3 juli 2019 Door Leestijd: 6 minuten

Wies woont vlak bij mij om de hoek. Zij krijgt vaak onze post en omgekeerd, en we zijn elkaars postbode. Soms doet ze er een mooie ansichtkaart bij met een groet. Ik sprak haar onlangs op straat, zoals altijd, voor haar huis. ‘Nu heb ik ook wat,’ begon ze, ‘ik ga nota bene verhuizen.’

Foto: Peter de Kan

Ze klinkt verbaasd over haar eigen mededeling. ‘Ik ga in de Vondelflat wonen’, vervolgt ze. Ik krijg daar een gerenoveerd appartementje. Ja, weet je, de kraan deed het niet meer – ik woon in een heel oud huisje hè – en toen bleek dat de man die de reparatie deed zelf ook in de Vondelflat woont. Natuurlijk omdat hij bij Het Vastgoed werkt, van hen is die flat. Ze hebben mij al vaak gevraagd of ik niet liever daar zou willen wonen.’

‘Waarom ga je niet eens mee om te kijken, zei hij. Nou ja, en toen heeft hij me opgehaald en – het is wel erg klein hoor. Maar in dit huis moet ik douchen in het bad en dáár is het helemaal nieuw en modern, en die steile trappen heb ik daar ook niet. De keuken – dat keukentje leek wel een machine met die apparaten en ik heb straks een breed balkon, dat is ook wel fijn in de zomer.’

‘Maar ze moeten niet denken dat ik een zielige oude vrouw ben, ik heb mijn eigen leven. Nu zie ik wel hoe ouderwets mijn huisje is, daar is alles modern hè? Wil je mijn huis eens zien?’

Nou, waarom niet, en even later sta ik in een heel klein en heel schoon halletje boven aan de eerste trap. Met precies hetzelfde handschoenenkastje als ik van mijn oma heb. ‘Kijk,’ zegt Wies, ‘dat kan niet mee, daar heb ik een nóg kleiner halletje.’

We staan al in de kamer. Een gezellig kamertje. De vloer is vervaarlijk scheef en zacht, het is alsof er schuimrubber onder het tapijt ligt. We praten over die vloer en de steile trappen en over hoe ze dat helemaal niet meer voelt. Het huis gaat in je lijf zitten, daar struikel je toch niet over, of…?

De keuken, wat is het, jaren zeventig? Maar zoals alles spic en span. ‘Ik vind het eigenlijk helemaal niet lelijk’, lacht Wies en ik ben het met haar eens. Het hoort bij het afscheid dat je het wel lelijk gaat vinden, dat maakt de stap gemakkelijker. Wies vindt het niet gemakkelijk. Nog een trap hoger laat ze me haar slaapkamertje en badkamertje zien, beter dan een makelaar zou kunnen. De zoldertrap is echt heel steil, de zolder houden we voor gezien.

‘Weet je,’ zegt Wies, ‘ik betaal hier 300 euro, ook omdat ik hier al zo lang woon hè. Dat wordt daar in de Vondelflat veel meer, maar ik kan gelukkig huursubsidie krijgen.’ Gelukkig maar. En dit? ‘Dit wordt verbouwd’, zegt Wies. ‘Dit worden studentenkamers, die worden duur verhuurd.’ Ook met huursubsidie, denk ik erachteraan, ik zie over een tijdje wel aan het aantal brievenbussen hoeveel.

‘Dinsdag ga ik naar Vastgoed,’ zegt Wies, ‘dan kan ik tekenen. En ik hoef niks te doen, niks schoon te maken, de flat is er al helemaal klaar voor.’

Wies gaat verhuizen en de stad zoals ze die kende verhuist mee. Nou, nee, die stad wordt dakloos. De eigen stad uitgejaagd. Marktwerking. Als we nou eens al die zogenaamde investeerders die alleen maar in hun eigen portemonnee investeren en alleen maar aan de stad onttrekken wat van de stad, van jou en mij en ons, zou moeten zijn, met pek en veren…

Ook ik woon in de binnenstad, in een woning van woningcorporatie Patrimonium, al ruim vijfentwintig jaar. Ik betaal voor ons huis minder huur dan de studenten aan de overkant elk voor hun ‘studio’, een kamertje waar een keukenblokje in gezet is. Dat is omdat ik er al zo lang woon en mijn huur niet meedoet aan de marktwerking. Hij is niet marktconform, zo heet dat. Maar hij wordt wel elk jaar met de wettelijk toegestane norm verhoogd – het is een doodnormale huur.

Geef de woningbouwcorporaties weer de ruimte, zij bouwen met hart voor de stad

Die studenten tegenover wonen wel marktconform, daarom betalen ze zo veel, veel te veel. Ze wonen met vier in het huis van Tjapko, die jaren geleden is uitgekocht omdat zijn huis total loss bleek na de sloop en nieuwbouw eromheen. Sindsdien is het blijkbaar nog wel geschikt voor studenten.

Om met een positieve noot te eindigen: de stad Berlijn heeft dinsdag 18 juni de huurprijzen in de vrije sector voor vijf jaar bevroren, ook als een woning aan nieuwe huurders verhuurd wordt. Investoren, verfatzt euch! Dat is nog eens wat anders dan bestuurders die handenwringend staan toe te kijken hoe hun stad door de markt onleefbaar gemaakt wordt!

Het is alleen voor bovenstaand verschijnsel geen oplossing. De studentenstudio’s (zoals ze eufemistisch worden genoemd) blijven natuurlijk net beneden de vrije sector-huurgrens. Alleen dan kan de verhuurder de huursubsidie in de zak steken. Publiek geld verdwijnt zo in private zakken, en daar was die huursubsidie helemaal niet voor uitgevonden toch? Die was toch voor mensen met een smalle beurs in een huis met een doodnormale huur, niet voor verhuurders die veel te veel huur vragen? Nou dan! Aanpakken! En geef de woningbouwcorporaties weer de ruimte, zij bouwen met hart voor de stad. Nee, wacht, met liefde, bedoel ik.

Update: het laatste, over die woningbouwcorporaties, bleef nazeuren. Ik moest denken aan het Pepergasthuis, door Lefier verkocht aan een particuliere belegger en niet aan het Groninger Monumentenfonds. Lefier ging voor het geld en niet voor de stad, al zullen ze zeggen dat ze dat geld weer in de stad zullen investeren, en daar twijfel ik niet aan. Waar het knelt is dat dit in het groot is wat mijn buurvrouw Wies overkomt. Deze woningen in de sociale huursector zullen een voor een worden veranderd in short stay units, waar je straks voor, laten we zeggen, 100 euro per nacht kunt verblijven. Te gek! Hartje stad, je kunt van de kroeg naar je slaapkamer krúípen!

Maar voor de stadjers die hier nu nog wonen wordt de stad onbewoonbaar verklaard. En het drijft de huren verder omhoog, ook die van andere panden.

Toch ook hier een lichtpuntje. De gemeente heeft bezwaar aangetekend tegen de verkoop van het Pepergasthuis. Wethouder Roeland van der Schaaf zegt alles op alles te zetten om de woningen in de sociale sector te houden. Beter laat dan nooit, denk ik, en ik teken de petitie. Kunt u/kun jij ook doen. Hier!