Groningen wil te veel én te weinig met het Stadspark

19 maart 2021 Leestijd: 14 minuten

Met de nodige verwachtingen zag Peter Michiel Schaap uit naar de nieuwe visie op het Stadspark. Eindelijk zou dit prachtige park de aandacht krijgen die het verdient. Maar na het lezen ervan overheerst toch de teleurstelling.

Plan van uitbreiding voor Groningen met het Stadspark linksonder (1932) // Berlage en Schut

Eenzaam park

Groningen krijgt weer kleur op de wangen. Na jaren waarin de kwaliteit van plannen wat achterbleef, is de ambitie terug. Kijk maar naar de ideeën rond Stadshavens en de Suikerzijde, of het plan Holt dat recent naar buiten kwam. Helaas zit die ambitie nog niet in alle plannen. Zo ontbreekt het in het document Herijking visie Stadspark, dat recent voor inspraak is vrijgegeven.

De visie op het Stadspark is voorzichtig. Echte keuzes worden niet gemaakt. Van een ontwerpslag is nog nauwelijks sprake. Ook vergaloppeert de visie zich in de participatie. Het komt wat over als: roept u maar, kom maar door met uw plannen en ideetjes, hier is ruimte genoeg!

Het is misschien wat flauw en iets te scherp gesteld, maar ik geef u op een briefje: daar gaat het park echt niet mooier en beter van worden.

Laten we beginnen met het belangrijkste. Daarvoor moeten we terug in de tijd, naar 1909 om precies te zijn. Dan krijgt Groningen een prachtig cadeau: een plan voor het Stadspark, een reusachtig nieuw park, geïnspireerd op de Volksparken van Wenen en Berlijn en de grote parken in Amsterdam en Den Haag. De stuwende krachten erachter zijn grootindustrieel en filantroop Jan Evert Scholten, directeur gemeentewerken Jan Anthony Mulock Houwer en tuinarchitect Leonard Springer.

De aanleg van het Stadspark start in 1913. Na de oplevering, in 1926, ligt het nog jarenlang letterlijk tussen de weilanden.

Pas na de Tweede Wereldoorlog rukt de stad langzaam op en raakt de bebouwing van de Grunobuurt de oostflank van het park. Daarna duurt het nog decennia voordat de stad het Stadspark ook echt ruimtelijk omarmt. Alhoewel, omarmt…

Zowel aan de zuidkant (A7/N7 en Martini Trade Park), de noordkant (bedrijventerrein Peizerweg met busbaan en het Woonforum) als de westkant (de Vinex van Kranenburg) voelt de omarming eerder als een beknelling. Daardoor ligt het Stadspark er nog altijd wat eenzaam bij. Niet langer in de weilanden, maar nu tussen stenige en veelal onaantrekkelijke planologische missers. Ze staan alle met de rug naar het groen.

Barrières slechten

De opstellers van de Herijking visie Stadspark zijn natuurlijk niet gek. Ook zij herkennen het probleem van ‘het eenzame eilandpark’. De beoogde oplossing: betere aansluitingen op de stad, zowel fysiek als ecologisch. Ook mag het park in de visie hier en daar wat minder ‘verstoppertje spelen’. Zo zorgt dichte begroeiing van het voorpark, op de plek van het (voormalige) Arboretum en Pinetum, er volgens de opstellers voor dat het Stadspark voor de bewoners van Laanhuizen slecht toegankelijk is.

Ik hoor de kettingzaag al razen.

Maar gaat het leggen van verbindingen en wat snoeiwerk echt zoden aan de dijk zetten? Ik denk het niet. Het Stadspark is namelijk niet slecht verbonden met de stad. Het omgekeerde is aan de hand: de stad is slecht verbonden met het park.

Het Stadspark is niet slecht verbonden met de stad, de stad is slecht verbonden met het park

De eerste en meest logische stap is het slechten van barrières die de afgelopen decennia zijn ontstaan. Het herstellen van die planologische missers, dus. Laat de stad het park omarmen, letterlijk en figuurlijk. Doen we dat goed, dan lossen de verbindingen zich vanzelf op.

Royale open randen

Om te laten zien waar de problemen – en vooral de kansen – liggen, maken we een ronde door het park. Beginnend aan de oostkant, op dit moment de beste kant, want vanouds de hoofdentree. Het kan hier beter en royaler, met een markante parkentree en een kwaliteitsimpuls in de bebouwing langs de rand.

Veel meer winst is te behalen aan zuidkant. Daar, in het stenige Martini Trade Park – een jarennegentigmisbaksel – valt zelfs met een loep de kwaliteit niet te ontdekken. Dat moet toch anders kunnen.

Waarom niet wat meer durf in de visie? Waarom geen ambitieuze punt op de horizon? Dat Martini Trade Park moet er gewoon af, liever vandaag dan morgen. Geef hier de ruimte aan een nieuwe bedrijvencampus, badend in het groen en verrijkt met publieksvoorzieningen – en voor mijn part een mooi (hoog) hotel aan (of in) het park. En wellicht kan het Stadspark hier zelfs een groene impuls geven aan het terrein van MartiniPlaza en dat van de Century-garage. Ook geen overbodige luxe.

We gaan verder en belanden aan de westkant van het Stadspark, daar waar de Vinex van Kranenburg in de jaren negentig van de vorige eeuw wonderbaarlijk genoeg niet aan het park is gelegd. Het heeft vast te maken met de volkstuinen aan de Campinglaan, die liggen daar al sinds jaar en dag. Prachtig voor iedereen die er een stukje grond heeft, maar wellicht is de tijd daar om dit eens te heroverwegen. We zouden op z’n minst de scenario’s kunnen onderzoeken.

Ik snap dat we als stad de leden van de Tuin- en recreatievereniging (TRV) Stadspark niet voor het hoofd willen stoten. Als ik daar zelf een tuintje had gehad, zou ik waarschijnlijk een paar dagen briesend door het leven gaan wanneer een mogelijk gedwongen vertrek zich aandiende. Maar mijn hemel, wat ligt hier een kans voor de stad.

Foto: Peter de Kan

Een park dat voor iedereen wil zijn, of tenminste voor veel meer mensen dan nu, moet haar poorten, of beter haar randen, openen. En dan niet met een onvindbaar paadje, maar royaal: met echte parkentrees, zoals bij ieder fatsoenlijk stadspark in binnen- en buitenland. De kans is groot dat ook Kranenburg daarvan opknapt.

Begrijp me niet verkeerd: dit is geen oproep om de volkstuinen uit het park te halen. Integendeel zelfs. Het lijkt me een grote kans om met de TRV te onderzoeken hoe we de opgebouwde waarden verder kunnen uitbouwen, inclusief het publieksbereik. Daarbij is het heel goed voorstelbaar dat de volkstuinen grotendeels op dezelfde plek blijven, alleen dan wel ‘royaal doorwaadbaar’ vanaf Kranenburg en als integraal onderdeel van het park. Het lijkt me zelfs van groot belang om ruimte te maken voor veel meer tuinen, elders in het park of in de directe nabijheid, bijvoorbeeld als onderdeel van de ontwikkeling van het Suikerterrein.

Dan de noordkant, misschien wel de meest kansrijke zijde. Hier staat ontzettend veel te gebeuren. Voor het Suikerterrein ligt een prachtig plan dat Groningen gegarandeerd gaat verrijken met een fantastisch nieuw stadsdeel, inclusief treinstation.

Het verbaast me al een tijdje dat de zone rondom de Peizerweg geen onderdeel is van de plannen voor de Suikerzijde. Mag dat snel mee, integraal? Wellicht als onderdeel van de Suikerzijde én de visie op het Stadspark, als lasnaad tussen beide? En zou het niet mooi zijn om het Stadspark ook zo veel mogelijk te verbinden met het groen dat gepland is in dit nieuwe stadsdeel?

Een park dat voor iedereen wil zijn, moet haar randen openen

Ik zie het al voor me: een stedelijke zone aan de noordkant van het park, met diepe bouwblokken langs een nieuwe Stadsparkallee op de plek van die misplaatste busbaan. Natuurlijk met een gemengd programma van sociale huur en koop in een mooie typologische variatie. Ik zie ook een groene injectie vanaf het Stadspark naar de Suikerzijde voor me: een royale zone omringd door bebouwing, die via een tunnel onder het spoor door gaat.

De referenties liggen al klaar en zijn nota bene Gronings: van het geslaagde station Europapark tot de groene uitloper van het Noorderplantsoen: Nassaulaan, Nassauplein en Nassaustraat.

Een park voor iedereen?

Kansen te over, dus. Kansen die toch eerder gezien zouden moeten zijn, zou je denken. En ja, dat klopt.

Daarvoor moeten we wel een eind terug, naar de plannen van Berlage (en Schut) uit 1928 en 1932. Langs de randen van het park zien we de typerende gesloten bouwblokken van Berlage. Het is gek dat we de afgelopen jaren blind zijn geweest voor de potentie van deze locatie. Anders kan ik de busbaan, die nog een extra barrière legt, en de in 2015 geopende Qbuzz-stalling niet verklaren.

Eén ding is in de visie nog belangrijker dan het verbeteren van de aansluitingen: het Stadspark moet een park voor iedereen worden. Dat klinkt nobel, maar kan het wel? En als het al kan, moet je dat wel willen? Het is in mijn ogen toch een beetje vragen om karakterloosheid.

Geen enkel park kan alles zijn. Zelfs parken van 140 hectare groot niet. Natuurlijk, iedereen kan en mag ervan genieten. Maar karakter en eigenheid komen voort uit een duidelijk profiel. En eerlijk gezegd ligt dat profiel al voor het oprapen.

Wie goed kijkt, herkent talloze bestaande kwaliteiten. Sommige zijn sleets of overgroeid, andere volslagen verkeerd geprogrammeerd. Maar ze zijn er nog wel, wachtend om wakker gekust te worden.

Foto: Peter de Kan

Daarom, lieve gemeente: vergaloppeer je niet in het participatiecircus. Begin met een goed plan, een uitdagend ontwerp, een afgewogen geheel – waarin je natuurlijk goede ideeën van Groningers meeneemt. Laat bewoners daarop schieten. Dat is serieuze participatie. Dan kun je de denkkracht van bewoners écht gebruiken.

Doe je dat niet, dan dreigt een onsamenhangende grabbelton. Een ballenbak? Een openluchtbioscoop? Een skatebaan? Een evenemententerrein? Een stadsstrand? We gaan ernaar kijken! En oh ja, de pluktuin en het speelbos moeten ook nog ergens.

Uit de grond van mijn hart: prop niet alles zomaar in het park. Wees selectief en omarm eerst de bestaande kwaliteiten. Maak die beter en kijk dan of er nog ruimte over is.

De troeven van het Stadspark

Dat brengt me tot de kwaliteiten en de programmering van het park. Allereerst dat fantastische Stadsparkpaviljoen. Als je het mij vraagt is een vestiging van keten Ni Hao niet het soort horeca dat je daar moet willen. Het park heeft grandeur, zeker dit oude deel, hoe sleets het hier en daar ook oogt. Zorg voor horeca die daarbij past. Niet luxe, maar wel goed.

Het paviljoen zou weer een ontmoetingsplek in het groen moeten zijn, een café-restaurant – zoals het ooit begon – met de sfeer en eigenzinnige gastvrijheid van Hotel Van der Werff op Schiermonnikoog of WEEVA in de Groninger binnenstad. Een plek waar je wilt zijn en graag terugkomt.

Natuurlijk zou het mooi zijn voor het Stadspark als er een trekker bijkomt. Wat dat betreft is het haast jammer dat de Hortus al in Haren zit. Zo’n forse tuin zou prachtig zijn. Maar: het Stadspark heeft eigen troeven in handen.

Wat te denken van de Heemtuin, in de noordwesthoek, en het Arboretum en Pinetum in het voorpark, aan de kant van Laanhuizen. De Heemtuin wordt veelvuldig genoemd in de visie. Maar de kansen van het Arboretum (een diverse en levende verzameling van bomen en struiken) en Pinetum (een naaldbomentuin) nauwelijks. Ze komen alleen naar voren in de opmerkingen van de klankbordgroep in de bijlage.

Samen met de Heemtuin zijn het Arboretum en Pinetum nu juist dé plekken om volop invulling te geven aan de biodiverse ambities van de gemeente. Perfecte plekken voor natuur, maar zeker ook voor natuureducatie.

Overigens is het behoud en herstel van zowel het Arboretum als Pinetum ook een goed motief om de snoeischaar en zeker de motorzaag in bedwang te houden op de plek waar het Stadspark grenst aan Laanhuizen. Alleen al voor de namen zou je het doen. Arboretum. Pinetum.

Ansichtkaart met foto van het Stadspark, ca. 1930-1940

Park van wereldformaat

Voor inspiratie is een excursie naar het Nationaal Bomenmuseum Gimborn in Doorn een dikke aanrader, vernam ik van de bioloog in onze Stadsredactie. En dichter bij huis: de Notoaristoen in Eenrum laat zien dat op een klein perceel een wereld te ontdekken is.

Wat betreft het verdere programma is het misschien goed om eens te kijken naar andere parken, elders ter wereld. Het gekke is dat deze visie dat helemaal niet doet. En dat terwijl daar zo veel moois te ontdekken is. Mulock Houwer, Scholtens en Springer wisten dat al. Een prettige bijkomstigheid is dat we daarbij voor referenties ook kunnen buurten bij steden die qua inwonersaantal Groningen dubbel en dwars passeren.

Normaal vind ik het misplaatst om als middelgrote stad met referenties uit Berlijn, Barcelona of New York aan te komen. Maar hier kan het. Waarom? Omdat ons Stadspark, gewoon verdomd groot is, een van de grootste parken van Nederland.

Het Amsterdamse Vondelpark past ongeveer vier keer in ons Stadspark. Ook het magnifieke Park Sonsbeek in Arnhem is kleiner, zelfs als je de aangrenzende parken Zypendaal en Gulden Bodem daar nog bij optelt. Hetzelfde geldt voor het Haagse Zuiderpark.

Met haar 140 hectare kan het Stadspark zich zonder probleem laten inspireren door Hyde Park en de Volksparken van Wenen en Berlijn

Nee, met haar 140 hectare kan het Stadspark zich zonder probleem laten inspireren door Hyde Park in Londen en de Volksparken van Wenen en Berlijn waar Scholten, Mulock Houwer en Springer dus ook al verlekkerd naar keken. We kunnen zelfs nog veel verder over de grens gaan, naar het eveneens in Engelse stijl aangelegde Yoyogi Park in Tokyo bijvoorbeeld ­­– dat overigens de helft kleiner is dan ‘ons’ park. Het maakte op mij enorme indruk.

En wie weet is zelfs Prospect Park in Brooklyn, een van mijn persoonlijke favorieten, een inspiratiebron. Ik zag in mijn leven weinig parken die zo bruisen. Werkelijk iedereen bruist daar mee, zeker als op een prachtige zomerse dag het halve park verandert in een groot picknick- en barbecueterrein, terwijl wielrenners en hardlopers hun rondjes afleggen op het parcours rond het centrale hart. Ook de rijkdom aan programma is hier fantastisch. Te veel om op te noemen maar allemaal het DNA van het park ademend. Het klopt en het past.

Ik ben bevooroordeeld, want al jaren verliefd op Prospect Park. Niet in de laatste plaats op de Brooklyn Botanic Garden, ruim twintig hectare groot en direct grenzend aan het park. Het is veel meer dan een prachtige tuin, en richt zich ook op natuureducatie met onder meer een community garden voor kinderen.

Met z’n allen filantroop

Wat betreft het programma van het Stadspark is het misschien goed het ook te hebben over wat we niet moeten willen. Een stadsstrand bijvoorbeeld. Doe dat alsjeblieft elders. Zwemmen in de parkvijver, zoals dat vroeger kon, kan prima zonder aangelegd strand.

Ook een openluchtbioscoop klinkt misschien leuk. Maar doe dat alleen als je die verbindt met een plek die multifunctioneel te gebruiken is en nadrukkelijk onderdeel is van de parkinrichting.

Pluktuinen kunnen prima, maar neem ze mee in bestaande structuren en versterk die daar dan programmatisch mee. Hetzelfde geldt voor een speelbos. En extra daghoreca? Koppel dit aan bestaande voorzieningen. En geef die dan een kwalitatieve injectie.

En oh ja, voor ik het vergeet: die auto, die moet er gewoon helemaal uit. Niet een beetje, maar echt helemaal. Hup, weg met dat blik. Ook in Hyde Park rijden geen auto's. Hetzelfde geldt voor Prospect Park dat, midden in een miljoenenstad vol auto's, sinds 2018 'permanently car-free' is. 

Prospect Park, Brooklyn, New York // Foto: Flickr - Maria Eklind

Is dat allemaal niet wat te veel ambitie? Dat kunnen we toch allemaal nooit betalen?

Tja, misschien niet. Helaas staat er geen filantroop als Jan Evert Scholten voor ons klaar, die zichzelf overigens met het park de drafbaan schonk. Maar ja, parken kosten geld en betalen zich in andere munt uit. Het is hier geen kwestie van kaveltjes verkopen en geld verdienen. Een park levert waarde op een hele andere manier. Duurzame waarde, een groene long in de stad, een plek om te ontspannen en te verblijven. Een plek waar het prettig is en waar het in de steeds heter wordende zomers koeler is dan in de stad.

Zeker is dat we nergens komen zonder ambitie en een goed plan. Scholten en Mulock Houwer konden in 1909 ook op de nodige weerstand rekenen. Het gemeentebestuur vond het aanvankelijk maar niks. Maar oh, wat mogen we blij zijn dat ze doorgezet hebben en de lat vanaf het begin hoog hebben gelegd met mooie inspiraties uit binnen- en buitenland.

Misschien kunnen we daarom een list verzinnen, door juist de eerdergenoemde randen mee te nemen in de planvorming. Is daar wat geld te verdienen, terwijl we ondertussen investeren in mooie groene woon- en werkmilieus en de omarming van het park?

Of is het een idee dat iedereen die kan én wil een duit in het zakje doet? Of dat nu één euro is, tien, honderd, duizend of nog veel meer, dat maakt niet uit. Dan worden we onze eigen filantroop en verandert het Stadspark definitief in een plek van ons allemaal: een park van het volk. Dat is pas participatie.

***