5 maart 2021 Leestijd: 3 minuten

Door het uitbreken van de coronapandemie had ik veel tijd om aan mezelf te werken en mijn eigen white privilege eens onder de loep te nemen. Er is een hoop huiswerk te doen voor de heteroseksuele witte man.

De feministe Pauline Harmange publiceerde onlangs haar pamflet Mannen, ik haat ze, waarin ik lees dat mijn heteroseksualiteit een kwaadaardige sociale constructie is. Die constructie moest worden afgebroken.

Om te beginnen heb ik maar eens met de buurman gezoend, maar dat voelde inderdaad als huiswerk. Ik zit volgens mij met mijn onverbeterlijke heteroseksualiteit opgescheept. Jammer.

Er waren nog een hoop andere dingen die niet deugden, dus ik pakte vol goede moed het volgende boek van mijn leesstapel. Het ging om Hallo witte mensen van Anousha Nzume. Daarin lees ik dat mijn ogen niet deugen. De aandoening waar ik aan lijd heet ‘de koloniale blik’.

Om daar iets aan te doen heb ik afgelopen maandag mijn zwarte werkster bloemen gegeven en haar mijn verontschuldigingen aangeboden voor het slavernijverleden. Het voelde goed om dit te doen, alleen is het probleem met zo’n schuldbekentenis dat het schuldgevoel er niet kleiner, maar juist groter van wordt.

Inmiddels maakt ze niet meer schoon bij mij, zoiets kan namelijk echt niet, maar ben ik aan de slag in haar huis en stofzuig ik ook bij haar vriendinnen. Institutioneel racisme is misschien niet weg te zuigen, maar een poging daartoe leek me toch sympathiek.

Inmiddels ben ik zo goed ingelezen in de materie van mijn witte privilege dat ik me ervoor schaam om in zo’n witte stad als Groningen te wonen. Een witte stad met witte helden. Aletta Jacobs bijvoorbeeld, de eerste vrouwelijke student en later eerste vrouwelijke arts van Nederland. Haar koloniale blik is vereeuwigd in een bronzen beeld op het plein voor het Harmoniegebouw in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat.

Daar kan zij niets aan doen, hoor ik u zeggen, iedereen was in die tijd racistisch. Maar niemand zou zich moeten verschuilen achter een tijdperk. De Duitsers zeggen toch ook niet: ‘Sorry voor de Holocaust, maar zo was de tijd nou eenmaal.’

Weg dus met die vrouw en omsmelten dat beeld. Daar kunnen we dan mooi een monument van maken op de plek waar in Groningen slavenschepen zijn gebouwd. Vlak naast het Noorderplantsoen, in de Werfstraat. Dat het slavenschip nooit voorbij de verdedigingswerken van het Reitdiep is gekomen, is natuurlijk typisch Gronings. Mee willen doen met de grote jongens, maar daar vervolgens hopeloos in falen.

Mijn ogen zijn inmiddels wagenwijd open, ik ben zelfs zo wakker dat ik er niet van kan slapen. Nu pas besef ik hoezeer de witte man en vrouw schuldig zijn aan alle ellende op deze wereld. Die schuld is zo groot dat ik even heb overwogen om harakiri te plegen. Ik zag het eerlijk gezegd al helemaal voor me, vredig gezeten onder de kersenbloesem met een ondergaande zon.

De reden dat ik twijfel is dat ik bang ben postuum te worden beschuldigd van cultural appropriation. Dat nooit, dan zou alles voor niets geweest zijn. Dan ga ik, ondanks mijn afkeer van schoonmaken, nog liever tot in lengte van dagen in de weer met microvezeldoekjes en allesreiniger in het huis van mijn voormalige werkster.

***