Schandalig modern? Hoe de Amsterdamsche Bank en het Grand Theatre de hoofdrol speelden in een tijdloos architectuurdebat
Op 17 september wordt het boek Het lege midden gepresenteerd, over de recente herinrichting van de Grote Markt. Aan de hand van beeldverhalen, analyses, historische schetsen, essays, herinneringen, bespiegelingen, columns, interviews en gedichten schetsen auteurs van diverse pluimage de vele gezichten van het belangrijkste plein van Groningen. Bij wijze van voorpublicatie vandaag een verhaal over de Amsterdamsche Bank en het Grand Theatre, en over historische discussies rond het plein die ook vandaag gevoerd hadden kunnen worden.
Levende kunsten
'Iemand die waarachtige liefde gevoelt voor de oude kunst, maakt geen kopie. Ook niet op een historisch plein als de Groote Markt. Omdat een quasi-oud-gebouw altijd een grove leugen is in onze moderne maatschappij.' Aan het woord is architect Adriaan Wittop Koning (1878-1961), in een ingezonden brief die Nieuwsblad van het Noorden op 28 maart 1922 publiceert.
De aanleiding is de hoog oplopende discussie rond zijn ontwerp voor het kantoor van de Amsterdamsche Bank, waarvan de plannen begin 1922 gepresenteerd worden. Voor een groep prominente Groningers is dat even schrikken. Ze vinden het veel te modern. Per brief, met als onderwerp ‘geen ontsiering van de Groote Markt,’ richten ze hun zorgen aan de directie van de Amsterdamsche Bank. Kort gezegd vinden ze het door Wittop Koning geschetste plan niet passend op een historisch plein als de Grote Markt. Het detoneert met ‘de fraaie silhouetten der oude gevels’.
Om hun betoog kracht bij te zetten, hebben de prominenten de plannen ook voorgelegd aan oud-rijksbouwmeester C.H. Peters. Die kan het weten, als geboren Groninger en auteur van het boek Oud Groningen, ‘waaruit een grote liefde voor stad en gewest spreekt’. Peters voegt in het Nieuwsblad nog wat peper toe aan de kritiek: ‘Mij dunkt dat het bestuur der Amsterdamsche Bank niets aangenamer kan zijn dan (…) een waardig gebouw [met] een geveluiterlijk dat de Groote Markt siert in plaats van storend ontsiert.’ Nauwelijks verwonderlijk eindigt de brief aan de bankdirectie met een omfloerste oproep om met een ander ontwerp te komen, dat wel past op de plek.
Bij het lezen van alle berichten over deze kwestie verraadt eigenlijk alleen het archaïsche Nederlands dat het gaat om een plan van inmiddels al meer dan een eeuw oud. Los daarvan had de discussie ook nu plaatsgevonden kunnen hebben. De analyses zijn vergelijkbaar, net als de (voor)oordelen en de verdediging door de architect.
Zo constateren de prominenten in hun brief dat ‘veel architecten het bouwen in historischen stijl als iets minderwaardigs verwerpen’. Waarop Wittop Koning antwoordt dat hij nu juist op eigentijdse wijze heeft willen voortbouwen op bestaande waarden. Letterlijk: ‘Ik heb, voelende de piëteit voor het karakter van een marktplein, getracht een aanpassende nieuwvorm te scheppen, daarbij in ’t oog houdende een eerlijke weergave van het bepaalde bedrijf, waarvoor het gebouw bestemd is.’ Fijntjes wijst hij ook nog even op de waarde van ‘de levende kunsten’ en het werk van de invloedrijke auteur en ontwerper William Morris en diens pleidooi voor schoonheid en eigentijds vakmanschap.
Boven: de maquette voor de Amsterdamsche Bank van Wittop Koning. Onder: de 'fotorealistische render' avant la lettre die met de maquette gemaakt werd
Een levensgrote schildering
Dat het discours over bouwen in een historische context zich al decennia binnen vergelijkbare kaders afspeelt, blijkt ook uit wat we tegenwoordig wel participatie en ‘de stem van het publiek’ noemen. In het Nieuwsblad van het Noorden van 30 maart 1922 krijgt Wittop Koning zowel kritiek als bijval. Zo sneert uitgever en kunsthandelaar L.A. Scholtens jr. in een ingezonden brief dat de architect beter de gevoelens kan respecteren van ‘een groot aantal Groningers dat graag ziet dat het stadsschoon van de oude Groote Markt zoveel mogelijk in historischen zin hersteld wordt’.
Apotheker en kunstenaar P.F. Woldendorp daarentegen kan zich wel vinden in het plan en betoog van Wittop Koning. Bovendien constateert hij dat de positie van de architect niet bepaald makkelijk is: ‘Bouwkunstenaars zijn de minst vrije kunstenaars van alle. Zij zijn bijna aan handen en voeten gebonden, daar zij op bestelling moeten werken en geheel afhangen van de meerdere of mindere mate der geestesgaven van den besteller der bouwwerken. Verder zijn zij nog gebonden aan bouwverordeningen, materiaal, constructie en personeel. Daar komt in dit onderhavige geval nog bij de smaak van ‘Jan Publiek’ dat hier van een copieermethode houdt (imitatie antiek).’
Bij de kwestie-Amsterdamsche Bank blijft het niet bij ingezonden brieven. Om te benadrukken dat hij zijn ontwerp toch echt ‘uit piëteit voor het karakter van een marktplein’ heeft gemaakt, en om inwoners mee te nemen in zijn verhaal, laat Wittop Koning een maquette vol detail maken. Ook wordt het plan ingetekend op een door de bekende Groninger fotograaf P.B. Kramer genomen foto van de noordwand van de Grote Markt. Deze ‘fotorealistische render’ avant la lettre toont hoe het ontwerp van de bank zich nadrukkelijk wel voegt binnen de bestaande bebouwing, hoe schandalig modern men het destijds ook vond.
Inwoners kunnen een stemkaart halen, met daarop de keuze tussen ‘mooi’ en ‘lelijk’. In feite is het een stem vóór of tegen het plan van Wittop Koning
Nog mooier wordt het wanneer de Nederlandse Vereeniging tot Bevordering en Instandhouding van Gevelschoon in het vroege voorjaar van 1922 met het idee komt om het gevelontwerp alvast op ware grootte op z’n plek te hangen. Zo kan iedere inwoner een goed oordeel vormen over de impact van het gebouw op de Grote Markt. Op kosten – ze zullen fors geweest zijn – van de Amsterdamsche Bank wordt in april 1922 daadwerkelijk een levensgrote schildering gemaakt en opgespannen op de plek waar de nieuwbouw moet komen.
Als initiatiefnemer toont deze vereniging zich trouwens verre van een behoudende club. Men is er zelfs van overtuigd dat iedereen dankzij ‘de natuurgetrouwe wedergave van het kloeke steenmonument, wiens lijnen duiden op durf en energie, de karakteristiek van de moderne architectuur (…) nu echt kan zien: olympische kalmte, soberheid en distinctie' – zo is op 1 april 1922 te lezen in het Groninger Dagblad.
Inwoners van de stad kunnen bij het gebouwtje van de hoofdwacht, naast de Martinitoren, een stemkaart halen. Daarop hebben ze de keuze uit de opties ‘mooi’ en ‘lelijk’. In feite staat het voor een stem vóór of tegen het plan van Wittop Koning.
Wat uiteindelijk de uitslag van de stemming is, daar schrijven de kranten niet over. Wel suddert de discussie nog even door. Zo heeft de Provinciale Drentsche en Asser Courant het over het dedain waarmee de directie van de Amsterdamsche Bank op alle kritiek zou hebben gereageerd. En in november 1922 memoreert het Nieuwsblad van het Noorden dat de gemeentelijke bouwpolitie ‘het plan zoo lang naar den architect [zou hebben] teruggezonden tot er iets tevoorschijn kwam dat de Grote Markt níet zou ontsieren'. Schromelijk overdreven, want begin 1923 vangt met slechts enkele kleine wijzigingen de bouw aan.
Een jaar later is het nieuwe bankgebouw klaar en zijn de reacties vrijwel allemaal positief. Zo schijft het Groninger Dagblad dat het gebouw ondanks de kritiek het karakter van de Grote Markt in het geheel niet verstoort: ‘Gezegd kan worden, dat [Wittop Koning] een gevel met een persoonlijk cachet heeft geleverd. Wij meenen te weten, dat eenige toonaangevende moderne architecten in den lande zich er zeer gunstig over hebben uitgelaten.’
De Nieuwe Provinciale Groninger Courant doet er nog een schepje bovenop: ‘Men zal zich herinneren dat destijds over dezen gevel veel drukte is geweest. Men meende dat deze niet bij de naastgelegen perceelen aanpaste. Er is toen een kleine verandering in het bouwplan aangebracht, waarmee opeens alle critiek gestild zou wezen. [En nu de houten bouwschuttingen verdwenen zijn] toont de gevel zich thans in al haar pracht aan het oog van het passeerende publiek.’
1929, de Grote Markt met op de achtergrond de Amsterdamsche Bank
De teloorgang van oud-Groningen
Eind goed, al goed, zou je denken. Toch is de angst voor moderne architectuur en de aantasting van de Grote Markt niet verdwenen. Zo verzucht Bertus Lonsain, hoofdarchivaris van het Rijksarchief, in juni 1929 in Nieuwsblad van het Noorden dat ‘de moker en het breekijzer weer bezig [zijn] een stukje van oud-Groningen te doen verdwijnen'. De aanleiding is de sloop van de bebouwing op de hoek van de Grote Markt en de Boteringestraat, waar nog datzelfde jaar naar ontwerp van architect Tonnis Holthuis (1880-1937) begonnen wordt met de nieuwbouw van Hotel Victoria en de textielwinkel van de firma Burmann.
Als een echte archivaris treurt Lonsain vooral over het verdwijnen van de zichtbare herinneringen aan het verleden. ‘Elk oud huis heeft zijn geschiedenis in het lief en leed van de talrijke geslachten, welke onder zijn dak hebben gewoond. (…) Van architectonische beteekenis waren deze huizen niet maar toch, ze behoorden in het stadsbeeld thuis, in de rij der oude huizen met hunne typische, echt Groningsche kelders voor woning, neringenbedrijf, hunne hooge stoepen en forsche gevels. En al moge het Nieuwe, hetwelk er voor in de plaats komt, aan alle eischen van de moderne bouwkunst en smaak voldoen, in harmonie met de rustige gevelrijen van de regenten- en koopmanshuizen der 17e en 18e eeuw is deze nieuwbouw stellig niet.’
Wanneer het artikel pakweg twee maanden later verschenen was, had Lonsain gegarandeerd ook de hoek Grote Markt-Oosterstraat benoemd. Daar wordt de discussie in augustus 1929 namelijk nieuw leven ingeblazen als de plannen voor een nieuwe bioscoop aan de Grote Markt naar buiten komen. Het Grand Theatre, gaat die heten, hij moet op de plek komen van het oude hotel De Zeven Provinciën.
Met recht wordt het grand genoemd: er is ruimte voor 800 bezoekers, waarvan 500 in de zaal en nog eens 300 op een royaal balkon. Daarmee moet het bioscooptheater het grootste van de stad worden. Het ontwerp is van de hand van de Brits-Duits-Groninger architect Harold Gilbert Saville (1881-1973).
Na wat kleinere verbouwingen en woningbouwprojecten in de Oranjebuurt is het Grand Theatre voor Saville een buitengewoon prestigieuze opdracht. Aanvankelijk is het de bedoeling dat hij de nieuwe bioscoop in het oude hotel realiseert, met behoud van de gevel. Mogelijk is dit ook de reden dat Lonsain de plek in juni nog niet noemt in zijn artikel. Dan is namelijk nog geen sprake van de sloop van het hotel.
Saville krijgt het gevraagde programma alleen onmogelijk in de bestaande gebouwen. Gecombineerd met strenge eisen van de brandweer en het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht zit er niets anders op dan complete nieuwbouw. De inspiratie daarvoor haalt hij aanvankelijk uit de Amerikaanse art deco en de grote filmtheaters in de Verenigde Staten. Met zijn ontwerp wil hij iets van de glitter and glamour van Hollywood naar Groningen halen.
Waar bij het bankgebouw na de bouw alle kritiek verstomde, zorgt bij het Grand Theatre juist het gerealiseerde resultaat voor een grote schok
Het eerste ontwerp voor de nieuwbouw heeft een sterk symmetrische opzet. De invloed van de Amerikaanse art deco druipt eraf. In het tweede ontwerp klinken ook nieuw zakelijke invloeden door. Het ontwerp wordt eigener. Saville ruilt de symmetrie in voor asymmetrie en kiest voor een verspringende daklijst. De hoofdentree verhuist naar het midden van het pand.
Na de voltooiing van dit tweede ontwerp gaat het razendsnel. Op 10 augustus 1929 komt het nieuws naar buiten dat De Zeven Provinciën in het geheel wordt afgebroken. Een week later wordt het plan van Saville aanbesteed. En amper acht maanden later, op 24 april 1930, opent het Grand Theatre de deuren. Dat gebeurt met de vertoning van de films Haar hoogste verlangen, met de Russisch-Duitse steractrice Olga Tschechowa, en Helden der Lucht (The Sky Raider), met hoofdrollen van Jacqueline Logan en de bekende Franse oorlogsvlieger Charles Nungesser.
Detail van het plan voor de verbouwing van De Zeven Provinciën tot bioscoop, in 1929 gemaakt door H.G. Saville
Hotel De Zeven Provinciën (rechts, naast Hotel De Doelen) op de plek waar het Grand Theatre gebouwd zou worden
Welstand en de Grote Markt
Net als bij de Amsterdamsche Bank schiet de nieuwbouw van het Grand Theatre velen in het verkeerde keelgat – al is er een verschil. Want waar bij het bankgebouw alle kritiek verstomde nadat de bouwsteigers verwijderd waren, zorgt bij het Grand Theatre juist het gerealiseerde resultaat voor een grote schok. Nieuwsblad van het Noorden spreekt weinig flatteus over ‘een massale grijze steenklomp’ – waarachter gelukkig wel een aantrekkelijk interieur schuilgaat, met mooi beschilderde muren en plafonds, smaakvolle verlichting en stoelen met zacht rode bekleding.
Zelfs buiten Groningen wordt over de bioscoop geschreven. Zo tekent De Gooi- en Eemlander in april 1930 op dat er in Groningen ‘vlak naast het [recent] fraai gerestaureerde Hotel De Doelen een stuk muur verschenen [is] als gevel van de nieuwe bioscoop Grand Theatre, het welk zoo hevig vloekt met de geconserveerde belendende percelen, dat zelfs een Oldambtster boer ervan zou schrikken'.
Saville’s ontwerp is zelfs aanleiding voor een dringende oproep van de Provinciale Groningsche Archeologische Commissie om een welstandsbepaling toe te voegen aan de gemeentelijke bouwregels. Die moet het mogelijk maken om ‘bouwwerken te weren wier uiterlijk in een bepaalde omgeving misstaat'. Aansluitend raadt de commissie de gemeente aan een monumentenverordening op te stellen die moet voorkomen ‘dat er nog meer fraaie oude gevels door verbouwingen bedorven worden'. Prominente cultuurhistorische clubs als de Vereniging Stad en Lande en het Groninger Historisch Genootschap komen met adhesiebetuigingen.
Harold Gilbert Saville
Harold Gilbert Saville is een architect met een bijzonder verhaal. Hij wordt geboren in Solingen, vlak bij Düsseldorf, als zoon van George Saville, een Engelse fabrikant en ondernemer uit Sheffield. Het bedrijf handelt onder meer in parelmoer en ijzerwerken, waaronder bestek en zak- en scheermessen. Gilbert Saville is na het overlijden van zijn vader enige tijd actief voor het familiebedrijf. Hij handelt onder andere met Amerikaanse firma’s als Stauffer Eshleman & Co en Farwell, Ozmun, Kirk & Co.
Daarna begint hij een architectenbureau in zijn geboorteplaats. Vanwege zijn Engelse komaf wordt Saville, net als de rest van de familie, gedurende de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers in een interneringskamp onder de rook van Berlijn gestopt. In april 1918 komt hij als vluchteling naar het neutrale Nederland. In Groningen zet hij zijn architectenpraktijk voort en geeft hij teken- en schilderlessen.
Over Saville’s ontwerp is de provinciale commissie helder: leuk voor in een nieuwe stadswijk, maar volkomen misplaatst op de Grote Markt. En helemaal pal naast het recent in oude luister herstelde pand van Hotel De Doelen, zo is te lezen in de Groninger Courant: ‘De bioscoop heeft (…) aan de Groote Markt slechts schade aangericht: in de eerste plaats voor zichzelf (…), in de tweede plaats voor de omgeving, die er geheel door bedorven is.’
De commissie haast zich te vermelden dat ze niet per se tegen de ‘bouw in modernen trant in oude stadsgedeelten’ is. Ironisch genoeg verwijzen ze daarbij naar het ontwerp van Wittop Koning voor de Amsterdamsche Bank, dat een aantal jaren eerder zoveel stof had doen opwaaien. Het plan was veel te modern in 1922, maar wordt in 1930 inmiddels bestempeld als ‘een bevredigend resultaat (…) dat geheel bij de sfeer van [de Grote Markt] aansluit.’ Het kan verkeren.
In het Groninger Dagblad van 29 november 1930 verdedigt Saville zich tegen de kritiek. Te beginnen met de constatering dat er nogal wat aan te merken is op het zo gevierde historische karakter van de binnenstad. Veel oude gevels aan de Grote Markt en de Vismarkt zijn volgens Saville namelijk ‘allang en voor eeuwig verdorven’ als gevolg van verkeerde ingrepen en toevoeging van misplaatste winkelpuien.
Ja, ook hij houdt van oude architectuur. En ja, ook Saville vindt de recent herstelde achttiende-eeuwse gevel van Hotel De Doelen van waarde voor de Grote Markt. Maar waarom zou dat met een modern gebouw niet ook kunnen? Het voorbeeld staat volgens hem nota bene aan de overkant van de markt: Wittop Konings Amsterdamsche Bank. Dat voorbeeld had hij gevolgd bij het Grand Theatre: een eigentijdse toevoeging.
'[Want] men kan toch geen 18de eeuwsche gevel voor een bioscoop bouwen in het jaar 1930? Ik was dus aangewezen hiervoor een modernen gevel te ontwerpen [en] heb hiervan tot op heden nog geen spijt.’ Volgens Saville zou men er goed aan doen zich wat minder druk te maken over moderne architectuur in de binnenstad, en wat meer over de ‘afschuwelijke reclameobjecten’ die de openbare ruimte ontsieren, laat hij in het Groninger Dagblad optekenen.
Het door Saville ontworpen Grand Theatre
Over de toevoeging van een welstandsbepaling aan de gemeentelijke bouwverordening is Saville gematigd positief. Het kan werken, denk hij, wanneer eenzijdige oordelen vermeden worden en de uitvoering in handen wordt gelegd van een onafhankelijke commissie vol ‘vakkundige menschen'.
Collega-bouwkundigen die door het Groninger Dagblad om hun mening worden gevraagd, komen met vergelijkbare conclusies. Zo benadrukken de vooraanstaande architecten Jan Kuiler en Lucas Drewes het belang van deskundige commissieleden. Ytzen van der Veen wijst, op basis van de ervaringen in andere steden, op de voor- en nadelen van een welstandsbepaling.
Evert van Linge heeft het meest doorwrochte commentaar. Hij waarschuwt voor ‘welstandsmiddelmatigheid’, waarmee hij doelt op het gegeven dat je met welstand van een slecht plan nooit een goed bouwwerk kunt maken. Daar is meer voor nodig, vindt hij, waaronder ‘een bekwaam architect die ontwerpt van en voor de tijd waarin hij leeft, en zijn werk geheel doorvoelt’.
De oproep van de Provinciale Archeologische Commissie is niet aan dovemansoren gericht. In razende vaart komt het college van B en W in het najaar van 1930 met een voorstel aan de raad. Die stelt na een aantal aanpassingen de welstandsbepaling op 22 december 1930 vast, met 24 stemmen voor en 9 stemmen tegen.
De kritiek van de tegenstanders? Welstand zou kunnen leiden tot behoudzucht en derhalve een beperking van goede eigentijdse architectuur. Bovendien is er de vrees dat er met een welstandsverordening te veel macht bij het gemeentelijke bouwbureau komt te liggen. In die zin is er in de discussies omtrent welstand weinig veranderd.
Klassieke herbouw
Mooi of lelijk – om maar in het vocabulaire van de Vereeniging tot Bevordering en Instandhouding van Gevelschoon te blijven: pakweg honderd jaar later kunnen we niet anders dan constateren dat het Grand Theatre er gewoon bij hoort op de Grote Markt. Contrasterend met de omliggende bebouwing? Zeker. Maar ook een hoogtepunt in het oeuvre van Gilbert Saville, een uniek voorbeeld van Groninger art deco en een gebouw waaraan de Groninger welstand en het gemeentelijke ruimtelijke-kwaliteitsbeleid het nodige te danken hebben. Niet voor niets heeft het de status van rijksmonument.
Nog los van het feit dat de Groningers het pand na oplevering al in hun hart hadden gesloten, is de kans groot dat we nu op dezelfde manier over de Amsterdamsche Bank geoordeeld zouden hebben. Ware het niet dat deze tijdens de bevrijding in april 1945 grotendeels aan flarden geschoten werd, net als vrijwel de gehele noord- en oostwand van de Grote Markt.
Het Grand Theatre is een uniek voorbeeld van Groninger art deco en een gebouw waaraan de Groninger welstand en het gemeentelijke ruimtelijke-kwaliteitsbeleid het nodige te danken hebben
Wittop Koning maakt in 1949 nog een ontwerp voor een nieuw bankgebouw. Vernieuwend is dat niet, eerder een doorvertaling van zijn ontwerp uit 1922. Met de puntdaken en de sterk aanzette verticale geleding oogt het zelfs een stuk klassieker. Wellicht is hier de invloed te zien van de carrièremove die de architect al in de jaren dertig maakt. Vanaf dan profileert hij zich meer en meer als restauratiearchitect, met een voorliefde voor de talloze middeleeuwse kerken op het Groninger Hogeland. De kans is ook groot dat we hier vooral de invloed zien van de wederopbouwplannen die na de oorlog onder regie van architect en stedenbouwkundige Marinus Jan Granpré Molière worden gemaakt.
April 1945: de noordwand van de Grote Markt met daarin de aan flarden geschoten Amsterdamsche Bank
De plannen die Granpré Molière en zijn Adviesbureau voor de Wederopbouw tussen 1946 en 1949 voor de Groninger binnenstad maken, zorgen voor veel reuring. Deels komt dat door de wonderlijke organisatiestructuur. Volgend uit het Nationaal Wederopbouwbesluit zijn Granpré Molière en zijn medewerkers namelijk niet werkzaam voor de gemeente, maar voor de rijksoverheid. Dat leidt tot onduidelijkheid over de rollen en tot een verstoring van de relatie tussen het adviesbureau en de eigen dienst Gemeentewerken.
De grootste discussies gaan – hoe kan het ook anders – over de balans tussen behoud, herstel en vernieuwing. Ofwel: een meer traditionele opvatting over architectuur en stadsontwikkeling tegenover meer moderne inzichten.
Flonkerend staaltje moderne bouwkunst
In totaal passeren zes plannen voor de wederopbouw van de Grote Markt, in diverse varianten, waarop vanuit verschillende hoeken kritisch gereageerd wordt. Het eerste plan stuit op bezwaren van monumentenzorg. Die ziet de voorgestelde verplaatsing van het Goudkantoor niet zitten en verzet zich tegen de vergroting van de Grote Markt richting het huidige Kwinkenplein. Een aangepast basisplan valt slecht vanwege de positie van de uitbreiding van het stadhuis en het voorgestelde nieuwe cultuurcentrum aan de oostzijde van de Grote Markt.
Ook winkeliers komen in verzet. Zij vinden de beoogde uitbreiding van het stadhuis veel te groot, deze zou alleen maar ten koste gaan van de reeds schaarse winkelruimte. Alle kritiek leidt in 1949 tot een nieuw voorstel dat de gemeenteraad, met de nodige voorbehouden en toezeggingen richting de criticasters, in mei dat jaar aanneemt.
Dat het traject veel energie heeft gekost, blijkt wel uit een artikel in tijdschrift Bouw van april 1949, dat geheel gewijd is aan de Groninger wederopbouwplannen. Ir. C. Pouderoyen, een naaste medewerker van Granpré Molière, doet met een duidelijke sneer nauwelijks moeite om zijn frustratie te verbergen: ‘Na veel wikken en wegen is men het in Groningen eens geworden over de belangrijkste punten van het wederopbouwplan. Het plan (…) herstelt voor zover mogelijk de oude toestand en alleen op enkele punten, waar dit een evidente verbetering beloofde, vertoont het een doortastende wijziging. Het is daardoor niet een geheel nieuwe visie op een oud gegeven, maar het is wel een in alle opzichten reëel plan, waarin alle eenvoudige, maar voor de mens van alledag zo zwaar wichtige detailbezwaren zorgvuldig zijn opgelost en tegen elkaar afgewogen. Het is wellicht te wijten aan het feit dat de Groninger gekant is tegen elke wijziging van zijn Grote Markt, dat men in zekere zin wel de vraagstukken erkent die om een oplossing vragen, maar de consequenties ervan, zijnde een wijziging van dit vertrouwde beeld, niet of moeilijk kan aanvaarden.’
Uiteindelijk blijft van het oorspronkelijke plan weinig over. Er komt een knip tussen de stedenbouw en de architectuur, Granpré Molière – de geestelijk leider van de traditionele Delftse School – geeft het supervisorschap over de architectuur op. Het maakt de weg vrij voor een veel modernere invulling van de Grote Markt dan voorzien.
Dit is tot vreugde van de plaatselijke CPN-fractie, die de aanvankelijk door Granpré Molière voorgestelde Delftse School-architectuur maar ouderwets vindt: de stijl die ook doorschemert in het voorstel van Wittop Koning voor de herbouw van de Amsterdamsche Bank. Dat ontwerp gaat dan ook van tafel.
Wittop Koning wordt ingeruild voor Jo Vegter, een leerling van Granpré Molière, maar ook een bekeerling die na de oorlog de architectuur van de Delftse School inruilt voor het modernisme. Diezelfde Vegter is ook betrokken bij de uitbreiding van het stadshuis, en is in 1952 verantwoordelijk voor het allereerste gebouw dat als onderdeel van de wederopbouw van de Grote Markt gereedkomt: studentensociëteit Mutua Fides.
Vegters plan voor de Amsterdamsche Bank wordt in november 1955 goedgekeurd, waarna de bouw kan beginnen. In januari 1958 vindt de opening plaats. De Nieuwe Provinciale Groninger Courant noemt het een ‘flonkerend staaltje van moderne bouwkunst’, voorzien van een prachtig modern interieur.
En of dat nog niet genoeg is, gaat de lof verder: ‘In de schepping van dit monumentale gebouw met zijn machtige gevel, die een sieraad vormt in de nieuwe noordwand van de Grote Markt, is hypermoderne architectuur arm in arm gegaan met fijn uitgebalanceerde efficiency, die zo geheel en al is verweven met de geest van ons moderne bankwezen en hier in een symfonie van moderne bouwtechniek en artistieke vormgeving, die menigmaal verrast in kleur en vorm, haar sublieme uitdrukking vond.’
Het Grand Theatre aan de recent opnieuw ingerichte Grote Markt // Foto: Peter de Kan
Continuïteit van vernieuwing
Over de wederopbouw van de Grote Markt is natuurlijk veel meer te vertellen, wat bijvoorbeeld door Cor Wagenaar in Tussen Grandezza en Schavot al uitvoerig is gedaan. Dezelfde aandacht verdienen de plannen die vanaf de late jaren tachtig worden gemaakt voor een complete verbouwing van het plein, waarbij alle naoorlogse bebouwing, waaronder ook dat flonkerend staaltje van moderne bouwkunst, weer zou worden gesloopt.
Een deel van dit plan is daadwerkelijk gerealiseerd. Zo wordt eind 1994 het naoorlogse nieuwe stadhuis van Jo Vegter gesloopt om plaats te maken voor het Waagstraat-complex van architect Adolfo Natalini. In 2002 wordt vervolgens gestart met de plannen voor een nieuwe oostwand en het Forum. Inmiddels heeft dat geleid tot het herstel van de vooroorlogse rooilijn en een volledig nieuwe gevelwand, die in z’n architectuur een mix is van traditie en vernieuwing.
En misschien zit daar wel de kern van het waarlijke karakter van de Grote Markt. Een collectie van gebouwen uit heel verschillende periodes, die in de loop der tijd ook nog eens vele functieveranderingen heeft ondergaan. Soms werden ze aangetast door liefdeloze verbouwingen en later weer met de beste bedoelingen gerestaureerd. Sommige waren in de tijd waarin ze gebouwd werden uitermate modern, maar zijn inmiddels vanzelfsprekend onderdeel van de gevelwanden. Samen vertellen ze het verhaal van vervlogen tijden, van ‘de moker en het breekijzer’, en representeren ze de wijze waarop de stad zich over een periode van jaren, decennia, zo niet eeuwen, heeft ontwikkeld.
Moet je daar voorzichtig mee zijn? Jazeker. Op de Grote Markt heeft niemand een vrijbrief om zomaar even wat te doen – net als op iedere andere plek trouwens. Je moet de opgave, maar ook de context, kennen en doorgronden. Bouwen vraagt om een zorgvuldige omgang met wat er al is, zonder de waarde plat te slaan tot ‘mooi’ of ‘lelijk'. Het vraagt om vertrouwen in het werk van ‘een bekwaam architect die ontwerpt van en voor de tijd waarin hij leeft'. Daar wil ik in het heden graag nog de rol van een betrokken overheid en opdrachtgever aan toevoegen.
Ook vraagt het om geduld. Zo kan het maar zo zijn dat er achter een bouwschutting iets verborgen gaat dat eigenlijk heel goed past. Met de jaren kan dat geduld er bovendien voor zorgen dat ook ‘Jan Publiek’ de waarde van lang verafschuwde architectuur gaat inzien. Of het nou art deco of modernisme is.
De continuïteit zit niet in het behoud, maar in een weldoordachte en contextbewuste vernieuwing. Daarbij is het altijd goed om de woorden van Adriaan Wittop Koning ter harte te nemen: ‘Iemand die waarachtige liefde gevoelt voor de oude kunst, maakt geen kopie. Ook niet op een historisch plein als de Groote Markt. Omdat een quasi-oud-gebouw altijd een grove leugen is in onze moderne maatschappij.’
Het lege midden
Het lege midden. Over de Grote Markt van Groningen wordt op 17 september 2026 gepresenteerd, en is een ode aan de rijkdom en veelzijdigheid van het belangrijkste plein van de stad. Het hart van het boek wordt gevormd door een beschouwing van de recente herinrichting van het plein (2020-2024) en de wortels daarvan in de jaren zeventig en negentig. Daaromheen zijn verschillende verhalen van diverse auteurs gebundeld, uit allerlei periodes van de meer dan duizend jaar geschiedenis van de Grote Markt.
De nadruk ligt op de ruimte van het plein zelf. De leegte – en daarmee de potentie van een even veelomvattend als intensief gebruik – staat centraal in tekst en beeld. Historische foto’s, prenten en ansichtkaarten, ontwerptekeningen, schetsen, strips, schilderijen, lucht- foto’s en plattegronden vormen de beeldende context van de ontwikkeling van de Grote Markt door de eeuwen heen. Zo portretteert Het lege midden de vele gezichten van de centrale en meest publieke ruimte van Groningen.