11 november 2021 Leestijd: 6 minuten

Landschapsarchitect Marc Nolden onderzocht jarenlang steden en hun stegen, en projecteerde die ervaring op Groningen. Hoe liggen onze stegen en gangen erbij? En gaan we op een goede manier met ze om? Wat hij hier tegenkwam choqueerde hem, maar bood ook perspectief.

Stegen zijn fascinerende ruimtes. Althans, dat vind ik, als landschapsarchitect met een liefde voor de stad. Al jaren doe ik onderzoek naar deze smalle straatjes, het zijn de kleinste vertakkingen van het verstedelijkte landschap. Het zijn plekken tussen publiek en privaat in. Niet per se mooi, wel spannend, en in cultureel opzicht uitermate interessant.

Stegen vertellen mij iets over de ziel van de stad. Ik heb er honderden gezien, in binnen- en buitenland. Het zijn spiegels van de stad, ze liegen nooit. Tegen stadsbestuurders en bouwmeesters zeg ik vaak: ‘Breng mij naar uw stegen, en ik vertel wat voor stad u bent.’

Stegen zijn tijdmachines, ze zijn eeuwenoud, soms ouder dan de stad zelf. Ooit waren het voetpaadjes in de nog losjes bebouwde (ommuurde) stad. Ze verbonden plekken van handel en religie met elkaar. Met de ontwikkeling van de stad ‘versteenden’ ze tot straatjes, de stad plooide eromheen.

Later werden ook nieuwe stegen aangelegd, die kleine woningen, kameren, in de binnenterreinen achter de doorgaande straten ontsloten. Sommigen stegen werden overkluisd of bebouwd, met behoud van een doorgang. De verdichting van de stad ging hand in hand met het gebruik van stegen. Dit gebeurde overal: in Groningen, Utrecht, Gent en Marrakesh.

In de stegen was het armoedig maar bovenal bedrijvig. Er werd gewoond, gewerkt, gewandeld en gehandeld. Hoewel steden zijn veranderd is hun geschiedenis en ontwikkeling vaak nog goed af te lezen aan de stegen – ondanks, of eigenlijk dankzij, het slechte onderhoud ervan.

Niet in de drukke en strak geplaveide straten, maar juist in de luwte, in de schaduw van de stad, voltrekt zich het ware stedelijke leven

In 2019 deed ik onderzoek naar de situatie in ruim 300 stegen, gangen en sloppen in Utrecht, een van de grootste stegennetwerken van West-Europa. Ik ontdekte een tweede (luwe) stad, verscholen achter de grote straten en pleinen. Een wondere wereld waar mensen, planten en dieren op hun eigen manier en tempo leven. Het is er niet altijd fris en schoon, maar het zijn echte leefruimten. Ze horen bij de stad.

Hier komen mensen thuis, worden restaurants gerund, mag de natuur groeien, hangt de was te drogen, klinkt muziek, wordt gevloekt en getierd, schommelen kinderen, spinnen katten en geven verliefde stelletjes elkaar een eerste kus. Er wordt gelachen, gehuild, geruzied, gebruikt, gekotst en gevreeën. Hier voltrekt zich het ware stedelijke leven, was mijn conclusie. Niet in de drukke en strak geplaveide straten, nee, juist hier in de luwte, in de schaduw van de stad.

Sfeerbeelden van het Utrechtse stegenleven // Foto's: Marc Nolden

In een interview op Radio 1 stelde ik dat het bezitten van een dergelijk netwerk een geschenk is, maar dat het ook een opdracht inluidt. Het is als stad je plicht om goed (of eigenlijk beter) voor dit erfgoed te zorgen – dat geldt voor vrijwel alle Nederlandse en Vlaamse steden – en tegelijkertijd om de kwaliteiten en het potentieel ervan beter te benutten. Met name in het licht van opgaven als klimaatadaptatie, biodiversiteit, mobiliteit en stedelijke verdichting.

Een groot aantal stegen ligt er slecht bij, of is afgesloten met hekken, door een sluipend proces van privatisering. Mijn oproep: claim ze terug, heropen ze, activeer ze. Maak ze weer onderdeel van je routing in de stad, benut hun koelte (met name in de zomer), vergroen ze, laat er hemelwater inzijgen, programmeer ze, hang er kunst op, verlicht ze, overkluis ze eventueel met spannende woningen of ateliers; breng ze tot leven, maak er weer échte publieke plekken van.

Mijn pleidooi raakte een snaar. In de maanden die volgden adviseerde ik diverse steden, van Deventer tot Heerenveen, over de omgang met hun stegen. Ik werd de ‘stegenman’. Het lukt me om deze smalle ruimten te ontdoen van hun negativiteit, en ze als een asset, een instrument, te zien.

Toolbox met kansen en perspectieven voor de steeg, met betrekking tot zichtbaarheid, doorwaadbaarheid, vergroening, programmering en bebouwing // FREELANdSCHAP

Niet lang daarna belde Mare Nieborg uit Groningen, die als toekomststrateeg vanuit een denktank de stad adviseert over de ruimtelijke koers en het belang van identiteit of DNA daarin. Ik was blij dat ze belde. Niet in de laatste plaats omdat ik een geboren Groninger ben en graag nog eens iets voor mijn oude studentenstadje wilde doen. Bovendien werkte ik er destijds als fietskoerier, ik kende de stad en vrijwel alle stegen en doorsteekjes als mijn broekzak. Ik was oprecht benieuwd hoe het met ze gesteld was.

We spraken af op een frisse voorjaarsdag en twintig jaar nadat ik de stad verliet voor een studie in Wageningen, toog ik weer door Stad. Ik zag tientallen stegen, waaronder de Papengang, Donkersgang, Achter de Muur en de plek waar eens de Naberpassage liep. Ik herinnerde me de Groningse stegen als charmante rafelranden en frivole achterkanten, met kroegen en bedrijfjes, maar zag nu hoofdzakelijk ontzielde en verstoken plekken.

Impressie van de Groninger gangen en stegen // Foto's: Marc Nolden

Er was veel leegstand, ik zag dichtgetimmerd panden en braakland. Er was amper leven, en weinig poëzie. Het viel me op hoe de kenmerkende gele stadsvloer zó consistent is doorgevoerd dat vrijwel alle sfeernuance en eigenheid in de stegen verdwenen is. De gevels, soms splinternieuw, waren raamloos of dichtgeverfd; ze detoneerden de steeg.

In een aantal historische binnenplaatsjes waren woonblokken voor studentenhuisvesting, zonder enige vorm van kwaliteit, als blinde tetrisblokken in een hoek gedrukt – terwijl ernaast nog prachtige historische panden leeg en op instorten stonden.

Die middag zag ik in de stegen een schizofrene, radeloze, welhaast failliete stad. Ik had veel gezien in al die jaren, maar dit nog nooit. De gemakzucht, onverschilligheid en liefdeloosheid raakten me. Ik kon dit beeld niet rijmen met dat van nog geen honderd meter verderop, rond het Forum, waar met hulp van vele partijen (en vreemd vermogen) miljoenen wordt geïnvesteerd in blitse gebouwen en glanzende openbare ruimten. Waarmee mooi weer wordt gespeeld.

Ondertussen glipt de ware stad je door de vingers, en gaat ook letterlijk een stuk van je tastbare verleden – je ziel – verloren.

Dus, beste stadsbestuurders, een hartekreet van een oud-Groninger die de stad een warm hart toedraagt: vergaloppeer je niet aan de grote projecten, ken uzelve, lees je stegen, neem ze als vertrekpunt bij het maken van visies en plannen. Ze zijn je geschiedenis en je toekomst. Zorg er goed voor, gebruik ze, vind ze opnieuw uit. Vergroen ze, activeer ze, kus ze wakker. Er kan zo veel meer mee.

Ik heb honderden voorbeelden en duizend ideeën. Laat me helpen.

Utrecht, Begijnesteeg, voor en na opknapbeurt // Initiatief en ontwerpbouwstenen: FREELANdSCHAP // Uitvoering: Gemeente Utrecht i.s.m. horeca-ondernemer

***