17 november 2022 Leestijd: 13 minuten

Als een architect mensen wil huisvesten, zegt Peter de Kan, dient hij of zij onder ogen te zien dat de grond waarop dat gebeurt aan meer organismen dan alleen mensen toebehoort. En dat alles met elkaar samenhangt. Een pleidooi voor tegendraadse architectuur, in een verhaal over bomen, weefsels, bewoners en grond.

Oktober 2022. Het is weer zomer en ik sta aan de rand van het Engelse Park. Deze nieuwe buurt ligt op de plaats waar vroeger twee van de vier kantoorflats stonden van wat toen nog de IB-groep heette.

In de tijd van Bommen Berend, de aanvalslustige bisschop van Münster, had je hier de Kempkensberg, een hoger gelegen stuk land. Hij zette er zijn kanonnen op en begon Groningen te beschieten. Het liep nog goed af ook.

Toch is die berg (het was natuurlijk niet meer dan een bult) kort daarna met de grond gelijkgemaakt. Er kwamen uitgebreide verdedigingswerken voor in de plaats. Het Helperdiepje is hier nog een overblijfsel van. Bij voltooiing waren die verdedigingswerken trouwens al door de tijd ingehaald; oorlog werd inmiddels met andere middelen gevoerd.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren op deze plek Engelse soldaten geïnterneerd. Omdat Nederland neutraal was, vluchtten ze hiernaartoe. Ze moesten de resterende oorlogstijd in ons land blijven. Het Engelse kamp bestond uit houten barakken.

Tegenwoordig is van het kamp niets meer over, op een overblijfsel van de entree na, aan de Hereweg, naast de Van Mesdagkliniek. Ook de naam van de weg achter de kliniek herinnert eraan. Sinds kort is daar de woonbuurt Engelse Park aan toegevoegd. Stadsdichter Lilian Zielstra schreef een gedicht over deze plek, dat ik mocht thuisbrengen. Daarom weet ik nu iets over de enorme gelaagdheid van dit deel van Groningen.

Bomen als basis

Ik denk dat over vrijwel elke plek in ons land een gelaagd verhaal te vertellen is. Je diept het op uit de archieven of je leest het af aan het landschap. En toch is het ook dan nog maar een klein deel van het verhaal.

Met dat in het achterhoofd wil ik het hier even hebben over de rand van het Engelse Park. Daar staat namelijk een aantal monumentale bomen, ze zijn zorgvuldig meegenomen in het ontwerp van de buurt. De bomen stonden er al, en ze staan er nog steeds. Dat is nog altijd eerder uitzondering dan regel.

Het huisje waarin het gedicht van Lilian nu woont, staat vlakbij een grote, wijd uitgegroeide boom met groot geveerd blad. Aan het eind van de zomer laat hij zijn blad los en vallen de zaden extra op. Ze hangen in donkere strengen aan de takken.

Zodra je een boom een keer echt goed in de ogen hebt gekeken, blijft­–ie je bij

Als je zo’n streng door je gesloten hand trekt, heb je een handvol van die zaden vast. Ze zijn heel licht, elk zaadje lijkt een pitje met twee vleugels. Daar heeft deze boom zijn naam aan te danken: de gewone vleugelnoot. Maar het is maar net wat je gewoon noemt. Ik ontdekte deze boomsoort voor het eerst midden in het Noorderplantsoen, een aantal jaren geleden. En ik vind ‘m juist bijzonder. Ik hoop er binnenkort uitgebreid op terug te komen.

Verderop in de rand het Engelse Park staan drie hoge, ranke bomen bij elkaar. Hun kronen smelten samen, het lijkt daardoor net of er één boom staat. Pas als je beter kijkt zie je dat het een groepje is dat hier bij elkaar is gezet.

De bomen hebben kleine geveerde bladeren, op een afstandje lijken het naalden – maar dat zijn het niet. Dit zijn moerascipressen. Ze worden vaker in drietallen geplant. In Paddepoel, aan de Morgensterlaan, tegenover Park Selwerd, staat ook zo’n groepje. En ook daar lijkt het in eerste instantie alsof er maar één staat.

Zodra je een boom een keer echt goed in de ogen hebt gekeken, blijft­–ie je bij. Sinds ik die gewone vleugelnoot in het Noorderplantsoen ontdekte (en me erover verbaasde dat–ie me niet eerder was opgevallen) zie ik ze op veel andere plekken in Groningen. In het dorpsbosje bij Ten Boer staat de grootste in de wijde omgeving, echt een gigant.

Die moerascipressen aan de Morgensterlaan waren in Groningen de eerste in hun soort. En ook deze bomen zie ik nu overal, het zijn opvallende verschijningen. Ik zag jonge exemplaren op de Zernike Campus en op bedrijventerrein Westpoort.

Een hele mooie rij volwassen moerascipressen, waar ik elke keer weer blij van word, staat aan de Bloemsingel. Ze zijn wel 10 meter hoog en ze staan er nog maar een jaar of twee. De bomen vormen de ruggengraat van de ov-hub die Koen van Velsen architecten hier ontwierp.

Nou zou ik Van Velsen kunnen vragen hoe hij tot dit ontwerp is gekomen. Maar ik vind het leuker om zelf te kijken en te bedenken hoe het in elkaar zou kunnen zitten. Als je het mij vraagt heeft de architect hier zitten borduren in het weefsel van de stad. Daarbij begon hij met een groene draad: die rij cipressen.

De lange lijnen in het stedelijk weefsel

Als architect moet je rekening houden met de groene draden die je aantreft op de plek waar je gevraagd bent te ontwerpen. Je gaat er vaak mensen huisvesten, natuurlijk, maar zorg dan dat je de huidige bewoners van zo’n plek niet hun huis uit jaagt.

Ik heb het over mensen, maar ook over mussen, moeraskikkertjes, walstro, vleermuizen, egels, esdoorns, bosbessen, dassen, eendagsvliegen, ogentroost, horzels, hermelijnen, Japanse duizendknoop, melkzwammen, mestkevers, korstmossen, waterspinnetjes, mollen, paardenbloemen, eekhoorns, bodembacteriën, driedoornige stekelbaarsjes, dagpauwogen, wilgentenen, wespen, oorwurmen, roodborstjes, regenwormen, zonnedauw, algen, berenklauwen, pissebedden, moerascipressen, naaktslakken en ander onkruid en ongedierte. Ik heb het over grondwaterstromen en over onbedekte, levende, aarde: grond.

Koen van Velsen is op deze plek dus met die groene draad begonnen. En hij bedacht ook meteen dat het geen dun draadje zou moeten zijn, nee: hij heeft er volwassen bomen neergezet. Een Groots Gebaar.

De eerste zomer dat ze er stonden was verschrikkelijk droog. Ik heb me werkelijk zorgen gemaakt, maar ze hebben zich in het tweede jaar geweldig hersteld. En nu staan ze daar alsof ze er altijd gestaan hebben.

Ik durf te beweren dat die rij bomen een plek veroorzaakt hebben. Er kan al gewoond worden. Ze vormen een lijn, een wand en een brug. Ze overbruggen de ruimte die door de hub wordt gebruikt. Ze maken ruimte en ze geven kwaliteit aan die ruimte. Van Velsen heeft er een tweede lijn naast gezet: een lijn licht. Voor elke boom een lichtpunt.

De bomen aan de Bloemsingel zetten mij op het spoor van het stedelijk weefsel en het idee van maken als weven. Inmiddels zie ik het overal terug in dit borduurwerk. Als je komt aanfietsen kondigt de ruimte zich in het wegdek aan; dat verandert van kleur, steeds bredere stroken nieuw wegdek nemen het van het oorspronkelijke over. Deze handeling zet zich voort in de fietspaden en trottoirs.

Het is geen plaatselijk trucje, het zijn lange lijnen. Het is inbedden en het is verbinden, dat is het spel dat hier gespeeld wordt. Horizontale en verticale lijnen: r u i m t e. En het is uitzoomen (waardoor de hub ingebed raakt in zijn omgeving) en inzoomen (tot op het niveau van de typografie, de belettering van de verschillende bushaltes aan toe).

Gedegen analyse als uitangspunt voor een goed plan

Nieuwsgierig geworden zocht ik tussen de plannen van de manifestatie Bouw Anders naar Koen van Velsen architecten. En ja hoor, het bureau zit ertussen, met een plan voor de verduurzaming van een aantal flats van woningcorporatie Patrimonium, aan de Platinalaan in Vinkhuizen.

In het plan zoomen de architecten al meteen uit: het verduurzamen van de gebouwen is nodig, maar als je groter kijkt zie je de wijk. Wat heeft die nodig om duurzamer te worden? Verduurzaming zou niet alleen een technisch vraagstuk moeten zijn, lees ik, juist ook de kwaliteit van de woonomgeving, woningtypen en wooncomfort zouden deel uit moeten maken van de verduurzamingsopgave.

Een uitgebreide analyse van het ontstaan van de wijk Vinkhuizen volgt. En belangrijker: de uitgangspunten bij het ontwerpen van die wijk worden opgegraven uit de archieven. Die gedegen analyse resulteert in een voorstel iets te doen met de kenmerkende blinde kopgevels in de wijk, maar ook in het voorstel het bouwblok in de geest van die uitgangspunten verder af te maken: met het terugplaatsen van een bomenrij in de wijk.

Het is het denken in lijnen, in de ruimte, in de tijd, waardoor de relatie tussen de begane grond van gebouwen en de buitenruimte in beeld komt. Of de relatie tussen individuele woningen en de gedeelde openbare ruimte. Een architect kan samenhang (mogelijk) maken en herstellen.

Naast het denken in lijnen is het kritisch herwaarderen van het bestaande een krachtig middel; daarmee geef je het groen in de buitenruimte meer betekenis en versterk je de relaties met de programma’s die zich in de bouwvolumes bevinden. Daarvoor moeten die programma’s een herschikking ondergaan. Het leidt tot een bewuste, nauwkeurige keuze voor ‘groen’, en die heeft programma: een voedselbos levert een actieve bijdrage aan de samenhang in een wijk.

Vanuit het hernieuwde besef dat alles met iets anders samenhangt volgt het inzicht dat we er met onze verkokerde specialismen niet meer uitkomen

‘Maak de buitenruimte weer publiek door programmatisch herschikken.’ En: ‘Het aanpakken van de relatie binnen-buiten transformeert de gevel vanuit de programmatische keuzes.’

Deze zinnen uit het plan voor de Platinalaan zijn inhoudelijk gedreven, alles is inhoudelijk gedreven in dit ontwerpvoorstel! De architecten kijken vanuit de uitgangspunten van toen naar de situatie van nu. Niet om terug te gaan, maar om verder te komen: het is uitgangspunten-inclusief bouwen, zoiets. En dat is een grote kwaliteit, vreemd genoeg.

De basis voor dit plan was een vraag: hoe kunnen we deze oudere gebouwen verduurzamen? Van daaruit zoomden de ontwerpers uit tot op de schaal van de wijk, zo komen het plaatselijk weefsel en ecosysteem in beeld. Vervolgens zoomden ze opnieuw in, tot op de balustrade van het individuele balkon; die wordt verbreed tot een vensterbank, zodat bewoners er planten op kunnen zetten.

Langs inhoudelijk relevante lijnen denken levert ruimte op. Het is het werk van een architectenbureau dat buiten de lijntjes durft te kleuren en ook de stedenbouwkundige en landschapsarchitectonische schaal overziet. Vanuit het hernieuwde besef dat alles met iets anders samenhangt volgt het inzicht dat we er met onze verkokerde specialismen niet meer uitkomen. Deze tijd vraagt om multidisciplinaire ontwerpteams of om breed getalenteerde ontwerpbureaus.

Het hele weefsel onder ogen zien

Ineens snap ik waar het me om te doen is: de geschiedenis van de plek waar ik mee begon, dat Engelse Park. Het is een menselijke geschiedenis. En als de geschiedenis van die plek de geschiedenis van een weefsel is (een ecosysteem kun je beschouwen als een ingewikkeld vier- of vijfdimensionaal weefsel van samenwerkingsrelaties) dan is dat menselijke verhaal daarin maar één draad.

Wij mensen zijn te vaak de rode draad van de geschiedenis. We zien alleen maar die rode draad! In onze archieven vind je weinig terug over de niet-mensen die er ook zijn geweest. Ik pleit er niet voor de geschiedenis te herschrijven, met inachtneming van het gehele weefsel (hoewel dat misschien niet eens zo’n gek idee is), ik pleit er juist voor te proberen het hele weefsel onder ogen te zien en mee te nemen in de volgende stap.

Over de schrijnende woningnood onder mussen, moeraskikkertjes, walstro, vleermuizen, egels, esdoorns, bosbessen, dassen, eendagsvliegen, ogentroost, horzels, hermelijnen, Japanse duizendknoop, melkzwammen, mestkevers, korstmossen, waterspinnetjes, mollen, paardenbloemen, eekhoorns, bodembacteriën, driedoornige stekelbaarsjes, dagpauwogen, wilgentenen, wespen, oorwurmen, roodborstjes, regenwormen, zonnedauw, algen, berenklauwen, pissebedden, moerascipressen, naaktslakken en ander onkruid en ongedierte hoor je veel te weinig. En er wordt veel te weinig aan gedaan.

Als architectuur wil huisvesten, dient ze onder ogen te zien dat er meer kostgangers om een woning verlegen zitten. Of juist zonder woning kunnen komen te zitten door het handelen van de architect. We komen er niet met alleen ‘biobased’ bouwen en een rijtje nestkasten aan de gevel. Lang leve de architect die verder gaat en ecotect durft te zijn. En die weeft! Groene, blauwe, bruine, gespikkelde, dierlijke, plantaardige en niet te vergeten schimmeldraden: ze bouwen de toekomst! Geef ons die tegendraadse architectuur.

En, oh ja: architectuur kan de wereld niet redden, maar ze kan het wel proberen.

Verdwijnende vloeivelden

Onlangs heb ik weer eens een ochtend rondgelopen over het Suikerterrein. Niet het deel rondom de restanten van de fabriek, maar de voormalige vloeivelden in de richting van Hoogkerk. Ik was er vorige nazomer ook en maakte toen een geweldige wandeling, gegidst door een stem en soundtrack uit een koptelefoon.

Het indrukwekkende wilgentenenbos waar ik me toen doorheen moest worstelen en het veld met duizenden moeraskikkertjes die allemaal met me mee leken te springen – het is er al niet meer. De afbraak van dit interessante, regenererende stuk postindustriële ruïne is kordaat ter hand genomen. En, voordat niemand het er nog over heeft, daarom nu twee oefeningen.

Oefening 1: Naar het Suikerterrein

1. Wordt het morgen een mooie, droge dag?

2. Zo ja, maak je agenda leeg.

3. Sta vroeg op, trek stevige wandelschoenen aan en neem water, boterhammen en een notitieblokje mee.

4. Rij naar het Suikerterrein, zet je fiets voor de brug neer en ga vanaf hier te voet verder.

5. Over de brug ga je meteen naar rechts. Laat de gebouwen achter je en betreed het gebied van de voormalige vloeivelden.

6. Volg de wegen, maar probeer hier en daar zelfstandig je gang te gaan, met respect voor plant en dier.

7. Hoe denk je dat dit landschap ontstaan is? Waaruit leid je dat af? Wat was hier voordat de suikerfabriek er was? En dáárvoor?

8. Wat kom je tegen? Welke dieren, welke planten? Welke kwaliteiten, welke draden? Probeer er zoveel mogelijk te ontdekken en schrijf ze op. Welke rol spelen ze in het gebied? Zijn het draden in het weefsel ervan? Zo ja, omschrijf hoe. Zo nee, omschrijf hoe.

9. Welke kwaliteiten, welke draden zou je ook in het toekomstige weefsel van deze plek willen terugzien? Wat van nu gaat mee naar straks, wat jou betreft?

10. Zou jij hier een woonwijk willen? Zo ja, hoe zou die wijk er dan uit kunnen zien? Probeer het voor jezelf onder woorden te brengen. Benoem de kwaliteiten van je wijk. En welke kwaliteiten/draden die er nu zijn neem je mee in het weefsel van je wijk?

11. Loop tot je niet verder kunt en zoek dan een andere weg terug. Blijf uitkijken en nadenken over de punten 7 tot en met 10.

12. Vlak bij je fiets vind je een informatiecentrum met een maquette van de toekomstige woonwijk. Bezoek dit informatiepunt en bekijk de maquette.

13. Stel vragen.

14. Kom (eventueel) in actie.

Oefening 2: Bekijk een bushalte

1. Wandel of neem de fiets (of bus!) naar de ov-hub aan de Bloemsingel.

2. Hang hier een tijd rond en kijk goed.

3. Wat zie je en waarom zou het zo gedaan zijn?

4. Wat vind je plus- en minpunten? Anders gezegd: wat zou je versterken, wat mag wel wat minder?

5. Als je uitgekeken bent: schakel over op je oren of je neus.

6. Ben je klaar met deze plek? Neem de eerstvolgende bus en rij mee tot aan het eind.

7. Waar ben je nu?

8. Herhaal de oefening met een vriend of vriendin, op een ander moment van de dag.