat dat betreft zouden we haast kunnen opteren van een herdruk. Scholenbouw in een nieuwe jas, ontdaan van het soms wat archaïsche Nederlands en voorzien van nieuwe inzichten, bijvoorbeeld op het vlak van duurzaamheid en circulariteit. En mogelijk ook over het onderwijs en de veranderlijke onderwijsvisies. Al is dat laatste wel iets om eerst goed over na te denken – maar daarover later meer.
Geen dure, maar architectonisch schone scholen
Dat Scholenbouw bij Bouma en zijn collega’s binnen de gemeente Groningen op het bureau ligt, is zeker. Het dient als inspiratie, maar ook ter bevestiging van de weg die men al ruim voor de bouw van de eerste Boumaschool was ingeslagen. Zo zat al in de openbare lagere en middelbare scholen die vanaf pakweg 1904 onder de toenmalige directeur gemeentewerken Jan Anthony Mulock Houwer werden gebouwd bovengemiddelde ontwerpende aandacht. In negen van de tien gevallen was het ontwerp ook van Mulock Houwer, trouwens.
Toch kunnen we er niet omheen dat de scholen van Bouma, en dan zeker die in de Oosterparkwijk, de overtreffende trap vormen. Niet alleen architectonisch, maar ook in hun stedenbouwkundige situering.
Exemplarisch is de voormalige Th. Thijssen- en D. Bosschool aan de Zaagmuldersweg. Inderdaad, twee scholen onder één dak. Het is een oplossing waar ze in die tijd wel vaker voor kiezen. Deels om zowel in de bouw als de exploitatie kosten te besparen – zo kunnen beide scholen gebruik maken van hetzelfde schoolplein en dezelfde gymzaal – maar ook omdat er met meer massa een markant, monumentaal element in de wijk gemaakt kan worden.
De door Siebe Jan Bouma ontworpen gemeentelijke scholen XVII en XVIII aan de Heesterpoort 1 en de Begoniastraat 2 in de Oosterparkwijk, kort na de oplevering in 1928. Aanvankelijk bood het complex onderdak aan de Th. Thijssenschool en Dr. D. Bosschool. Later functioneerde het als één school: de Simon van Hasseltschool // Foto: P.B. Kramer / J.B. Koeroo, Groninger Archieven
Entreepartij en gevel van School XXXIX aan de Klaprooslaan in de Oosterparkwijk, ontworpen door Siebe Jan Bouma // Foto: Openbare werken, Groninger Archieven
De uit 1928 stammende dubbele school aan de Zaagmuldersweg is daar een goed voorbeeld van. Het gebouw geeft de straat smoel en markeert ook het overliggende Linnaeusplein. Bovendien vormt het de stedenbouwkundige opmaat tot de achterliggende Bloemenbuurt. Ook de wijze waarop Bouma de overgang tussen school en openbare ruimte ontwerpt, laat zien hoezeer de school wordt ingebed in de wijk.
Nog zo’n voorbeeld van een goed gepland monumentaal schoolpaleis staat iets verderop: de Van Houtenschool aan de Oliemuldersweg, eveneens een ontwerp van Bouma. Hij vormt een geheel met het prachtige Pioenpark en de forse vijverpartij die onderdeel is van het parkontwerp. De auteurs van het boek Scholenbouw moeten er watertandend naar gekeken hebben. Pakweg zes jaar na het verschijnen van hun leidraad vinkt de Van Houtenschool vrijwel al hun aandachtspunten op sublieme wijze af.
Ook buiten Groningen blijft dat niet onopgemerkt, ontdekt Herma Hekkema tijdens haar onderzoek voor het nog immer lezenswaardige boek S.J. Bouma 1899-1959. Zo schrijft Fons van Hoof in 1931 een laaiende recensie van het ontwerp van de Groninger architect:
‘Licht, lucht, water en natuur zijn zoowel binnen als buiten de school. Men loopt omheen het gansche gebouw en langs alle kanten wordt het anders, soms bijzonder schoon. […] Licht, lucht en de sober sierlijke omgeving scheppen de kalme atmosfeer waarin hard gewerkt kan worden. […] Geen dure scholen, maar architectonisch schone scholen […] waaruit de vormende kracht als het ware straalt.’
Dat Bouma een bijzonder getalenteerd ontwerper is, leidt geen twijfel. Al moet gezegd dat de context waarbinnen hij de kans krijgt zijn talent te ontwikkelen minstens zo belangrijk is.
Deels profiteert de architect van het engagement dat binnen de gemeentelijke dienst al ruimschoots aanwezig is. Mulock Houwer speelt daarin een belangrijke rol. In zijn nadagen geeft hij de piepjonge Bouma een kickstart. Zo ontwerpt deze als bouwkundig tekenaar mee aan de Albertine Agnesschool in de Oranjebuurt, een van de laatste ontwerpen van Mulock Houwer. De school wordt opgeleverd in 1922: twee jaar na de aanstelling van Bouma en een jaar voor het pensioen van de Mulock Houwer als directeur van Gemeentewerken.
De Derde Voortzettings- en Openbare Lagere School aan het Albertine Agnesplein in de Oranjebuurt, kort na de oplevering. Het ontwerp is van directeur gemeentenwerken J.A. Mulock Houwer, maar Siebe Jan Bouma tekent mee // Foto: P.B. Kramer, Groninger Archieven
Uiterst simpele oplossingen
Waar Bouma in de jaren twintig het stokje overneemt van Mulock Houwer, staat na de oorlog de volgende talentvolle scholenbouwer alweer klaar: Jaap Wilhelm. Van een ‘warme overdracht’ is deze keer geen sprake, aangezien Bouma in 1942 uit Groningen vertrekt om directeur te worden van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. De uit Rotterdam afkomstige Wilhelm treedt in 1948 in dienst als architect bij de Dienst Gemeentewerken in Groningen, alwaar hij in 1955 opklimt tot hoofdarchitect van de nieuwe Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting.
Net als zijn voorgangers Mulock Houwer en Bouma ontwerpt Wilhelm niet alleen scholen – al behoren deze wel tot de hoogtepunten van zijn oeuvre. Dat is vooral omdat hij de basis legt voor een nieuw type schoolgebouw. Het krijgt binnen en buiten Nederland veel navolging en raakt bekend als ‘het Groningse scholentype’.
De eerste school van Wilhelm verschijnt in 1954 aan de Van Oldenbarneveltlaan, als onderdeel van de naoorlogse uitbreiding van De Hoogte: de Dr. Boumanschool. Het is het resultaat van een studie uitgevoerd door een gemeentelijke commissie bestaande uit artsen, ingenieurs, architecten en onderwijzers. Zij krijgen de opdracht om gezamenlijk tot een oplossing te komen voor ‘de vele bezwaren die aan de traditionele schooltypen kleefden’.
Architect Jaap Wilhelm legt de basis voor een nieuw type schoolgebouw dat veel navolging krijgt: ‘het Groningse scholentype’
In een artikel in het landelijke tijdschrift Bouw, gewijd aan de scholenbouw, somt Wilhelm ze op. Zo liggen er opgaven op het vlak van de ventilatie, die met ramen in een wand niet afdoende is. Ook is er behoefte aan meer daglicht – zonder dat dit tot hinder leidt, er gordijnen nodig zijn of de ventilatie verstoord wordt. Verder heeft Wilhelm het niet meer zo op lange gangen, omdat die tot moeilijke passages en tijdverlies zouden leiden. Bovendien wordt de gang ook als werkruimte gebruikt – wat tegenwoordig juist weer als een pre wordt gezien.
Tot slot is er behoefte aan grotere lokalen. Niet om er meer leerlingen in te proppen, maar omdat de ruimtes daardoor ook geschikt worden voor meer dan alleen klassikaal werk. Dit hangt samen met het afscheid van de grote schoolbanken en de komst van losse tafels en stoeltjes, waarmee het onderwijs veel flexibeler wordt en je vrije opstellingen kunt maken.
Wilhelm en zijn commissiegenoten komen naar eigen zeggen tot een ‘uiterst simpele oplossing’: een gangloze school met ruime lokalen, elk voorzien van een ‘gezellig werkhoekje’ en een ‘tussenlid’ tussen de lokalen waar ruimte is voor de gaderobe, de toiletten en de entree. Daglicht komt in de hoge lokalen van boven. Ook is nagedacht over een zorgvuldige positionering met grote ramen op het oosten en westen en een dichte werkwand op het noorden. Lichthinder wordt voorkomen, waarbij de winterzon diep in het lokaal valt en de warme zomerzon juist wordt geweerd.
De opzet maakt bovendien een perfecte dwarsventilatie mogelijk. ‘Verse lucht wordt door met tochtwangen beschermde naar binnen vallende benedenramen binnengelaten aan de loefzijde. De lucht krijgt vaart, stuwt omhoog, daalt langzaam, terwijl de verontreinigde lucht aan de lijzijde door bovenramen het lokaal verlaat.’ En dat alles zonder dure installaties, maar gewoon op basis van doodnormale natuurkundige principes.
De Dr. Boumanschool in 1955, ontworpen door gemeentearchitect Jaap Wilhelm: het eerste gebouwde voorbeeld van het Groningse scholentype aan de Van Oldenbarneveltlaan in De Hoogte // Foto: Gemeentepolitie, Groninger Archieven
Voortbouwen en verbeteren
Hoewel de architectuur en de oplossingen anders zijn dan bij de scholen van Wilhelms voorgangers, gaat het te ver om dit als een trendbreuk te zien. Veeleer gaat het om optimalisaties en het verwerken van nieuwe inzichten en ervaringen in het schoolontwerp. Immers: ook voor de oorlog werd, getuige het handboek Scholenbouw, al vol ingezet op thema’s als schone lucht, gezondheid, daglicht en de creatie van een aangename leeromgeving.
Daarbij heeft Wilhelm minstens zoveel aandacht voor de positie in de wijk en de creatie van een fijne grote speelplaats met ruimte voor schooltuinen. ‘Gazons, bloemen en bomen sieren het terrein, terwijl enkele bomen, geplaatst aan de westzijde van de lokalen, een functie hebben als zonwering in de zomer’, schrijft de architect.
Overigens is Wilhelm kraakhelder over het feit dat het Groningse scholentype zeker geen blauwdruk is. ‘Het spreekt vanzelf dat [er] verscheidene schoolplattegronden te componeren zijn. […] Ik hoop dat de beschreven Boumanschool niet een ‘standaardschool’ wordt, doch dat het overnemen van ideeën mag leiden tot typeverbetering en typevernieuwing. Het gaat met een vernieuwd scholentype als met onderwijsvernieuwing: niemand weet nog de ware betekenis. Groningen houdt het bij ‘proefscholen’. Bij elke nieuw gebouwde school zien we verlangend uit naar de volgende proef.’
Schoolgebouwen zonder school
Waar de scholen van Mulock Houwer, en zeker die van Bouma, integraal onderdeel zijn van de vooroorlogse stadsuitbreiding verrijken de scholen van Wilhelm vroeg-naoorlogse woonbuurten als De Hoogte, de Grunobuurt-Zuid en Kostverloren. Niet alleen architectonisch maar ook stedenbouwkundig.
Toch is er wat vreemds aan de hand. Want veel van de scholen die door ‘de grote drie’ werden ontworpen zijn niet meer als zodanig in gebruik. Nota bene de Oosterparkwijk spant hier de kroon. Daar is inmiddels geen enkele door Siebe Jan Bouma ontworpen school nog een school. De panden zijn getransformeerd tot woongebouwen, wachten op een nieuwe bestemming of hebben nieuwe maatschappelijke functies gekregen.
Het is in de eerste plaats het gevolg van concentratie, schaalvergroting en het idee dat grotere complexen voordeliger zijn in de exploitatie. Dat geldt overigens niet alleen voor de Oosterparkwijk: overal in Nederland is dit aan de orde. Aansluitend wordt vaak het ‘meervoudige verouderingsargument’ ingezet. Meervoudig omdat het, al dan niet terecht, wordt gebruikt voor achterstallig onderhoud, beperkte kansen voor verduurzaming en het idee dat een oud gebouw niet meer in staat zou zijn om mee te bewegen met veranderende onderwijsvisies.
Daaronder zit nog een laag. Zo is de omgang met het schoolgebouw sterk veranderd, en zeker in de afgelopen decennia een stuk sectoraler geworden. De school is niet langer integraal onderdeel van een bredere visie op stadsontwikkeling, maar een op zichzelf staand ‘ding’. Laat staan dat er sprake is van een onderliggende ideologie die, zoals in de voor- en naoorlogse stad, zorgde voor samenhang tussen de volkshuisvesting, het groen, de openbare ruimte en de maatschappelijke voorzieningen – waaronder dus ook de scholen.
Veel oude schoolgebouwen zijn prima te verduurzamen en flexibel genoeg om nog jaren mee te kunnen bewegen met veranderende onderwijsvisies
In een van de gesprekken die rond de manifestatie Schoolvoorbeeld werd georganiseerd, vatte architect en Schoolvoorbeeld-curator Bart van Kampen het treffend samen: ‘Vroeger bouwden we onze scholen op de beste plekken, tegenwoordig op de goedkoopste.’ In hetzelfde gesprek prikte Wilma Kempinga van Stichting Mevrouw Meijer het ‘meervoudige verouderingsargument’ door. Het overgrote deel van die oude schoolgebouwen is namelijk prima te verduurzamen en flexibel genoeg om nog jaren mee te kunnen bewegen met veranderende onderwijsvisies.
Sterker, in het licht van het halen van de Parijse klimaatdoelen is het zelfs pure noodzaak om veel meer uit te gaan van de bestaande waarden en de gebouwen die er al staan. Dat dit ook daadwerkelijk kan, blijkt uit diverse gerealiseerde en vooral ook geslaagde voorbeelden van renovaties en doorontwikkelingen van bestaande schoolpanden. De beste schoolgebouwen staan er al, zo luidt de boodschap van Kempinga en Stichting Mevrouw Meijer.
In het verlengde daarvan kwam in de gesprekken nog een andere kwestie naar voren, namelijk de wijze waarop in veel nieuwbouw gepoogd wordt om nieuwe, vaak sterk veranderlijke onderwijsvisies in spreekwoordelijk beton te gieten. Dat raakt ook aan het opdrachtgeverschap en de rol die schooldirecties spelen wanneer er over nieuwbouw gesproken wordt. Die rol is essentieel, maar kan ook doorslaan, weet Van Kampen uit zijn eigen praktijk als scholenbouwarchitect.
Zo kan een hermetische opstelling rond zo’n onderwijsvisie ervoor zorgen dat een gebouw alweer als verouderd wordt beschouwd wanneer er een nieuwe directie aantreedt. Plat gesteld kan het binnen een paar jaar tijd van grote lokalen naar kleine lokalen tot geen lokalen gaan – en weer terug. Al dan niet met of zonder iPad.
Meer dan een school
Maar hoe zorgen we er dan voor dat we de komende jaren weer echte scholen gaan bouwen of verbouwen, in plaats van het maken van zo rendabel mogelijke vierkante meters onderwijsvastgoed? En hoe kunnen we ervoor zorgen dat die dan ook echt kunnen uitgroeien tot een nieuwe generatie Groninger scholen? Scholen die, voortbouwend op bestaande waarden, nieuwe kwaliteiten toevoegen en, in de woorden van Jaap Wilhelm, leiden tot typeverbetering en typevernieuwing?
Net als in de voor- en vroeg-naoorlogse jaren begint dat met de vraag wat we willen dat zo’n school is. Het antwoord: méér dan een plek waar onderwijs gegeven wordt. Welke bredere maatschappelijke doelen willen we dat die scholen dienen?
In dat licht bracht Jochen Mierau, hoogleraar economie van de volksgezondheid, in de Schoolvoorbeeld-gesprekken de nodige ingrediënten op tafel. De school kan een rol spelen in het vervullen van de ambities op het vlak van brede welvaart, inclusie en het stimuleren van een gezonde levensstijl. Dat begint al bij het aanbieden van gezonde maaltijden, waarin Nederland geen traditie heeft, in tegenstelling tot veel andere Europese landen. En waar zijn die schooltuinen eigenlijk gebleven, waaraan Rotshuizen en co. voor de oorlog zo ongeveer een heel hoofdstuk besteedden in hun boek Scholenbouw?
Ook gaat het over de wijze waarop de school en de schoolomgeving ruimte bieden aan spelen en bewegen, zowel voor als na schooltijd. Welke positie gunnen we de school in de buurt? Kiezen we net als voorheen voor de beste plekken en voor nabijheid? Hoe verknopen we de scholen met de omgeving, de openbare ruimte en het groen? Zorgen we op de plek zelf alvast voor ruimte voor mogelijke uitbreidingen? Maken we er weer schoolpaleizen van, alleen dan in een 21ste eeuwse vorm en met een eigentijdse inhoud? En als we al grote scholen maken, doen we dat dan alleen vanuit kostenoverwegingen of zijn er ook andere redenen om het wel of juist niet te doen?
Zouden we niet toe moeten naar een maximum aantal leerlingen per locatie? En zijn in dit licht de minimale stichtingsnormen die bijvoorbeeld in Groningen gehanteerd worden niet al aan de forse kant? Hoe bewaken we de herkenbaarheid, de eigenheid en de schaal van het kind? Hoe belangrijk vinden we het dat scholen weer het middelpunt van de wijk worden? Kan dat door er functies aan toe te voegen waardoor de school ook buiten schooltijd gebruikt kan worden? En als we dat doen, welke functies laten zich dan wel, en welke niet combineren?
De kans is groot dat juist de antwoorden op die vragen een nieuwe generatie Groninger scholen tot specifiek Groninger scholen maakt, en daarmee tot waardige opvolgers van de scholen van Mulock Houwer, Bouma en Wilhelm. Scholen waarvan de architectuur een vertaling is van een hoger doel, passend binnen een bredere en vooral ook samenhangende opvatting over de stadsontwikkeling. Geen vierkante meters onderwijsvastgoed, maar betekenisvolle gebouwen die functioneel zijn en ruimte bieden voor nieuwe inzichten. Schoolgebouwen, vooral ook, die een ziel hebben.
Dit stuk schreef Peter Michiel Schaap voor de publicatie Schoolvoorbeeld, onderdeel van de gelijknamige manifestatie van de gemeente Groningen. Het boek kwam tot stand in samenwerking met architectenbureaus KAW en De Zwarte Hond.