Leven met de zee
Sanne Dijkstra’s toekomstvisie op het platteland van Groningen
Sanne Dijkstra is architect, hij werkt voor het bureau vector-i. Zijn afstudeeronderzoek werd in 2024 genomineerd voor de Archiprix. In dat onderzoek, De Nieuwe Wierde, schetst Dijkstra een toekomstbeeld waarin Groningen de zee omarmt. Op een hoog abstractieniveau kijkt hij kritisch naar huidige systemen en onze manier van leven, om vervolgens in zijn rol als ontwerper uit te komen bij praktische oplossingen.
Het is 2030. Waar iedereen bang voor was, gebeurt: het zeewater breekt door de dijk heen. Door de gaswinning is de Groninger bodem steeds verder gezakt. De biodiversiteit neemt bijna net zo hard af als de verzilting toeneemt. Boeren zijn radeloos, hun woede richt zich op de NAM. Met trekkers en shovels breken ze door de hekken van de verlaten gaslocatie bij Leermens en vernielen de installatie.
Het klinkt als een dystopische film, maar in werkelijkheid is dit toekomstbeeld afkomstig uit het afstudeerproject van architect Sanne Dijkstra. Daarin schetst hij zijn toekomstvisie op het platteland van Groningen, waarbij het leven van de bewoners in balans is met de natuur en met de omgeving. Het gaat over de schaal van gebouwen, over duurzaam bouwen met gebruikte, lokale en biobased materialen, maar ook over hoe we omgaan met de zee, landbouw en ecologie. ‘Je had op elk van die aspecten apart kunnen afstuderen’, beaamt Dijkstra.
De Nieuwe Wierde, zoals zijn afstudeerproject heet, is naast breed ook gelaagd van opzet. Op een hoog abstractieniveau kijkt de architect kritisch naar huidige systemen en onze manier van leven, om vervolgens in zijn rol als ontwerper uit te komen bij praktische oplossingen.
Het overstromingsrisico voor Groningen, tussen 2020 en 2050
Dijkstra koos bewust voor een project waarbij hij de verschillende ingrediënten met een verhaal aan elkaar verbindt. Een verhaal over boeren die hun land zien verzilten, verzakken en verarmen. Ze komen in opstand en rekenen af met het oude, duidelijk niet meer werkende systeem. Daaruit volgt een optimistisch toekomstbeeld waarin mensen weer met de zee leren leven. Bovendien laat Dijkstra zien dat zo’n toekomst helemaal niet buiten handbereik ligt.
De veelzijdigheid van zijn onderzoek past bij de architect. Na een mbo-opleiding en een bachelor Bouwkunde werkte hij, als bouwkundige, tekenaar en projectleider voor architecten en bouwkundige bureaus. ‘Toen mijn kinderen werden geboren, bedacht ik me dat ik eigenlijk heel graag architect wilde worden. Het vaderschap gaf me richting en bracht helderheid over wat echt belangrijk voor me is.’ Hij schreef zich in voor de master Architectuur aan de Academie van Bouwkunst en combineerde de studie met zijn baan en jonge gezin.
Het had trouwens ook landschapsarchitectuur kunnen zijn, voegt hij toe – misschien dat hij dat ooit nog eens gaat studeren. Het zou een verdieping zijn op alles wat volgens Dijkstra binnen de architectuur al samenkomt: de technische kant, maar ook de filosofische, ecologische en sociale.
Volhouden, samenwerken of opgeven
Toen Dijkstra aan zijn afstudeeronderzoek begon, viel het hem op dat ons hedendaagse denken en doen grotendeels gebaseerd is op een schuldgevoel. ‘Vanuit de gedachte dat ons handelen negatieve gevolgen heeft, dat we de aarde vervuilen en tekortdoen, proberen veel mensen hun invloed te beperken. Ik heb geprobeerd dat anders te beschouwen en het om te draaien: hoe kunnen we een positief effect op onze omgeving bewerkstelligen?
Daarnaast wilde hij iets doen voor de Groningers. ‘Waar heeft de natuur het meest geleden? Dat is misschien wel in de provincie Groningen, en misschien wel in het bijzonder bij zo’n gaslocatie als die in Leermens.’
In zijn afstudeeronderzoek schetst Dijkstra drie mogelijke toekomstscenario’s voor Groningen: Volhouden, Samenwerken en Opgeven. In het scenario ‘Volhouden’ moeten het grondgebied en de bestaande functies koste wat kost beschermd worden. Met een harde grens van superdijken, ophogingen in het landschap en omvangrijke zoetwaterreservoirs wordt het zeewater buiten de deur gehouden.
Het scenario ‘Opgeven’ gaat uit van een situatie waarin de verdediging van het land tegen de zee niet meer haalbaar is. Om mensen, dieren en de economie in veiligheid te brengen, trekken bewoners zich terug en geven ze het land aan de zee.
Tussen deze twee uitersten bestaat het scenario ‘Samenwerken’, dat uitgaat van een zachte en dynamische overgang tussen land en zee. Mensen laten het zeewater gecontroleerd toe, waardoor adaptieve en dynamische landschappen vol diversiteit tussen zout, zoet en brak water ontstaan.
Leermens, voor en na het toelaten van zeewater // Model van klei
Hoe zou dat laatste scenario er in Groningen uit kunnen zien? Voor zijn afstudeerproject onderzocht Dijkstra voorbeelden uit Groningen zelf, maar ook uit India. Daarnaast haalde hij inspiratie uit Zwitserland, Brazilië, Peru en Mexico. Inheemse bevolkingsgroepen als de Huni Kuin en de Yawanawa uit Brazilië, de Shipibo uit Peru en de Huichol uit Mexico leven in diepe verbinding met de natuur. Hun cultuur is door westerse invloed zwaar onder druk komen te staan. Toch weten zij al honderden jaren te overleven, dat inspireert de architect. ‘Toen ik bij de Shipibo in de Amazone op bezoek was, voelde ik dat zij in contact met de natuur leven, en dat dit geen theoretisch verhaal is, maar ze dit echt vanuit hun kern zo ervaren.’
Waar wij bezig zijn onze invloed op de natuur te beperken vanwege de negatieve gevolgen ervan, zag Dijkstra hoe eeuwenoude culturen hun invloed op de natuur juist gebruiken om een positief effect te bewerkstelligen. Met hun manier van landbouw bedrijven versterken deze bevolkingsgroepen bijvoorbeeld de biodiversiteit.
Neem de Kuttanad in India, die een systeem ontwikkelden waarin ze met kwelders werken, zoals we dat vroeger ook in Groningen deden. ‘Dan zie je dat je ze daar én van kunnen leven én dat de biodiversiteit is toegenomen. Waar wij denken: we moeten de invloed van de zee beperken, denken de Kuttanad juist: het moet nog meer.’
Arm, onherbergzaam gebied
Rond het begin van de jaartelling leefden de Chauken in het huidige Groningen. Plinius de Oude beschreef de kweldergebieden van Groningen en Friesland toen hij er per schip doorheen reisde. De lokale bevolking woonde op hoge wierden die ze eigenhandig hadden opgeworpen, schreef hij: zo hoog als de hoogste waterstand die ze hadden meegemaakt. De Chauken hadden geen vee, konden geen gewassen verbouwen en er viel niets te jagen, behalve op de vis die bij eb achterbleef. Het gebied was arm en onherbergzaam. ‘Zo gaat het inderdaad: het lot laat veel mensen in leven om ze te straffen’, schreef Plinius.
De Romein schetste hiermee nou niet bepaald een rooskleurig beeld van het leven in de kwelders van Noord-Nederland. Waarom is dat beeld zo hardnekkig? Dat is interessant, vindt Dijkstra. ‘Leven met de vloed klinkt natuurlijk heftig en ruig, maar de vraag is of het echt zo zwaar was.’
Hij verwijst naar het onderzoek van Annet Nieuwhof, postdoctoraal onderzoeker en docent aan de Rijksuniversiteit Groningen, waaruit blijkt dat de door Plinius beschreven bewoners het best wel goed hadden. ‘Ze leefden in een dynamisch kustlandschap, net als de Kuttanad nu. En de Kuttanad hebben een veel rijker palet aan voedsel, biodiversiteit, landschap en cultuur dan wij, omdat we dat hier inmiddels zijn kwijtgeraakt.’
Het verschil tussen de kwelders in India en het cultuurlandschap van Groningen zit volgens Dijkstra vooral in het waarderen van sleutelsoorten, de kenmerkende elementen van een landschap. Het Groninger landschap is door de mens gemaakt. In het ene vakje vind je raaigras en koeien, in het andere aardappelen. Al met al best een woestijn. Dat komt omdat we de culturele sleutelsoorten van Groningen, de zee en de klei, niet hebben omarmd. Die zorgden voor een rijke bodem, maar wij sloten ons af voor de zee met een knetterharde grens.
Leermens: monoculturele landbouw en oorspronkelijke kweldergeul die nu zoetwatergeul is
Ook de Kuttanad vormden zelf hun omgeving, maar namen daarbij de bestaande basisprincipes als uitgangspunt. Ze creëerden structuren met ophogingen in het landschap, zodat het gebied leefbaar blijft terwijl het zeewater toegang krijgt. Er zijn verschillende bassins met hoogteverschillen waardoor er voldoende voedingsstoffen binnenkomen.
De ophogingen van de Kuttanad doen denken aan de Groninger wierden, relieken van vroeger. Nu zijn het elementen in het landschap die niets meer met de zee te maken hebben.
En het gaat allemaal over de zee, legt Dijkstra uit. ‘De zee is onze voedingsbodem. We wonen eigenlijk op de zeebodem. Doordat die zee hier vroeger was, konden boeren de afgelopen tweehonderd jaar maximaal die aardappelproductie uit de grond halen. Nu de grond uitgeput raakt is de hamvraag: laten we de zee weer toe of niet?’ We zijn tenslotte een watercultuur, maar houden dat water ondertussen angstvallig buiten de deur.
Hoort het niet juist bij de Nederlandse cultuur om dat verleden zo rigoureus de rug toe te keren? ‘Dat past wel bij onze ingenieursmentaliteit’, beaamt Dijkstra. ‘Maar het blijft goed om te kijken naar waar je wortels liggen. Hier: in de klei. Je moet niet terug naar het door Plinius omschreven ploeteren, hoewel dat dus wat genuanceerder ligt, maar de methodieken van toen, de manier van leven, kunnen we opnieuw introduceren en combineren met nieuwe technologieën.’
Zoet en zout
In het verhaal dat als een rode draad door zijn afstudeerproject loopt, komt die verandering niet voor niets vanuit de boeren zelf. Dijkstra koos de verlaten gaslocatie bij Leermens uit als decor. Het beeld van de moderne boortoren naast de oude wierde staat voor hem symbool voor het leven van vroeger, dat meer in balans was met de zee, en het huidige systeem, waarin we de aarde uitputten.
‘Ik liep er veel rond en zag hoe boeren daar met hart voor de zaak werken. Het zijn vooral moderne veehouderijen waarbij de vorige generatie het roer omgooide. Van werken met de grond naar efficiënt precisieboeren met kunstmest. De huidige generatie werkt keihard om de boerderij door te kunnen geven aan de volgende.’ Dijkstra zag hoe de boeren onder druk staan om bijvoorbeeld grote investeringen te doen en melkquota te halen. ‘Ze zitten vast in een systeem waarbij je het roer niet zomaar omgooit. Het is geen makkelijk bestaan.’
Oorspronkelijk buitendijks moerasgebied in Groningen
De huidige landbouw is gericht op zoete teelt, en dat houden we strikt gescheiden van zout water. Zout is tenslotte niet goed voor de aardappelen. Omdat de bodem desondanks verzilt, wordt die vorm van landbouw bedrijven steeds lastiger. Toch ziet Dijkstra steeds meer experimenten rond zouttolerante landbouw.
Neem Erik Moesker, die in Bierum tussen twee dijken experimenteert met gewassen als zeekraal. Net als de Kuttanad werkt Moesker met bassins, waardoor er een systeem met verschillende zoutgehaltes ontstaat. In het ene bassin zorgen vissen en garnalen voor voedsel voor de zeegroenten, die weer zuurstof leveren aan de zeekraal of zeewier in een ander bassin. Misschien ligt daar een deel van de oplossing, en moeten we wat meer zeekraal eten en wat minder aardappelen.
De ideale schaal
Niet alleen ons voedselpalet, maar ook onze gebouwen kunnen we aanpassen aan de kenmerken van het landschap. De Zwitserse architect en hoogleraar Gion Caminada onderzocht in zijn geboortedorp Vrin hoe je een stabiel biologisch systeem creëert in het buitengebied, of de periferie, zoals Caminada het zelf noemt. Volgens hem is het van belang aan te sluiten bij de meerwaarde van een plek, de karaktertrekken ervan, waarbij je het evenwicht bewaart tussen een model dat economisch haalbaar is en de impact op de omgeving.
Uit Caminada’s onderzoek kwam een ideale schaal voor boerderijen naar voren. ‘Die sluit perfect aan bij die van de oude Groninger boerderijen die iedereen zo prachtig vindt’, concludeert Dijkstra. En nee, de moderne trekkers passen niet meer door de schuurdeuren. Dus je moet het willen: niet steeds groter, maar juist een kleinere trekker. En iets minder land, waar je dan wel weer goed van kunt leven.
Een tweede conclusie die Caminada trekt is dat investeren in een autonoom opererende periferie zowel de stad als het buitengebied versterkt. Volgens de architect is het huidige systeem, waarbij de grondstoffen en het geld van het platteland linea recta naar de steden gaan, gebaseerd op een denkfout.
De wereldwijde verstedelijking heeft een parasitaire werking op de periferie, die wordt leeggezogen voor de welvaart in steden. Terwijl uit het onderzoek van Caminada blijkt dat een autonoom platteland, dat opereert vanuit haar bestaande kwaliteiten, een impuls geeft aan zowel de woon- en leefkwaliteit van de stad als het buitengebied. De interactie wordt levendiger. Het is hierbij wel van belang om op delicate wijze om te gaan met de kwaliteit van het gebied, benadrukt Caminada. Er mogen geen nieuwe steden of zielloze suburbs ontstaan.
‘Je moet ervoor zorgen dat dorpen niet gentrificeren’, legt Dijkstra uit. ‘Dat doe je door heel zorgvuldig te kijken naar de kwaliteiten, de kenmerken, van het gebied. Wat leeft er, wat groeit er? Hoe kun je dat sterker maken op de juiste schaal?’
Neem het dorp Vrin, waar Caminada zelf vandaan komt. Dit was op sterven na dood. Door samen te werken met boeren en andere lokale ondernemers kon de architect het tij keren. Caminada ontwierp en bouwde simpele schuren waarmee de lokale bevolking hun bedrijvigheid een impuls kon geven. Vrin is niet te groot geworden, en leeft weer.
Een werkplaats, een baken en een restaurant
Voor zijn afstuderen ontwierp Sanne Dijkstra drie verschillende gebouwen, op passende schaal, gemaakt van hergebruikte en lokale biobased materialen met functies die de meerwaarde van Groningen versterken. De rijke geschiedenis van het gebied, de gelaagde bodem, de inspiratie van verschillende inheemse volken en landbouwpioniers en de conclusies van Caminada verbond hij aan elkaar met een zelfverzonnen verhaal over in opstand komende boeren.
‘Toen ik met al die verschillende aspecten als bouwstenen mijn afstuderen aan het construeren was, werd me gevraagd hoe dat zou moeten worden georganiseerd. Top down? Zo van: en nu gaan we de dijk doorbreken, dus die bewoners moeten daar weg en vervolgens daarheen? Dat kan dus niet.’
Omdat Dijkstra een verhaallijn nodig had om alle ingrediënten samen te voegen, schreef hij een verhaal vanuit het perspectief van de plaatselijke bevolking. ‘Het is zelf verzonnen, maar zo zou het kunnen gaan. Het is gebaseerd op mijn eigen standpunt, ik denk dat dit de beste voedingsbodem voor verandering is.’
Het begint met de boeren die in opstand komen tegen de gevolgen van de gaswinning. Ze breken door de hekken heen om hun woede te koelen op de verlaten gaslocatie bij Leermens. Overigens is die locatie in werkelijkheid op dit moment al eigendom van boeren. Ze verhuren het aan de NAM, een gouden koe die bijna meer oplevert dan de melkkoe.
De gaslocatie in Leermens met zoetwaterbuffer
In zijn afstuderen gaat Dijkstra ervan uit dat de wil van de bevolking groot genoeg is om iets collectiefs te willen doen met de locatie, en de gouden koe te laten voor wat die is. Ze slopen de constructie en laten de zee weer toe. In de kwelder bouwen ze, met het materiaal van de gesloopte gaslocatie, een werkplaats waar boeren kunnen experimenteren met hun gewassen.
De oude gaslocatie ligt wat hoger in het landschap. En doordat de plek zich behoorlijk ver van de huidige kustlijn bevindt, loopt het alleen met stormvloed onder water. Door de vervuilde grond te gebruiken als bouwmateriaal, ontstaat bovenin een gat. Net als de oude wierden krijgt de oude gaslocatie zo een ‘dobbe’, een soort put die als zoetwaterbuffer dient.
De boeren planten riet en lisdodde om de rest van de grond te reinigen. Het riet gebruiken ze vervolgens om de oude gastoren te bekleden. Deze steekt nu als een herkenningspunt of baken boven het landschap uit. Als de werkplaats verder groeit en de boeren kunnen leven van wat het nieuwe systeem hen te bieden heeft, steken ze de riettoren in brand. Een oud ritueel om het nieuwe te vieren.
In de kwelder wordt met het materiaal van de gesloopte gaslocatie een werkplaats gebouwd waar boeren kunnen experimenteren met hun gewassen
Als derde gebouw ontwierp Dijkstra een restaurant. Hier zitten de bewoners bij elkaar aan tafel, proeven ze hun nieuwe gewassen en proosten ze op het nieuwe leven waarin ze de zee toelieten, terwijl ze zelf besloten te blijven en met het water te leren leven.
Dijkstra deed onderzoek naar de juiste schaal en methoden om de gebruikte materialen te combineren met lokale, biobased grondstoffen. Doordat de zee af en toe tegen het beton knalt, brokkelt dit af, en kun je het gebruiken om opnieuw mee te metselen. Het staal kun je uit elkaar schroeven en er met nieuwe verbindingen grote overspanningen van maken. Groot genoeg in ieder geval voor een lange tafel waar iedereen kan aanschuiven.
In het restaurant zitten de bewoners bij elkaar aan tafel, proeven ze hun nieuwe gewassen en proosten ze op het nieuwe leven waarin ze de zee toelieten
Moeilijk voor te stellen
De toekomstvisie die Dijkstra schetst, lijkt soms utopisch. Maar doordat het verhaal uit verschillende bouwstenen bestaat, blijft het behapbaar. Je kunt er een of meer aspecten uithalen om in praktijk te brengen.
Zo zou je net als Erik Moesker kunnen experimenteren met zouttolerante landbouw. Of je kijkt net als Gion Caminada naar de schaal van een schuur en bouwt op deze wijze. Of je maakt, net als Sanne Dijkstra voor ogen heeft, op laagdrempelige wijze een ontmoetingsplek of waterbuffer van een oude gaslocatie.
Om zich heen ziet Dijkstra al veel verschillende initiatieven ontstaan waarin mensen elkaar opzoeken om hun voedselvoorziening of woonomgeving te organiseren op een andere wijze dan nu gangbaar is. Daarbij zoeken ze ook vaak de samenwerking met een architect. Denk aan collectieve woonprojecten of verblijfsruimtes bij voedselbossen en moestuinen. Een onderstroom die uiteindelijk tot een momentum leidt waarin we het roer rigoureus omgooien, denkt Dijkstra.
Kaart van Noord-Groningen met toekomstscenario
Dat rigoureus omgooien gaat dieper dan de momenteel opduikende initiatieven. En het zal soms schuren. Neem als voorbeeld de terugkeer van de wolf. ‘Net als water behoorde hij tot onze natuur. En net als het opnieuw leren leven met de zee, zorgt zijn terugkeer voor frictie. Niemand juicht bij al die gedode schapen. Dan is het moeilijk om een stap terug te doen en niet meteen in te grijpen.’
Maar in een ecosysteem gaat het altijd over de lange termijn. Het is moeilijk voor te stellen hoe alles in de wereld met elkaar samenwerkt. De bijdrage van de wolf of de zee aan het geheel is soms niet te overzien. In andere culturen, zoals de verschillende Zuid-Amerikaanse bevolkingsgroepen of de Indische Kuttanad, is het vanzelfsprekender om de wereld vanaf een hoger abstractieniveau te beschouwen.
Ter illustratie noemt Dijkstra de documentaire The Biggest Little Farm, waarin een familie wordt gevolgd bij het opzetten van hun eigen biologische boerderij. Elk jaar worden ze geteisterd door plagen en mislukte oogsten. Na weer een muizenplaag zijn ze wanhopig. Het geld is op en alle gewassen zijn vernield, maar ze weigeren bestrijdingsmiddelen te gebruiken. En dan… gaat de oogst het daaropvolgende jaar goed. De gangen die de muizen ondergronds gegraven hebben, blijken een enorme stimulans voor de biodiversiteit.
De Nieuwe Wierde is ook zo’n manier om tot die abstracte totaalverandering van leven en systemen te komen. Dijkstra noemt het zelf een vrije slag van hoe het zou kunnen gaan, en een breed idee dat overal, deels of in zijn geheel, toepasbaar is. Zo zou Groningen de letterlijke voedingsbodem voor verandering kunnen zijn.
Alle beelden zijn afkomstig uit het afstudeeronderzoek van Sanne Dijkstra