Groots collectief stadmaken

14 april 2021 Leestijd: 10 minuten

Ruimtelijk ontwerpers en de overheid dragen verantwoordelijkheid bij de grote maatschappelijke opgaven van nu. Maar ligt de bal bij hen alleen? Maartje ter Veen pleit voor een herontdekking van het samenwerken, voor het collectief zoeken naar een manier waarop het anders kan.

‘Ontwerpers moeten zelf verantwoordelijkheid nemen’, stelde onze kersverse stadsbouwmeester op 23 maart in haar eerste lezing over Groningen. Hierbij doelde Nathalie de Vries op de implementatie van de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd.

In principe heeft ze gelijk. Verantwoordelijkheid nemen moeten we allemaal. En ruimtelijke ontwerpers in het bijzonder, want alle grote maatschappelijke vraagstukken nemen ruimte in beslag. Bovendien raken ze Groningen direct: woningnood, energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit… Om er maar eens een paar te noemen.

De vraag is alleen of het wel zo werkt. Zijn ontwerpers, stedebouwers, architecten en landschapsarchitecten wel bij machte om deze verantwoordelijkheid te nemen? Is het geen echo van ‘Een beter milieu begint bij jezelf’? Daarvan weten we inmiddels dat het maar deels waar is.

Natuurlijk moeten we aan de slag met ons wereldbeeld, de manier waarop we onze cultuur vormgeven. En dat is een actie die wel degelijk bij het individu ligt – en dus ook bij ontwerpers. Het is alleen niet genoeg. Want als het systeem om moet, de veranderingen zo fundamenteel zijn dat we innovatief met onze opgaven om moeten gaan, dan kunnen we dat niet alleen.

Misschien zijn we het samenwerken voor het algemeen belang wel een beetje verleerd. In de tijd die achter ons ligt lag de nadruk toch vooral op eindeloze groei en de verheerlijking van het individu. Geen cultuur waarin veel aandacht overblijft voor samenwerken en het collectief.

Bottom-up

Gelukkig weten we uit de economische crisis van 2008 dat we het wel kunnen. Er zijn legio voorbeelden van ontwerpers die op andere manieren aan de slag gingen. Masterplannen konden in de prullenbak, bottom-up was het devies.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan De Spontane Stad van Urhahn, het Schieblock in Rotterdam en de hieraan gekoppelde Luchtsingel van ZUS. Ook de Utrechtse Ruimtemakers (opgericht in 2013) en het Rotterdamse Stadmakerscongres (de eerste keer in 2014) stammen uit deze tijd. In Groningen werd spontaan en bottom-up aan de weg getimmerd, we verzamelden de initiatieven in de Community Lover’s Guide to Groningen.

Het uitgeholde idee bestaat dat het de taak van ruimtelijk ontwerpers is om wensen te verzamelen en die klakkeloos in een vorm te gieten

Deze initiatieven kwamen voort uit een zichtbare en fysieke noodzaak. Door een gebrek aan economische activiteit was er ruimte over, die gevuld kon worden. Daarnaast was er te weinig werk, dus ontwerpers hadden tijd in overvloed. Dat schiep mogelijkheden.

De context is nu totaal anders. Werk is er genoeg en we hebben (woning)bouwhaast.

Als we niet oppassen vormt de tijd die achter ons ligt de tijd die nog moet komen. Het is toch het allermakkelijkst om op dezelfde voet verder te gaan. Zeker in een tijd waarin we hunkeren naar business as usual.

Ontwerpkracht voegt waarde toe

Op een avond over stadmaken, zes jaar terug, zegt een van de aanwezigen verongelijkt: ‘Als ik naar buiten kijk, zie ik niets dat ik gemaakt heb. Geen tegel, geen bankje…’ Het is de uitspraak van een klagerige bewoner. Misschien, vraag ik mij in stilte af, had je dan een ontwerpopleiding moeten volgen.

In delen van de bottom-up-beweging heeft het idee postgevat dat iedereen evenveel invloed mag en moet hebben op de stad. Dat is een misvatting die op veel plekken ruimte krijgt. Niet alleen in de hoofden van activisten, maar ook in het hoofd van menig ontwerper bestaat het idee dat participatie gelijk is aan ‘de regie uit handen geven’.

Mogelijk komt het voort uit de angst voor (of het verlangen naar) een herhaling van het participatieve ontwerpen uit de jaren 70. Met de doelen en wensen van de bewoners voorop werd het ontwerpen als ambacht verwaarloosd.

De twee uitersten, voor en tegen participatie, horen bij elkaar omdat ze beide gestoeld zijn op een uitgehold idee over het ontwerpersvak. Alsof het de taak van ruimtelijk ontwerpers is wensen te verzamelen, om die vervolgens klakkeloos in een vorm te gieten.

Architecten, stedebouwers en landschapsarchitecten werken altijd aan complexe en ongestructureerde opgaves. Het zijn steevast wicked problems, vraagstukken waarop nooit maar één antwoord mogelijk is, maar altijd een scala aan combinaties. Precies daar zit de verantwoordelijkheid van iedere ontwerper: het resultaat is geen neutrale uitkomst van een som, maar een combinatie van keuzes waarmee je waarde toevoegt aan een plek. Welke waarde dat is, is de verantwoordelijkheid van de ontwerper.

Bij het woord participatie denk je al snel aan het mogen kiezen voor ontwerp A, B of C of aan ‘Heeft u nog een idee? Laat het ons weten!’

Goede ontwerpers zijn daarom gespecialiseerd in het onderzoeken van de context van een opgave. Zij leggen de nadruk op de gewenste toe te voegen waarde, niet op een pasklaar antwoord. Het zijn in feite innovators, ze zijn geoefend in het vermijden van business as usual.

So far so good. Die ontwerpers nemen hun verantwoordelijkheid wel, innovatieve oplossingen zoeken is immers onderdeel van het vak. Bovendien kan participatie gewoon een manier zijn om de context beter te leren kennen. Als we het goed doen kunnen we samen, ontwerpers én bewoners, aan de slag voor Groningen.

Toch is er nog iets anders aan de hand waardoor we de verantwoordelijkheid voor de grote maatschappelijke opgaven niet alleen in de handen van onze vakgenoten kunnen leggen.

Wicked context

Als je binnen iedere ontwerpopgave aan de slag gaat met de grote maatschappelijke thema’s van nu, levert dat in eerste instantie vooral de postzegelstedebouw op waar we in Groningen juist graag vanaf willen. Daarnaast conflicteren die verschillende grote vraagstukken met elkaar. In iedere ontwerpopgave is daarom inmiddels niet alleen sprake van een wicked problem, maar ook van wicked context.

Op diverse schaalniveaus is op vraagstukken geen eenduidig antwoord mogelijk. Het zijn geen sommen. Daarom dragen de makers hiervoor altijd de verantwoordelijkheid. Ontwerpen is geen neutrale bezigheid.

Maar hoe gaan we dat dan doen als deze wicked context niet op tafel ligt? Als deze opgaven ‘erbij’ moeten worden gedaan, erin moeten worden gefrommeld door welwillende ontwerpers?

Is de oplossing te vinden in een stevige visie van een sterkere overheid en beter beleid? Voor een deel wellicht, maar niet alleen. Bovendien kunnen we niet wachten tot de zaken die vandaag urgent zijn, omgezet zijn in beleid. Dat duurt gewoon te lang.

Ligt de verantwoordelijkheid misschien bij ons allemaal? Collectief, als stadsgenoten en als bewoners van een aardkloot waarvan we best weten dat ons leven hier anders moet?

Moeten we niet allemaal actiever deelnemen aan ‘ons Groningen’? Collectief zoeken naar de innovaties en systeemveranderingen die nodig zijn, omdat doorgaan op dezelfde voet simpelweg geen optie meer is.

De verwaarlozing van het collectief

Bij het woord participatie denken de meesten van ons aan het mogen kiezen voor ontwerp A, B of C of aan ‘Heeft u nog een idee? Laat het ons weten!’ Bij deze manier van participatie hebben deelnemers weinig invloed. Je ziet het ook in de uitleg bij de Omgevingswet, waar het vooral gaat om reageren op mogelijke plannen. Reageren op de actie van een ander dus.

In deze voorbeelden gaat het om burgerparticipatie, de schrale variant ervan. Participatie waarbij de burger mee mag doen aan een initiatief van de overheid. Maar het kan ook andersom. In dat geval mag de overheid meedoen aan een initiatief van burgers: overheidsparticipatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan wijk- en dorpsbudgetten.

De letterlijke betekenis van participatie werpt een ander licht op de zaak. Het betekent actieve deelname.

Hoe actief neem jij op dit moment eigenlijk deel aan jouw stad of dorp?

In principe zijn we allemaal (onbewust) makers van onze omgeving. Met ons dagelijks gedrag alleen al hebben we invloed op de wereld om ons heen. Waar en hoe we spullen kopen bijvoorbeeld. Doen we dat online en in verre landen? Of zo lokaal mogelijk? Het bepaalt mede hoe levendig onze winkelstraten straks weer kunnen zijn. Daarnaast ben je misschien actief in de buurt, voor de school of bij de voetbalvereniging: ook daarmee maken we onze stad.

Als je langer dan een tweet over een crisis nadenkt, zie je snel de relatie met andere zaken en moet je wel met anderen in gesprek

Actief deelnemen, buiten de sociale, economische en praktische kant van het leven, zien we meestal niet als onze verantwoordelijkheid. We werken niet bewust samen aan de stad die we graag zouden zien. Voor de grotere vraagstukken stuur je een tweet, stem je op de juiste partij of ga je af en toe de straat op.

We kunnen gerust spreken van verwaarlozing van het collectieve belang. In ons dagelijks bestaan, in ons burgerschap, houden we ons te weinig bezig met in actie komen voor de grote lijnen en vraagstukken om ons heen. De invulling van de belangrijke maatschappelijke thema’s van vandaag laten we meestal over aan anderen.

Groots participeren

De crises van dit moment zijn ingewikkelde materie om mee aan de slag te gaan. Het is niet vreemd dat we hierbij meestal kort in actie komen: langere actie betekent naast meer tijd ook meer kopzorgen. Als je langer dan een tweet over een crisis nadenkt, zie je snel de relatie met andere zaken en moet je wel met anderen in gesprek.

Toch zijn er mooie voorbeelden waarbij gezamenlijke actiekracht voor het collectieve belang uiteindelijk uitmondt in meer invloed. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de manier waarop zij-aan-zij gestreden is voor het behoud van de grachtengordel in Amsterdam. Door het samenkomen van aan de ene kant de zorg om het verliezen van de karakteristieke bebouwing en aan de andere de woningnood ontstaat in de jaren 70 een wonderlijke samenwerking tussen traditionele verenigingen en jonge actievoerders. Deze strijd duurt jaren en redt grote delen van de Amsterdamse grachtengordel van de sloop.

Of denk aan Jane Jacobs. Zij zag de sociale structuren in haar geliefde buurt kapotgaan en kwam in actie. Ze schreef niet alleen, maar organiseerde effectief buurtactivisme voor het behoud van de menselijke maat. Dit was de tijd waarin de auto het ultieme symbool van de vooruitgang was en de gemiddelde stedebouwer verblind werd door futuristische steden, zoals in het Los Angeles uit de film Blade Runner.

Een recenter Nederlands voorbeeld is het Leidse Singelpark. Dit startte met een idee van bewoners: wat nu als we de randen van de singel als één park benaderen? Inmiddels is het een stichting waarin bewoners en gemeente samenwerken voor de realisatie van ‘de Leidse singels als een mooi, levendig, botanisch stadspark voor iedereen’.

Wat deze mensen gemeen hebben is dat ze een probleem zagen en in actie kwamen. Ze gingen, zonder dat er geld mee werd verdiend, zonder dat het een opdracht was, gewoon aan de slag met waar zij voor stonden.

Nu jij, nu wij!

Zou het gewoon een kwestie van beginnen zijn? Beginnen met de erkenning dat de wereld complex is en er dan samen voor kiezen grootser te participeren? Actief deelnemen aan de grotere vraagstukken met de focus op de langere termijn?

Het is in het begin vast onwennig, tijd steken in het collectieve belang. Zomaar samen bouwen aan een sterkere collectieve verantwoordelijkheid voor ons Groningen. En dat geeft niks. Beginnen is de wereld, want er is urgentie genoeg.

Gelukkig zijn er al een heleboel mensen die op kleine schaal, in de buurt of voor de stad, in actie komen. Het zijn reacties op de grote vragen van deze tijd en daar zit wijsheid in. Als we deze initiatieven aan elkaar rijgen wordt het begin zichtbaar. Het bottom-up-begin van de grote top-down-lijnen waar we samen onze tanden in kunnen zetten.

Natuurlijk moeten ontwerpers en de (lokale) overheid ook dan nog steeds verantwoordelijkheid nemen voor de wicked context waarin wij ons bevinden. Met één groot verschil: niet meer alleen. Met als bijvangst meer invloed voor een divers collectief van mensen die de stad, de wereld en haar bewoners een warm hart toedragen.

***