We moeten over én met de natuur in gesprek
Van papieren tijgers naar echte aandacht
Stadsontwikkeling en natuur zijn niet meer los van elkaar te zien. Maar wordt de natuur met het bestaande beleid wel echt vooruit geholpen? En praten we genoeg over de ruimte die we als mens innemen, los van goede keukentafelgesprekken? Stadssocioloog Karin Peeters ging erover in gesprek met twee ecologen én met beleidsmedewerkers van Stadsbeheer en Stadsontwikkeling van de gemeente Groningen.
Op het vlak van milieu- en natuurbewustzijn gebeurt er veel in Groningen. De manifestatie Bouw Anders, het Groenplan Vitamine G, de nieuwe Gemeentelijke Ecologische Structuur (GES, de opvolger van de Stedelijke Ecologische Structuur uit de jaren 90), de herijking van de gemeentelijke Leidraad Openbare Ruimte en de verordening Natuurinclusief Bouwen laten een duidelijke koerswijziging zien.
De gemeente Groningen kijkt omwille van klimaatverandering, de uitputting van bronnen, de afname van ecosystemen en het toegenomen bewustzijn hiervan bij inwoners op een andere manier naar klimaatadaptatie en biodiversiteit in de stad. Ze stuurt als gevolg daarvan ook anders dan voorheen, met beleid dat gericht is op meer natuur en meer biodiversiteit in de stad.
Daar kan toch niemand op tegen zijn, zou je zeggen.
Toch levert meer aandacht en ruimte voor ‘natuur’ in de stad behoorlijk wat dilemma’s op. De ruimte is immers schaars, en prioriteit geven aan natuurontwikkeling kan tegenstrijdig zijn met gemeentelijke ambities rondom inclusiviteit, betrokkenheid, woonrecht, veiligheid en het terugdringen van de CO2-uitstoot. Dat levert de nodige vragen op.
Want gaan dan vanaf nu bomen vóór zonnepanelen? Gaat een nieuwe natuurinclusieve woonwijk (die bijdraagt aan woonruimte voor mens en dier) vóór op voedselproductie en een open landschap? Gaat extensief beheerd gras (dat bijdraagt aan de biodiversiteit) vóór de behoefte aan netheid en overzicht? En, zo mogelijk nog helderder: gaat duisternis (dat het welzijn van dieren verbetert) vóór het gevoel van menselijke veiligheid?
Gejuridificeerde natuur
Tot mijn verbazing wordt over deze vragen weinig gedebatteerd. Overheden proberen tot integrale aanpakken te komen, maar de omgeving wordt maar heel beperkt meegenomen in de achterliggende redenen en aannames. Een filosofisch gesprek, bijvoorbeeld over hoeveel ruimte we als mens willen en mogen innemen, en over onze ecologische voetafdruk, lijkt zich te beperken tot niches en keukentafels.
In ruimtelijke ordeningsprocessen is het ‘natuurvraagstuk’ teruggebracht tot wetgeving en regels. Hierin staat soms extreem nauwkeurig omschreven hoe overheden, het bedrijfsleven, natuurorganisaties en burgers om moeten gaan met ‘de natuur’: de zogenaamde zorgplicht. Als je daar dieper in duikt, kom je in een woud van juridische regels en protocollen terecht.
Zowel in de omschrijving van natuurwaarden als in de regels die bij stadsontwikkeling nodig zijn, voert bescherming de boventoon. Daarmee lijkt het alsof de natuur vooruit wordt geholpen. Maar is dat zo? En hebben we met deze regels voldoende handvatten om de ecologische crisis daadwerkelijk aan te pakken?
Foto: Peter de Kan
Veranderend groenbeleid
Gemeentelijk ecoloog Klaas van Nierop is al decennialang aan de stad Groningen verbonden. Op dit moment ziet hij er grote verschuivingen. Waar hij vroeger moest knokken om het belang van biodiversiteit op de agenda te krijgen, is dat door het toegenomen maatschappelijk bewustzijn sterk verbeterd.
Van Nierop heeft intussen elf collega’s, ze worden vaker en vroeger in planvorming betrokken dan voorheen. Daarin heeft Groningen een grote slag geslagen, constateert hij.
Met zijn van oudsher ‘rode’ karakter had de stad Groningen lang een sterke focus op landbouw. Sicco Mansholt was daarvan het toonbeeld, de efficiëntie van het vanaf de jaren 50 onder zijn leiding uitgedachte landbouwsysteem leidde tot grootschalige ruilverkaveling en daarmee tot de teloorgang van de biodiversiteit van het landelijk gebied. Een cultuur waarbij het landschap ten dienste staat van de mens was destijds de norm.
Een veranderend perspectief op natuur resulteerde geleidelijk in een paradigmaverschuiving. Ook in de stad veranderde het beeld: van ‘natuur om te beheersen en te cultiveren’ tot het waarde toekennen aan de natuur zelf. Het ontwerp van groene gebieden in de wijk Lewenborg door tuinarchitect Louis Le Roy, in de jaren 70, past in die tijdgeest. In de stad kregen natuurlijke processen meer de ruimte.
Dat dit voorbeeld later opvolging kreeg in de rest van de stad, is volgens Van Nierop te danken aan zijn voorganger, ecoloog Wout Veldstra, en SP-wethouder Jannie Visscher, die ervoor zorgde dat natuur hoger op de agenda kwam. Na Visscher (actief tussen 2006 en 2014) pakten andere wethouders de handschoen op. Het leverde nieuwe natuurinclusieve beleidsinstrumenten op, en meer aandacht voor ecologie.
Voor Van Nierop is het niet meer dan logisch. Natuur is voor hem onderdeel van het economisch model: ‘Het hoort bij dezelfde boekhouding.’ Om te kunnen bijdragen aan de economie moeten mensen gezond kunnen leven, gezonde lucht kunnen inademen, schoon water kunnen drinken en voldoende verkoeling en rustplekken in hun omgeving vinden.
Als dit alles in een stad op orde is, nemen de gezondheidskosten af, is zijn overtuiging, en groeien kinderen gezonder op. Dat Groningen zich sinds een paar jaar de gezondste stad van Nederland mag noemen, ziet hij als de kroon op het gezamenlijke werk.
Maar zijn inwoners daarmee sterker verbonden met de natuur? En beseffen ze dat ze er onderdeel van uitmaken?
Ecologie is een ketting
Jan Doevendans, onafhankelijk bioloog en ecoloog, en inmiddels met pensioen, benadrukt dat natuur in de stad van essentieel belang is. ‘Juist in de stad! Als Stadjers naar buiten gaan, hebben ze vaak pas in de Ommelanden het gevoel dat de natuur begint. Maar dat is niet zo. De stad heeft zijn eigen waardevolle biotoop. Die moeten wij als mens ruimte bieden.’
Om vanuit het vakgebied ecologie die ruimte te claimen, onderschrijven beide ecologen het belang van het goed blijven uitleggen van de manier waarop ecosystemen werken en samenhangen. Daar is en blijft kennis voor nodig. Zowel Van Nierop als Doevendans houden daarom data bij: hoeveel nesten, hoeveel soorten, et cetera.
‘De stad heeft zijn eigen waardevolle biotoop. Die moeten wij als mens ruimte bieden’
Beiden pleiten bovendien voor continue educatie, vooral met het oog op onwetendheid. Bij burgers, maar ook bij beleidsmakers. Zo zorgen al die verharde tuinen ervoor dat vogels niet voldoende nestmateriaal hebben. Monotone grasvelden en bermen trekken andere soorten muizen aan, en daarmee andere vogels. Isolatie in spouwen is destructief voor de nestgelegenheid van vleermuizen. En het Eemskanaal is niet enkel een vaarroute, maar ook een belangrijk oriëntatiemiddel voor trekvogels.
Foto: Peter de Kan
Doevendans benadrukt dat ecologie als een ketting werkt. De huidige natuurbeschermingswet met al zijn tegenstrijdige protocollen draagt volgens hem niet bij aan het herstel van die ketting. Het is hoogstens pleisters plakken, en dat maakt het soms zelfs erger. ‘Als ergens bijvoorbeeld een wadi is aangelegd, maar daar tien bomen voor hebben moeten wijken.
De wettelijk minimale verplichte ingrepen maken dan dat op papier de ecologische doelen zijn behaald, maar wat er is weggenomen en hoelang het duurt om dat weer te herstellen, is niet meegewogen. De wet is daarmee met aantallen en deelstukjes de maat genomen.
Onderhandelbare natuur
Het wetenschappelijke nut en het collectieve belang van biodiverse natuur zijn bewezen, en er zijn intussen vele beleidsintenties ontwikkeld om de natuur te versterken en ontwikkelen. Toch valt het Doevendans en Van Nierop op dat dit in projecten nauwelijks tot een nieuwe aanpak of meer budget leidt. Hierdoor is voor ecologie vaak alsnog maar beperkt ruimte.
Klaas van Nierop wijdt het vooral aan het democratisch stelsel en de wijze van projectmanagement bij de gemeentelijke overheid. ‘Alles is altijd even belangrijk en integraliteit is het streven. Dat klinkt mooi, maar hierdoor wordt de discussie over nut en noodzaak niet altijd zuiver gevoerd. De onafhankelijkheid van ecologen staat onder druk als ze moeten bijdragen aan het halen van een projectdoel.’
Hij pleit ervoor om vooral goede en onafhankelijke ecologische informatie te verschaffen en het duale stelsel beter te benutten. Ook ziet hij dat vrijwilligheid, waar het gaat om collectieve belangen, niet werkt. Daarom is hij blij met het verplicht stellen van natuurinclusief bouwen en de doorontwikkeling van een kwalitatieve groennorm voor stadsontwikkeling.
Ecologie als procesvinkje
Ik vraag me af of het verplichten van natuurinclusief bouwen en een groennorm niet een woud van nieuwe regels oplevert. Le Roy deed het toch ook zonder wetgeving, enkel met ambitie?
Guido Hummel werkt bij de directie Stadsontwikkeling van de gemeente Groningen, op de afdeling Leefkwaliteit & Klimaatadaptatie. Hij is vanuit het cluster Biodiversiteit betrokken bij het opstellen en uitvoeren van de GES. Hummel herkent de dilemma’s die met integraal werken gepaard gaan, maar hij vindt niet dat ‘ecologie of biodiversiteit alleen een procesvinkje is’.
Bij stadsontwikkeling ziet hij juist de meerwaarde van ecologie, in het in kaart brengen en waarborgen van de robuuste structuren van de stad. ‘Aanhaken bij de bestaande verbindingen van de GES biedt veel aanknopingspunten om ontwerpen ecologisch sterker te maken. Het geeft houvast en continuïteit die de vierjaarlijkse verkiezingen overleeft. Tijd die nodig is om een natuurontwikkeling een kans te geven.’
Hummels collega Wieteke de Boer, werkzaam bij Stadsbeheer, is blij om met normen en richtlijnen te kunnen werken. Het doelsoortenbeleid bijvoorbeeld, waarbij per gebied in kaart gebracht wordt welke diersoorten daar thuishoren, met het oog op nieuwe ontwikkelingen. ‘Hulpmiddelen als deze geven ons richting bij ontwikkelingen rondom herstructurering, wijkvernieuwing of regulier onderhoud.’
Waar Stadsbeheer vroeger elke vijf jaar de staat van de natuur en ecologie in kaart bracht, is er nu slechts budget om eens in de negen jaar polshoogte te nemen
Maar zulke processen vergen een lange adem. De rol van Stadsbeheer is daarin belangrijk: bij elke stoep- of rioolvervanging wordt gekeken welke elementen voor de natuur beter kunnen. De Boer en haar collega’s kijken door een ecologische bril naar een plek, vertelt ze. ‘Welke van de vijf v’s [voedsel, vocht, veiligheid, variatie en plekken voor voortplanting] zijn er al? En welke kunnen worden toegevoegd om de omgeving voor dieren aantrekkelijker te maken?’
Het succes van ecologische ontwikkeling in de stad hangt of staat met de uitvoering. Of alle maaiers en groenbeheerders die het beleid in de praktijk brengen het belang van ecologie inzien, is de vraag. De Boer: ‘Zij willen de stad vooral graag netjes achterlaten.’ Om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen is het overdragen van kennis nodig, en dat kost energie, tijd en geld.
Met name die laatste twee factoren vormen een groot probleem. Waar Stadsbeheer vroeger elke vijf jaar per gebied de staat van de natuur en ecologie in kaart bracht (en hier het beleid op aanpaste), is er nu slechts budget om eens in de negen jaar polshoogte te nemen. Dit is te lang om op tijd te kunnen ingrijpen wanneer de ecologische kwaliteit in een gebied afneemt. ‘Hierdoor lopen we achter de feiten aan’, zegt De Boer.
Erkenning voor groenbeheerders
Ecoloog Jan Doevendans pleit ervoor om zoveel mogelijk niets te doen, als het om groen in de stad gaat. Net als Le Roy laat hij de natuur het liefst haar gang gaan.
Zijn collega Klaas van Nierop is het daar niet mee eens: ‘In een stad is niets doen aan groenbeheer geen optie. Net, heel en veilig blijft van belang, daar wordt het stadsbestuur op aangesproken. Het klinkt tegenstrijdig, maar zeker in de stad, waar de mens toch doelsoort nummer één is, zal om een hogere biodiversiteit te bereiken soms toch beheerd moeten worden.’
‘Waarom kijken we eigenlijk met een andere blik naar de stad dan naar het landelijk gebied?’, vraagt Van Nierop zich af. Waar geroepen wordt dat boeren meer geld moeten krijgen voor hun diensten, zou dat ook voor onze vuilnismannen en groenbeheerders moeten gelden.
‘Zij zorgen ervoor dat ik kan genieten van mijn woonomgeving. Waarom is daar niet meer respect voor? En waarom betalen we daar niet voor, terwijl we wel geld uitgeven om te genieten van een vakantie elders? Ik betaal liever hier 100 euro per maand voor een goede omgeving dan 1200 euro voor een weekje Ibiza.’
Uitgaand van een situatie waarin iedereen vanuit zijn of haar eigen financiële mogelijkheden zou kunnen bijdragen, zou een dergelijke stadse groentax het collectieve besef van de ecologische waarde doen groeien? En ook meer (budgettaire) ruimte genereren om meer biodiversiteit in de stad te laten ontstaan? Kunnen we de verkoeling die bomen geven dan als waarde meetellen? Of de collectief bespaarde zorgkosten?
Foto: Peter de Kan
Geen stadsnatuur zonder visie
De Nederlandse natuur is afhankelijk van menselijke systemen. Die veranderen we niet zomaar. Maar we moeten ze wel blijven bevragen en ruimte bieden voor debat. Zo kunnen we beter leren begrijpen hoe een stad als Groningen zijn relatie met de natuur kan versterken.
Duidelijk is dat dat de waarde die mensen aan natuur en ecologie toekennen, sterk kan verschillen, ook binnen één vakdiscipline. En dat het gemeentelijke beleid qua natuurinclusiviteit een duwende beweging op gang brengt, maar ook dat juridische verplichtingen het gebrek aan visievorming niet kunnen en mogen opvangen.
Zowel die duwende als die trekkende kracht zijn nodig om het systeem waarvan de natuur van afhankelijk blijkt te zijn, te veranderen. Dat gaat langzaam en vergt een continu gesprek tussen ‘systeemdenkers’ en vertegenwoordigers van ‘de zachte kant’. Alleen met het uitwisselen van de urgentie, de ideeën en denkbeelden en het delen van kennis en ervaringen kan natuurontwikkeling in Groningen een gezamenlijke visie krijgen en een langetermijnverhaal worden.
Stadsnatuur als bron voor een goed leven, ook voor de mens die (nu nog) van strakke gazonnetjes houdt.