7 april 2021 Leestijd: 7 minuten

Peter de Kan besefte tijdens een boswandeling eens te meer dat we als mens deel uitmaken van een veel groter geheel. Maar ook dat we door technologische ontwikkelingen de verbinding met onze basis dreigen te verliezen. Gelukkig bedacht hij tussen de bomen ook direct een manier om dat tegen te gaan.

Foto: Peter de Kan

Het is vandaag de tweede prachtige lentedag en ik besluit meteen tot een bosbezoek. Ik neem de trein naar Hoogezand-Sappemeer. Mijn bestemming is het Adriaan Tripbos, tegen Tripscompagnie aan. Een jong bos, zo’n dertig jaar geleden aangeplant.

Tot voor kort kon je, als je naar het Adriaan Tripbos wilde, uitstappen op station Sappemeer Oost. Vandaar is het een kwartiertje lopen. Sappemeer Oost was een echt veenkoloniaal stationnetje in the middle of nowhere, niet veel meer dan een perron. Als ik er uitstapte moest ik altijd aan het geweldige intro van Once Upon a Time in the West denken, met titeltjes die ineens uit een drinkbak omhoogkomen. Een intro waarin vrijwel niks gebeurt en toch met elke seconde de dreiging toeneemt.

Het schijnt dat Ennio Morricone bij het begin van de film een uitgebreide soundtrack had gecomponeerd waarvan geen noot gebruikt is. Des te beter, zei de maestro zelf grootmoedig. Er is nu alleen een piepend molentje te horen – en het is genoeg.

Dat intro is op Sappemeer Oost opgenomen. Nou ja, bij wijze van spreken dan. Inmiddels is het stationnetje opgeheven. Heel dom, het had moeten blijven en ze hadden het moeten veranderen in Station Bostrip of wat er ook maar uit de prijsvraag was gerold; iets met bos. We hebben die stationnetjes in het midden van niks juist hard nodig, ook als er maar zelden iemand uitstapt.

Foto: Peter de Kan

Verbinding verbroken

Nu stap ik dus uit op station Hoogezand-Sappemeer en fiets naar het bos. Als je tijd hebt kun je ook gaan lopen, reken een dag voor de hele trip.

Het Adriaan Tripbos is zeer populair, vooral onder hondenbezitters. Je kunt je hond hier vrij laten lopen, geloof ik. Rond de paden is het dus uitkijken dat je niet in de poep stapt, maar dieper het bos in heb je daar geen last meer van. Ik kom vrijwel meteen een paar hond/baas-combinaties tegen. Opvallend dat steeds meer baasjes naast hun hond ook hun mobiele telefoon uitlaten. Of eigenlijk dus juist aan laten.

Een roodgejaste baas schuifelt traag door het bos, de hond kort aangelijnd. Hij kijkt onophoudelijk op zijn scherm, ik denk dat-ie niet eens weet waar hij nu is. Een andere man, zonder hond, loopt luid te bellen, telefoon in de hand en zo’n old school apparaatje in het oor. ‘De verbinding was even verbroken’, hoor ik hem zeggen. Daarmee legt hij onbedoeld precies de vinger op de zere plek.

Als we niet oppassen verbreken we met elke nieuwe verbinding richting de technologische protheses ons contact met ons ‘natuurlijke’ ecosysteem een beetje meer. Ik gebruik natuur hier even als tegenhanger van techniek, al zal het een onhoudbare term blijken te zijn.

Opvallend dat steeds meer baasjes naast hun hond ook hun mobiele telefoon uitlaten

Het afbrokkelen van dat contact begon al met de vuistbijl. Toen we die begonnen te hanteren (of de vuistbijl óns – het is een beetje een kip-en-ei-kwestie, met als uitkomst dat mens en vuistbijl tegelijk zijn ontstaan – de vuistbijl maakte ons mens en die mens was nodig om de vuistbijl te maken, ze waren vanaf het prilste begin verbonden) ontstond tevens een Binnen. We keken naar het hulpmiddel en ons gebruik ervan en wat we zagen overdachten we. Zo werd de volgende bijl een beetje beter. Daarmee ontstond een binnenwereld en raakten we iets minder buiten.

De ontwikkeling van de vuistbijl zette het uitbesteden aan protheses in gang, van dingen die we eerder zelf deden. Bij de bijl, het wiel en de stoommachine ging het om spierkracht, bij de computer gaat het over het geheugen. Inmiddels zijn we bezig ons denkvermogen uit te besteden.

De kans bestaat dat we straks helemaal in die apparaten oplossen. Want net als bij de vuistbijl geldt nog steeds dat technologie ons net zo sterk verandert als wij de techniek. Het is een wisselwerking, een verbondenheid.

Foto: Peter de Kan

Deel van een groter geheel

Een andere ontwikkeling die ons zelfbeeld of zelfbegrip op losse schroeven dreigt te zetten is het toenemend besef dat wij niet die geïsoleerde, speciale soort aan de top van de schepping zijn. We zijn eerder een assemblage van samenwerkende, levende entiteiten, waarbij dat leven niet aan dieren en planten alleen toebehoort. Een multispecies.

Ons lichaam bestaat voor meer dan de helft uit niet-lichaamseigen cellen. Bacteriën, virussen, schimmels en andere organismen, zonder welke we er helemaal niet zouden kunnen zijn. Onze darmen doen hun ding alleen maar omdat ze uit een groot aantal samenwerkende micro-organismen bestaan, die de stoffen in ons voedsel helpen omzetten naar bouwstenen voor onderhoud en groei van ons lichaam – dat dus een multilichaam is.

En nu heb ik het alleen nog maar over de organismen binnenin ons lichaam, onze binnenwereld. Ook in onze buitenwereld maken we deel uit van een, in dit geval veel groter, geheel. Een ecosysteem met allerlei andere spelers: dieren, planten, aarde, water, lucht. Al die delen, al die entiteiten, hebben hun eigen agency.

Als mens zijn we met vrijwel alles verbonden. Of, zoals bioloog en filosoof Donna Haraway het beter zegt: niets is met alles verbonden en alles is met iets anders verbonden.

We moeten bij elke ingreep die we in onze omgeving plegen dus met veel meer rekening houden dan met alleen onszelf. Simpelweg omdat het niet alleen onze omgeving is. Ik kom hier later nog wel een keer op terug, het houdt me in toenemende mate bezig.

We zijn knooppunten

Nu ben ik in het Adriaan Tripbos. Ik hoor een specht en daardoor realiseer ik me hoe stil het hier is. Ik hoor de specht alweer, even verderop een buizerd, een tjiftjaf schettert er dwars doorheen. In de verte mechanische landbouwgeluiden, een ijle, hoge pieptoon. Maar ik moet me ervoor inspannen, het is hier bijna stil.

Dan hoor ik een boom naast me zoemen: het is een hazelaar die volop in bloei staat, de felgele katjes steken stekelig af tegen het blauw van de lucht. Het zoemen is afkomstig van ontelbaar veel bijen die de katjes langsgaan op zoek naar nectar en stuifmeel. Je ziet het stuifmeel in gele klontjes aan hun achterpoten hangen.

Ineens voel ik me met boom en bijen verbonden – niet als een openbaring, maar als een rustig besef dat al zoemend tot me doordringt

Ik blijf enige tijd doodstil staan, m’n hoofd tussen de takken van die hazelaar. Ik realiseer me dat de boom en de bijen één zijn, dat ze elkaar nodig hebben om verder te komen, dat ze verbonden zijn. Ineens voel ik me met boom en bijen verbonden – niet als een openbaring, maar als een rustig besef dat al zoemend tot me doordringt. Het gaat niet om mij als persoon, het gaat om met wie of met wat ik me verbonden weet. We zijn knooppunten.

Verlies jezelf in de natuur

Om niet verloren te gaan in technologie dienen we ons te verliezen in de natuur. Daarom de volgende oefening:

Dag 1:

1. Schijnt de zon? Ga naar buiten, zonder mobiele telefoon.
2. Zoek een bloeiende boom of struik in de buurt - die vind je door te gaan wandelen en goed op bomen en struiken te letten. Kom je er niet uit? Vraag een voorbijganger, misschien weet hij of zij een bloeiende boom of struik te staan.
3. Heb je een boom of struik gevonden? Blijf er dan enige tijd (minstens vijf minuten) bij staan of zitten.
4. Gebruik je zintuigen: wat zie je? Wat hoor je? Wat ruik je? Wat voel je? Het geeft niet als je er niet in komt, morgen is er weer een dag.
5. Vervolg naar eigen inzicht je weg.

Dag 2:

Schijnt de zon? Doe de oefening nogmaals, en neem nu iemand mee. Want delen is een vorm van verbinden.

Foto: Peter de Kan

Mijn geplande wandeling in het Adriaan Tripbos (waar je met gemak een halve dag kunt rondlopen) komt zo na een kleine kilometer vrijwel tot stilstand. Want na die eerste hazelaar zie ik ineens veel meer katjes aan andere bomen. En bloesems. En…

Ik moet mezelf na twee uur lostrekken uit dit bos.

Terug in de stad blijkt het baltsseizoen van de drilboor te zijn begonnen.

***