Serie

Gespreksstof // Aflevering 2

De diepte in met een goed boek

Tekst:
Beeld:
Leestijd: .

In de serie Gespreksstof doet GRAS een boek cadeau aan een architectenbureau, bouwer, ontwikkelaar of iemand anders die in de ruimtelijke hoek werkt. Op voorwaarde dat we daarna, met het boek als achtergrond, een goed gesprek voeren. Voor de tweede aflevering lazen Douwe Arjen van der Schaaf en Johannes Klimstra van Bouwgroep Dijkstra Draisma twee van de drie delen uit de serie Ruimtelijke kwaliteit bij industriële woningbouw. Janke de Vries ging met ze in gesprek.

Met industriële woningbouw kunnen in korte tijd veel huizen worden gerealiseerd. Om de kwaliteit daarvan te waarborgen, startten het College van Rijksadviseurs (CRa) en de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit in 2023 het project Ruimtelijke kwaliteit bij industriële woningbouw. Als onderdeel daarvan gaven ze een kwaliteitskader uit: drie boekjes, geschreven door onder andere stedenbouwkundige Frits Palmboom. Die moeten opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers en bij de bouw betrokken overheden aansporen om bij industriële woningbouw ‘niet alleen te letten op kwantiteit, kosten en snelheid, maar ook op een zo hoog mogelijke ruimtelijke kwaliteit'.

Het eerste onderdeel van de serie is het Stedenbouwkundig kader. Een jaar later volgde het Architectonisch kader, en weer een jaar later de Bouwstenen voor governance: een oproep aan opdrachtgevers, ontwerpers, bouwers, en overheden om op een nieuwe manier samen te werken. Met de eerste twee delen op tafel spreek ik vandaag met Douwe Arjen van der Schaaf, planontwikkelaar bij Dijkstra Draisma, en Johannes Klimstra, project- en productontwikkelaar bij datzelfde bedrijf.  

Samenwerkende woningcorporaties

In een vergaderruimte van het kantoor van het bouwbedrijf in Dokkum staan dozen op de grond. Achter glazen wanden zijn mensen aan het werk. Fotograaf Marleen kijkt enigszins teleurgesteld rond. Van der Schaaf merkt het op. ‘Dit is niet echt een sfeervolle ruimte, Johannes’, zegt hij tegen zijn collega. Even later komt hij terug met de sleutel van de Smûk-woning, een van de conceptwoningen van Dijkstra Draisma, die een paar honderd meter verderop staat.

Terwijl we ernaartoe lopen, legt Van der Schaaf uit wat industriële woningbouw inhoudt. ‘We maken met componenten uit onze eigen fabriek en partnerfabrieken in één dag een woning wind- en waterdicht. En we kunnen elke woning precies hetzelfde maken. Mooi is dat, of niet?’

Al snel blijkt hij me met die laatste opmerking bewust op het verkeerde been te zetten. Sinds 2022 is Dijkstra Draisma betrokken bij de Nieuw Hollandse Bouwstroom, een kort daarvoor opgerichte samenwerkingsorganisatie van Noord-Hollandse woningcorporaties en bouwers. Die heeft als doel om processen te versnellen en de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van industriële woningbouw te verbeteren. Daar hoort bij dat juist níét elke woning hetzelfde is.

'We gaven onze kijk op industriële woningbouw eerder helemaal vanuit de techniek. Nu vertellen we steeds meer over waar in ons bouwsysteem ruimte is voor variatie'

Klimstra vertelt hoe in 2021 een aantal woningcorporaties samen een programma van eisen opstelde, om daarmee snel en gemakkelijk een uitvraag naar de markt te kunnen doen. Toen het College van Rijksadviseurs daarvan hoorde, waarschuwde het de corporaties. 'Doe het niet, werd hun verteld. Het CRa vreesde voor Oost-Duitse Plattenbau.'

De Nieuw Hollandse Bouwstroom koos ervoor om toch door te gaan, en het College van Rijksadviseurs deel te maken van een jury. 'Dat is een gouden greep geweest.’  Gezamenlijk gingen de corporaties en het CRa op zoek naar gelijkgestemde partijen. Ook Dijkstra Draisma meldde zich aan. ‘We werden geselecteerd als één van de zes bouwpartners om met zeven – inmiddels zijn het er elf – woningcorporaties jaarlijks een bepaald aantal woningen te realiseren.’ Maar wel met de boodschap: het moet anders.

Frits Palmboom, lid van de raad van advies van de Bouwstroom, gaf het bedrijf na de aanmelding 'een aardige veeg uit de pan', vertelt Van der Schaaf. 'Wij gaven onze kijk op industriële woningbouw helemaal vanuit de techniek. Daar was hij zeer kritisch over. Toen ging bij ons de knop om. We vertelden steeds meer over waar in ons bouwsysteem ruimte is voor variatie, en waar we moeten accepteren dat het niet dezelfde resultaten kan opleveren als traditionele bouw.' Inmiddels zijn uit de samenwerking tussen de corporaties, de bouwers, en de jury mooie instrumenten ontstaan.

De kansen van standaardisatie

We komen aan bij de Smûk-woning, een eenlaagse woning onder een afgeplat dak, uitgevoerd in hout dat inmiddels iets vergrijsd is. Binnen zien we houten wanden, houten plafonds, houten vloeren, een houten trap. Achter glazen platen is het isolatiemateriaal in de wanden zichtbaar: hennep, vlas, miscanthus. ‘Dat zorgt voor een stabieler klimaat dan glaswol’, vertelt Klimstra.

We nemen plaats en pakken de twee boekjes erbij: het stedenbouwkundig en het architectonisch kader. Al snel blijkt dat Van der Schaaf en Klimstra beide delen van binnen en buiten kennen.

Het stedenbouwkundig kader start met lessen uit het verleden: de ‘intelligente standaardisatie’, te zien in de tuindorpen uit het begin van de twintigste eeuw, maar ook het ‘spookbeeld van de schraalheid’. Zo maakten de meeste woningfabrieken in het verleden één product, weet Van der Schaaf. ‘Daar mocht niet aan getornd worden.’ Het voorkomen van eenheidsworst is een belangrijk uitgangspunt bij de opgaven van nu: bouwen in de bestaande stad, differentiatie en verdichting.

Dijkstra Draisma werkt veel in de bestaande stad. Zo is het bedrijf dit jaar bezig met de sloop van een tuindorp in Krommenie. Dergelijke plekken, met een beeldbepalende, architectonische en stedenbouwkundige waarde, vragen om een zorgvuldige aanpak. Van der Schaaf: 'Je kunt niet zeggen: dat sloop ik en ik zet er een heel ander product neer. Je moet de waarde van dat tuindorp terugbrengen. Daarvoor is het nodig dat je bouwsysteem aanpasbaar is.’

De uitdagingen die daarbij komen kijken, worden in het stedenbouwkundig kader één voor één beschreven: het bouwen in een onregelmatig dorps- of stadsweefsel, het creëren van samenhang met de openbare ruimte, het combineren van verschillende woningtypen, het variëren in hoofdvormen en het combineren van systeembouw en maatwerk. Daarbij horen zogenaamde prestatie-eisen, waaraan bouwsystemen moeten voldoen.

Het architectonisch kader bouwt voort op het stedenbouwkundig kader, en behandelt de architectonische uitwerking daarvan. Daarin ligt volgens auteur Palmboom een ontwerpopgave, een duurzaamheidsopgave en een sociaalmaatschappelijke opgave. Een vraagstuk dat kansen biedt voor ruimtelijke kwaliteit en om waarden te creëren. Zien Klimstra en Van der Schaaf industriële bouw als een kansrijke opgave?

Van der Schaaf: ‘Doordat we in de Nieuw Hollandse Bouwstroom voorkomen dat je keuring op keuring en certificaat op certificaat nodig hebt, wordt de grootschalige inpassing van bepaalde elementen gemakkelijker. Dat biedt zeker kansen.’

Klimstra valt hem bij: ‘Het grootste voordeel is dat niet alleen de productie sneller gaat, maar ook het ontwikkelproces. Het herhalen van processen levert veel tijdwinst op. Tuurlijk, een deel van de winst zit in de bouw zelf, die een half jaar duurt in plaats van een jaar. Maar als je de voorbereidingstijd terugbrengt van zes of zeven jaar naar drie jaar, dan bespaar je heel veel tijd.’

Systeembouw en maatwerk

Na zes lessen uit het verleden – van de expressie van de Amsterdamse School uit de jaren twintig tot de rol die de overheid als aanjager van experimenten kan spelen – somt ook het architectonisch kader zeven prestatie-eisen op waaraan industriële bouw moet voldoen. Het boekje wordt afgesloten met een beeldessay vol foto’s van oude en nieuwe sociale woningbouw.

Ik wijs op een foto van Het Schip, een ultiem voorbeeld van de architectonische kwaliteit die bij de Amsterdamse School-stijl en de vroege sociale woningbouw hoorde. Is dat de richting waarin we moeten gaan? De twee lachen aarzelend. ‘Ja, dat is natuurlijk een fantastisch mooi rijksmonument, maar daar is de woningbouwcorporatie destijds bijna failliet aan gegaan', weet Klimsta. 'In de Nieuw Hollandse Bouwstroom krijgen we heel strakke budgetten mee. Wij beslissen samen met de corporaties waar we dat geld aan uitgeven.’

Van der Schaaf vult aan: ‘Dat leidt niet per se alleen maar tot soberheid. Maar gebouwen zoals Het Schip kunnen we niet industrieel bouwen. Of een tuindorp met hele rijke voordeurpartijen – die kunnen we gewoon niet terugbrengen. We lossen tien procent op met maatwerk, maar dat moet op een hoge schaal. Maatwerk op microniveau – dat kan gewoon niet meer.'

'Het kan altijd soberder. Maar het is lastig om duidelijk te maken waarom die dakkapel, die knik, dat steentje wel nodig zijn'

Klimstra pakt zijn telefoon erbij en laat een foto zien. ‘Deze woningen hebben bijvoorbeeld een dakkapel, en deze twee een kruiskap. Daartussen staat een knikwoning: die is gemaakt met maatwerk. De kap daarop loopt door en er loopt een poortje onderdoor. We variëren vooral met dit soort grotere elementen. Maar we kunnen niet elke woning unieke kenmerken geven.’

Van niet-industrieel gemaakte sociale woningbouw zijn genoeg mooie voorbeelden, zegt Klimstra. ‘Die huizen hebben eeuwigheidswaarde. Tegenwoordig staat dat onder druk. De budgetten die we meekrijgen van de woningcorporaties zijn erg strak. Er is weinig ruimte voor maatwerk, verbijzondering en kwaliteit. Systeembouw biedt daarvoor deels een uitkomst. Wat je daarbij financieel overhoudt, moet je gebruiken voor verbijzonderingen.’

Omdat ieder plan van een woningstichting deels met overheidsgeld wordt gerealiseerd, doen externe kostendeskundigen marktconformiteitstoetsen. 'Die zeggen dan dingen als: ‘Die dakkapel is wel heel duur’, of ‘Is die knik wel nodig?’ En: ‘Kunnen jullie geen goedkoper steentje gebruiken?’ Dan denk ik: het kan altijd soberder! Maar het is lastig om duidelijk te maken waarom die dakkapel, die knik, dat steentje wel nodig zijn. Gelukkig kun je vanuit zo’n Nieuw Hollandse Bouwstroom dat gesprek aangaan. Je ziet de kwaliteit bij de aaneengesloten woningcorporaties ook echt omhoog gaan.’

Prestatie-eisen

Van der Schaaf pakt het blauwe boekje erbij, het architectonisch kader. ‘Op een gegeven moment dachten we: we zullen Frits wel krijgen. Hij heeft ons echt uitgedaagd. Elke keer als we elkaar tegenkomen op zo’n bijeenkomst, zoeken we hem even op. Zie je wel wat we doen?, vragen we dan.’

Aan de prestatie-eisen kunnen de bouwers inmiddels voldoen. Eén ervan is slim stapelen. ‘In Koog aan de Zaan doen we dat, bijvoorbeeld. Daar bouwen we nu vier lagen van tien appartementen op een buurthuis. Dat buurthuis, daar zit het maatwerk in. De rest is systeembouw.’

Andere eisen voor industriële bouw zijn een goede indeling van de begane grond, met herkenbare entrees en raamopeningen die zowel ogen op straat als privacy bieden. Maar ook herkenbare hoekwoningen met een interessant metselpatroon, een kopgevel of een extra raam. Verdiepingen moeten reliëf en ritme hebben, bijvoorbeeld met loggia’s of balkons. En kapvormen moeten passend zijn en gedetailleerd, met bijvoorbeeld kroonlijsten, dakkapellen, dakramen, pijpen en dakterrassen.

Ook daaraan kan een bouwsysteem voldoen, volgens Van der Schaaf. Hij slaat de bladzijde om naar een hoofdstuk over het slim inzetten van maatwerk. Hij lacht en wijst naar de knikwoning op Klimstra’s telefoon. ‘Als je die foto en deze tekening naast elkaar legt, dan heeft Palmboom gewoon dat project nagetekend.’

Hoewel er weinig is dat niet kan, is het volgens Van der Schaaf en Klimstra in de sociale woningbouw vanuit financieel oogpunt bijna onmogelijk om aan álle eisen uit het boekje te voldoen. In elk geval niet binnen één project. 'En dan blijken samenwerkingsorganisaties zoals de Nieuw Hollandse Bouwstroom erg belangrijk', zegt Van der Schaaf. 'Welke ambities wil je waarmaken? Waar moet je geld voor reserveren? Waar geef je te veel aan uit? Dat leer je samen en van elkaar. Zo lukt het om aan steeds meer van de eisen te voldoen.’

Een architect erbij?

Sommige systeembouwers hebben hun eigen architecten, die nauw betrokken zijn bij de ontwikkeling van bouwsystemen. Ook in de boekjes die vandaag op tafel liggen, wordt dit aanbevolen. Klimstra: ‘Wij zijn een van de weinige industriële bouwers die géén systeemarchitecten hebben. Anderen vinden het handig dat architecten de regels van hun bouwsystemen helemaal kennen. Wij juist niet. Ons systeem heeft ook regels, maar wij laten architecten zelf met ideeën komen. Het is aan ons om het systeem daarop aan te passen. Zo ontwikkelen we het door.'

De gevels van fabriekswoningen worden vaak bekleed met steenstrips: het is geen gemetselde baksteen, maar lijkt erop. Zulke gevels hebben weinig diepte. De bouwers kregen de vraag of ze met de neggen, de openingen voor deuren en kozijnen, de gevels plastischer kunnen maken. 'Op dit moment zijn we bezig met het eerste project waarbij we de neggen inmetselen. Doordat we steeds met dit soort oplossingen moeten komen, wordt ons systeem steeds flexibeler.’

'Andere bedrijven vinden het handig dat architecten de regels van hun bouwsystemen helemaal kennen. Wij juist niet'

Klimstra vertelt hoe het bedrijf nadacht over het maken van een catalogus voor architecten. Daarin zouden bijvoorbeeld tien opties staan van woningen die met het bouwsysteem konden worden gemaakt. ‘Maar de architect, of de context waarin je een project ontwikkelt, vraagt bijna altijd om een elfde oplossing. Van dat idee zijn we dus weer afgestapt. We delen informatie met de architect en dan ontstaat er vanzelf een proces.’ Het levert gebouwen met een hogere kwaliteit, daarvan zijn de collega's beiden overtuigd.

Naast de modelwoning op het terrein staat de gevel van een appartement. Klimstra wijst ernaar: ‘In deze gevel zitten elementen die we nog niet eerder hebben gemaakt. Die kunnen we nu ook op andere plekken toepassen. Als we van tevoren hadden gezegd: je moet kiezen uit tien opties, dan was dat nu niet mogelijk geweest.'

Elk steentje in de gevel wordt door een robot neergelegd. 'Dat moet allemaal geprogrammeerd worden', legt Van der Schaaf uit. 'Nu kunnen we dit metselverband weer in ons palet opnemen.' Om de gevel te kunnen maken, moest het bouwbedrijf zijn productielijn aanpassen. 'Of we dat doen, is elke keer weer wikken en wegen. Voor één gevel doen we dat niet, maar voor veertig gevels wel.’

De stenen op de gevel hebben een bijzonder metselverband. Het toepassen daarvan was met traditionele bouw vrijwel onmogelijk geweest, zegt Van der Schaaf. 'Daarmee experimenteren, in dialoog met een opdrachtgever en een architect, dat is heel mooi.’ Het is een voorbeeld van de manier waarop industriële bouw kansen biedt, denkt hij.

Waar het bouwbedrijf pakweg tien jaar geleden nog vaak ‘nee' moest zeggen op vragen en wensen van architecten, hoeft dat tegenwoordig niet meer. Voorheen waren de systeembouwers heel precies, alles wat hun fabrieksrobot produceerde moest kaarsrecht zijn. 'Maar als je bij traditionele bouw op de steiger gaat staan en zegt: dit ene steentje zit wel wat scheef, dan heb je zo een troffel in je nek. Nu accepteren we dat die robot het ook niet perfect doet. En dan sta je voor deze gevel en denk je: dit is fantastisch.’

Van der Schaaf benadrukt nog maar eens wat Frits Palmboom, maar ook Thijs Asselbergs, architect en voorzitter van de raad van advies van de Nieuw Hollandse Bouwstroom, de bouwers duidelijk gemaakt hebben: 'Schoonheid is een recht van wonen.’ Hij denkt even na. ‘We streven niet elke keer naar eeuwigheidswaarde, want dan worden we wel heel profetisch, maar we denken wel dat schoonheid ook een vorm van duurzaamheid is. Het is een wezenlijk onderdeel van de hele opgave.’