Groene toekomst

Van postzegelplannetjes naar integrale ontwikkeling

Gewoon dóén // Aflevering 3: de Landschapswerkplaats

Tekst:
Beeld:
Leestijd: .

In de serie Gewoon dóén zoekt filosoof Bente van Leeuwen naar praktische aanbevelingen om wat vaart in het realiseren van goede, integrale plannen te brengen. In aflevering 3: de Landschapswerkplaats. Dit parapluproject, voortgekomen uit het Nationaal Programma Groningen en Toukomst, bundelt verschillende projecten met aan elkaar gerelateerde doelen. Welke rol en betekenis heeft het? En werkt het versnellend of vertragend?

Het is 10 uur ’s ochtends als ik een onzekere wandeling rondom het stationsgebouw van Zuidbroek maak. Er brandt nergens licht en ik zie en hoor niemand. Wel zie ik twee banners van de Landschapswerkplaats – dan zal ik hier toch echt moeten zijn.

Even later sta ik midden in het Noord-Nederlands Trein- & Trammuseum. Ik loop zoekend van ruimte naar ruimte, maar al snel besluit ik het op te geven. Zo in mijn eentje in een verlaten museum voelt het alsof ik iets doe dat niet mag.

Als ik landschapsarchitect Georgine Somer bel, wordt me duidelijk dat ik niet de eerste ben die hier verdwaalt. ‘Je staat vast beneden? Wacht maar, ik kom je halen.’

Somer leidt me meerdere trappen op naar een vergaderzaal boven het museum, waar een stuk of tien mensen me nieuwsgierig aankijken. Ik val met mijn neus in de taart: het team zit in een feestelijke vergadering, waarin ze terugblikken op een geslaagde bijeenkomst van eerder deze maand. Daarover later meer. In het korte stukje vergadering dat ik meepak, worden meteen heel wat van mijn vragen beantwoord.

Projecten koppelen

Het is een beeldend en spannend woord, landschapswerkplaats. Van tevoren wist ik niet goed wat ik me er precies bij voor moest stellen. Een rommelig atelier vol klei en aarde? Of is het Groningse landschap de plek waar gewerkt wordt?

Beide zijn waar en niet waar. Ik zie vandaag geen klei en aarde, maar wel allerlei grote kaarten vol schetsen en gebruiksscheuren. En hoewel het kantoor in Zuidbroek staat, is het Groninger landschap de plek waar alle plannen tot uitvoering zullen komen.

De Landschapswerkplaats is opgetuigd vanuit Toukomst, dat weer voortkwam uit het Nationaal Programma Groningen. In 2020 konden Groningers ideeën insturen waarmee ze hun provincie leefbaarder maken – los van het herstellen van aardbevingsschade. En dat deden ze.

Liefst 900 plannen en initiatieven kwamen binnen, waar met hulp van een burgerpanel een selectie uit werd gemaakt. De uitvoering van de gekozen projecten gebeurt in samenwerking met ontwerpbureau West 8, voor het realiseren ervan is 100 miljoen euro beschikbaar.

Bijna de helft van de ingestuurde ideeën ging over natuur en landschap. Het Toukomst-panel adviseerde om een aantal van deze plannen aan elkaar te koppelen en ze gezamenlijk op te pakken. Dat advies werd gevolgd: onder de naam Landschapswerkplaats werden tien initiatieven gebundeld, die over zeven deelgebieden in de provincie Groningen tot uitvoering worden gebracht.

De diversiteit binnen de ingediende initiatieven is groot: van het maken van een netwerk van bestaande en nieuwe fiets- en wandelroutes, langs plekken die de verhalen en de geschiedenis van Groningen vertellen, tot het beter verbinden van natuur door bijvoorbeeld het vergroenen van bermen en het planten van voedselbossen.

De Landschapswerkplaats is er niet om projecten uit te voeren, maar om ervoor te zorgen dát ze tot uitvoering komen

Sommige initiatieven zijn op een specifiek gebied gericht. ’t Wad tot Stad, bijvoorbeeld, wil het gebied rondom het Reitdiep tot aan het Nationaal Park Lauwersmeer en Nationaal Landschap Middag-Humsterland tot een groene zone maken die ook aantrekkelijk is voor toeristen. Een andere groep initiatiefnemers richt zich op het vergroenen van voormalige gaswinningslocaties.

Het afgelopen half jaar ging het Landschapswerkplaatsteam met hun mobiele landschapswerkplaats (een aanhanger met schetstafels en materiaal) op pad, langs dorpshuizen in elk van de zeven deelgebieden. Met de indieners van de Toukomst-plannen zette het team in schetssessies uiteen welke lopende projecten er per gebied zijn, en hoe die elkaar raken.  

Op 17 oktober kwamen alle initiatiefnemers samen en werden de resultaten van de zeven sessies en de daaruit volgende conceptversies van de gebieds- en werkplaatsagenda gepresenteerd. Dit is de geslaagde bijeenkomst die vandaag taart op tafel bracht.

Er is veel energie onder de initiatiefnemers, merkten de teamleden die dag. En zelf zijn ze er ook klaar voor  om nu écht aan de slag te gaan.

Vanaf links: initiatiefnemer Anja van der Linden, projectleider Teun Veger en landschapsarchitect Georgine Somer // Foto: Janna Bathoorn

Aanjager

Als de vergadering klaar is, lopen landschapsarchitect Georgine Somer, projectleider Teun Veger en ik naar beneden. We komen terecht in een koude ruimte met uitzicht op het spoor.

Sinds maart 2023 is er een vast team met mensen die parttime of fulltime voor de Landschapswerkplaats werken. Allemaal zijn ze in dienst van Prolander of Landschapsbeheer Groningen, organisaties die werken aan natuuropgaven in Noord-Nederland. De teamleden waren eerder al betrokken bij de tien gebundelde Toukomst-initiatieven, en konden daardoor snel aan de slag.

In eerste instantie zal de Landschapswerkplaats tot en met 2027 bestaan. Het is niet zo dat alle initiatieven tegen die tijd gerealiseerd zijn – een deel zal meer dan 10 jaar nodig hebben om van de grond te komen. Daarbij gaat het vooral om grotere gebiedsontwikkelingen. Andere initiatieven kunnen binnen 2 jaar gereed zijn, of tussen 2 en 5 jaar nodig hebben.

De Landschapswerkplaats is er dan ook niet om projecten uit te voeren, maar om ervoor te zorgen dat ze tot uitvoering komen. Het team maakt onder meer schetsen en analyses, en bestaat voor een groot deel uit landschapsarchitecten, projectleiders en mensen die met geografische informatiesystemen werken. Uiteindelijk moeten initiatiefnemers zelf of met behulp van andere bestaande organisaties hun plannen realiseren.

De hoop is dat in 2027 de projecten zo stevig staan dat de Landschapswerkplaats niet meer – of niet langer in dezelfde hoedanigheid – nodig is.

Verbindingen verhogen de kwaliteit

Het klinkt mooi, en de Landschapswerkplaats lijkt goed in elkaar te zitten. Maar toch knaagt er iets. Natuurlijk is bij grotere ideeën, bijvoorbeeld die een volledige gebiedsontwikkeling beslaan, tijd nodig om een plan goed uit te voeren. En er zitten initiatieven bij die vooral een idee zijn, nog geen plan, ook daarmee kun je niet zomaar aan de slag. Maar heeft de Landschapswerkplaats nut voor de kleinere, heldere projecten?

Veel ingestuurde burgerinitiatieven zijn relatief simpel, bijvoorbeeld het aanleggen van een wandelpad of een kleine groenstrook. Zulke ideeën kwamen al in 2020 binnen. Is het voor die projecten echt nodig dat er zo veel tijd overheen gaat, en om een hele organisatie op te tuigen, in plaats van het gewoon te gaan doen?

Veger legt uit waarom hij denkt van wel. ‘Je wilt vanuit een bepaalde visie werken, een plus realiseren en niet overal hapsnap aan het werk gaan. We zien bovendien dat er tussen al die verschillende initiatieven echt verbindingen zijn. Het maken van een dorpsbosje, een tiny forest, heeft bijvoorbeeld een link met wandelen.’

De meer eenvoudig uit te voeren plannen staan wel hoog op de prioriteitenlijst, voegt hij toe. ‘Je wilt op korte termijn ook dingen voor elkaar krijgen. Volgend jaar gaan we met wandelpaden aan de slag, maar wel met het uitgangspunt om verschillende initiatieven met elkaar te verbinden.’

‘Je kunt meer kwaliteit realiseren als je dingen tegelijkertijd oppakt. Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder’

‘Met die wandelpaden kun je bijvoorbeeld ook meteen naar de bermen kijken,’ vult Somer aan, ‘en naar de sloten en watergangen waar ze langs lopen.’ 

Die verbinding is niet alleen goed, maar volgens Veger zelfs noodzakelijk. ‘Je kunt meer kwaliteit realiseren als je dingen tegelijkertijd oppakt. Er zijn soms koppelkansen waarvan initiatiefnemers niet weten dat ze er zijn, maar die wij wel zien omdat we alle initiatieven bij elkaar hebben. Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder.’

Sommige initiatiefnemers raakten gefrustreerd doordat tussen het insturen van hun idee tot nu veel tijd verstreek. Tijdens de bijeenkomst op 17 oktober was een aantal van de aanwezigen het eens met de stelling ‘Geef me maar geld, dan doe ik het zelf wel’.

Veger: ‘Daar kunnen we in de uitwerking rekening mee houden. Sommigen hebben een hands-on-instelling en de tijd en capaciteit om het voor elkaar te krijgen. Anderen trekken juist hun handen van hun idee af en vinden dat de Landschapswerkplaats het nu moet oplossen. Daar zit een groot verschil tussen.’

De initiatiefnemers begrijpen inmiddels waarom de genomen tijd nodig was, zegt Somer: ‘Ze zien de dynamiek van de andere initiatieven, en wat er allemaal in een gebied gebeurt. Als iemand een zandpad wil ontwikkelen, is het natuurlijk fantastisch om ook het verhaal achter dat zandpad mee te nemen. Van zulke koppelingen worden de initiatiefnemers zelf ook enthousiast.’

In 2022 startten een paar pilots, allereerst om alvast wat resultaten van de Landschapswerkplaats te kunnen laten zien, maar ook om te leren van de uitvoering ervan. Zeven projecten zijn inmiddels afgerond. Zo is in Winschoten een tiny forest aangelegd en wordt in Ezinge een pilot afgerond, waarbij drie initiatieven samenwerken vanuit biodiversiteit, cultuurhistorie en landschap. Ook de eerste wandelpaden zijn gerealiseerd, waaronder twee nieuwe ommetjes in de omgeving Engelbert, Middelbert en Meerstad.

Foto: Janna Bathoorn

Van minder naar meer bos

Een project dat duidelijk de meerwaarde van de Landschapswerkplaats laat zien, is MEER-bos. Het richt zich op de realisatie van nieuwe natuur rondom Engelbert en Middelbert, en is onderdeel van het gebundelde initiatief Groene longen. Met initiatiefnemers Anja van der Linden en Masja Zwart ga ik naar Engelbert, een dorp dat dicht tegen de stad Groningen aan ligt. Ook Somer en Veger sluiten aan.

Tot 10 jaar geleden lag rondom Middelbert en Engelbert (samen met Euvelgunne en Roodehaan de MEER-dorpen) nog bijna 200 hectare bos. Een groot deel daarvan was productiebos, gepland rond 1990, waar omwonenden rijkelijk gebruik van maakten.

In Nederland werkt het zo dat als je bos meer dan 25 jaar op landbouwgrond laat staan, de bestemming van die grond verandert. Het wordt dan bosgrond, dat veel minder waard is dan landbouwgrond. Daarnaast ontvangen de boeren na 25 jaar geen natuurbeheervergoeding meer.

Als gevolg werd zo’n 10 jaar geleden 180 van de 200 hectare bosgrond rondom Middelbert en Engelbert gekapt. Van der Linden vertelt dat veel omwonenden hiervan schrokken: ‘Opeens was het kaal.’

De bewoners van het gebied missen het bos. Ze kunnen er zelf niet meer recreëren en zien dat ook de meeste herten die er voorheen een beschutte plek vonden, verdwenen zijn. Maar daarnaast ervaren ze nu meer overlast van de A7 en de industrieterreinen daar rondom.

Vanuit de behoefte om leefkwaliteit terug te brengen ontstond eind 2019 de werkgroep MEER-bos, waarvan zowel Van der Linden als Zwart vanaf het begin lid zijn. Hun plan is om zo’n 300 hectare bos aan te planten tussen de A7 en Engelbert en Middelbert, inclusief een natuurlijke geluidswal op een zandrug.

Het MEER-bos moet de overlast van de A7 en de omliggende industrie beperken en nieuwe waarde toevoegen aan het gebied, in de vorm van natuur en recreatie. Zo is het idee om de natuur speels op te zetten met waterlopen, doorkijkjes en wandel-, fiets- en ruiterpaden. Bos is bovendien goed voor de biodiversiteit en draagt bij aan verkoeling, waterberging en de opslag van broeikasgassen.

De toekomstige ligging van het MEER-bos is zorgvuldig bepaald. Het komt op plekken waar nu veel leegte en dus overlast van de snelweg is, maar ook waar bestaande groenstructuren met nieuwe natuur verbonden kunnen worden. Het MEER-bos kan zo een verbinding worden tussen het Driebondsbos, de Engelberterplas, de Middelberterplas, de Scharmerplas, de Borgmeren en de Hunzezone.

Het plan werd door Bureau Meerstad aanvankelijk als mooi maar onrealistisch bestempeld, bijvoorbeeld vanwege het prijskaartje dat eraan hangt. Maar dat veranderde naar verloop van tijd, mede doordat de Landschapswerkplaats haar best deed in de lobby voor MEER-bos.

Het groen tussen Groningen en Engelbert, waar over een tijdje woningen zullen staan // Foto: Janna Bathoorn

Een bos als buffer

Met z’n vijven proppen we ons in een auto, we gaan op safari. De eerste stop is bij het Kerkepad in Middelbert. Hier kijk je duidelijk uit op de A7, maar je ziet ook het Driebondsbos en de Olgerweg liggen. In dit braakliggende gebied komen 3000 woningen, inclusief een bedrijventerrein.

Van der Linden wijst aan wat waar moet komen, en waar het MEER-bos aangeplant moet worden. Je ziet hier duidelijk hoe het bos een buffer kan zijn tussen de nieuwbouw, de industrie, de A7 en het bestaande lintdorp Engelbert, en hoe het groene gebieden kan verbinden.

We rijden verder. Links staan karakteristieke huizen, omringd door natuur, rechts ligt de A7 met daarachter hoogspanningsmasten, de vuilnisbelt en allerlei industriële panden. In de toekomst komen daar misschien nog windmolens en een zonnepark bij.

Wordt dit een van de beste woonplekken in onze provincie? Of worden dit dorpen vol mooie huizen met lelijke uitzichten?

De A7 is nog maar net uit het zicht als we alweer een dorpskern in rijden. Even later stappen we uit bij het natuurbad van Engelbert. De Engelberterplas, omringd door bos, is prachtig, zelfs op deze regenachtige dag. Hij is ontstaan vanuit een zandopgraving en dus behoorlijk diep. Dat kan het water behoorlijk koud maken, weet Zwart: ‘Maar als je aan de randjes blijft is het goed te doen.’

Opvallend is dat je hier niet het gevoel hebt dicht bij de A7 te zijn. Terwijl je, als je even luistert, toch duidelijk de auto’s kunt horen. Dat gevoel komt misschien doordat je hier ook andere geluiden hoort, zoals het fluiten van vogels.

Projectleider Veger beaamt dat. Voor een project waar hij eerder eens aan werkte, onderzocht hij of bos echt geluid van snelwegen wegneemt. En ja, dat doet een dicht bepakt bos dat vol in bloei staat tot op zekere hoogte. Maar voornamelijk verandert het je beleving, en daardoor het gevoel dat je bij een plek hebt.

Van grijs naar groen

Na een middag rondrijden door dit gebied begrijp ik het belang van het MEER-bos. Dit is een gebied in ontwikkeling, vol prachtige oude huizen en dorpskernen, maar ook met leegte en industrie. Wordt dit een van de beste plekken om te wonen in onze provincie, dicht bij de stad, met goede infrastructuur en vol natuur? Of worden dit dorpen vol mooie huizen met lelijke uitzichten? MEER-bos kan het verschil maken.

Maar gaat dit plan er ook echt komen? Wanneer gaat het uitzicht van de bewoners van grijs naar groen? Hoewel het simpel klinkt om in een ogenschijnlijk leeg gebied een bos aan te planten, is het dat niet. Zo is niet alle grond in bezit van de gemeente Groningen of van Bureau Meerstad, dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van dit stadsdeel: een deel is van boeren of particulieren. Daarnaast is Bureau Meerstad verplicht om bijvoorbeeld bedrijventerreinen te realiseren.

De Landschapswerkplaats speelt een belangrijke rol in het navigeren tussen de verschillende organisaties, en vooral bij het realistisch en visueel maken van het plan. Landschapsarchitect Somer maakt haar schetsen op basis van wat de initiatiefnemers willen, maar wel binnen de kaders van wat er vanuit Bureau Meerstad mogelijk is. Daarbij neemt ze de geschiedenis van het gebied mee, kijkt ze naar de bodem en wat waar kan groeien, maar ook waar vroegere waterlopen liepen die nu misschien weer hersteld kunnen worden.  

Het bos zal niet in één keer worden aangelegd. Telkens als Bureau Meerstad een nieuw gebied ontwikkelt, komt er een stukje MEER-bos bij. De brede visie daarvoor ligt er, de uitvoering zal verspreid over de komende jaren gebeuren. En bij elk gebied van Meerstad dat ontwikkeld wordt, zal moeten worden gekeken of de plannen van MEER-bos in hun huidige vorm of in aangepaste vorm meegenomen kunnen worden. Hoe dan ook hebben de initiatiefnemers een stevige stoel aan de vergadertafel veroverd.  

Naast het Kerkepad in Middelbert, de plek waar we eerder vandaag uitstapten, zullen over een tijdje de eerste woningen van de volgende uitbreiding van Meerstad gebouwd worden. De plannen van MEER-bos vormen hier de basis voor de aanleg van groen. Waarschijnlijk begint de ontwikkeling in 2025, dan wordt dus ook het eerste stuk van het MEER-bos realiteit.

Foto: Janna Bathoorn

Versneller of verslomer?

Vooraf hield ik er rekening mee dat de Landschapswerkplaats, ondanks de goede bedoelingen, een bureaucratische procesverslomer zou zijn. Maar ik ben ervan overtuigd geraakt dat het project er juist voor zorgt dat de landschappelijke burgerinitiatieven van Toukomst beter en – in ieder geval ten dele – sneller van de grond komen.

Zoals ik in het startessay van deze serie al benadrukte, is het van groot belang dat we in rap tempo stappen zetten naar een groene toekomst. Er is geen tijd meer voor onnodige vertragingen. Met het oog op het grote geheel gaat het er niet om dat we individuele projecten in een zo kort mogelijke tijd tot realisatie proberen te brengen, maar dat we zo veel mogelijk projecten in een zo kort mogelijke tijd realiseren, in samenhang met elkaar. Dat levert kwaliteit op grotere schaal op, en daarin schuilt de kracht van de Landschapswerkplaats.

Door projecten samen te voegen, vertraag je misschien op het eerste oog het proces. Maar als daardoor uiteindelijk de plannen steviger staan en houdbaarder zijn, is dat op de lange termijn de beste keuze.

En is het niet zonde als je een deel van de provincie vergroent, maar dat niet in verbinding brengt met bestaande natuur? Of als je daar geen nieuwe wandel- en fietspaden bij aanlegt, of geen rekening houdt met oude waterlopen? De Landschapswerkplaats neemt het allemaal mee.

Daarbij gaan processen niet sneller als iedereen telkens opnieuw hetzelfde wiel uitvindt. Door samen te werken met andere (soms al grotere, langer bestaande) partijen kunnen projecten sneller vorm krijgen. Als burger kom je niet altijd even makkelijk bij de juiste mensen aan tafel. De Landschapswerkplaats heeft hierin een belangrijke netwerkfunctie.

Wat een project als MEER-bos mooi laat zien, is hoe moeilijk het kan zijn om een ogenschijnlijk simpel klinkend idee tot uitvoering te brengen. De Landschapswerkplaats helpt initiatiefnemers daarbij, en zal zo als versneller gaan werken. Ik heb er vertrouwen in dat we daar de komende jaren in onze prachtige provincie de eerste groene resultaten van gaan zien.