Een voorbeeldige stad (teaser)

13 oktober 2021 Leestijd: 11 minuten

Op 16 september 2021 nam Jeroen de Willigen officieel afscheid als stadsbouwmeester van Groningen. Ter gelegenheid daarvan gaf GRAS samen met Atelier Stadsbouwmeester een mooi boek uit: Een voorbeeldige stad. De voormalig stadsbouwmeester schreef het met Erik Dorsman en Peter Michiel Schaap. Dit is een fragment uit het afsluitende hoofdstuk.

Schematische weergave Plan Berlage-Schut uit 1928 // Beeld: Hannah Liem

Reflectie: Een a-moderne stad

Mede in het licht van de grote opgaven op het vlak van het klimaat is het de hoogste tijd dat we de publieke waarde van de stedenbouw weer bekrachtigen als de grondslag van ons stedelijke handelen. We zullen de openbare ruimte weer moeten omarmen als de plek waar heel verschillende mensen en talloze stedelijke opgaven samenkomen. Daarvoor is het van belang dat we de pre-moderne draad van onze stedenbouwkundige traditie weer oppakken. Een stad als Groningen, met haar a-moderne genen, kan daarin een voorbeeld zijn.

WERKEN AAN DE STAD

26 augustus 2011: ik kan me de dag nog goed herinneren. Ik was meegevraagd door de Van der Leeuwkring om mee te gaan naar Antwerpen. Zij hadden een excursie laten organiseren door AIR, de Rotterdamse equivalent van GRAS. Het is een interessante club, die Van der Leeuwkring. Alleen al omdat hij bestaat uit een aantal Rotterdamse opdrachtgevers dat zich betrokken voelt bij de kwaliteit van de publieke ruimte van ‘hun’ stad.

Ik zat in het groepje dat zou worden ontvangen door de gemeentelijke dienst Ruimtelijke Ordening. We zouden een presentatie krijgen over hoe het Antwerpse structuurplan invloed had gehad op de ambtelijke organisatie. Niet een onderwerp waarvoor ik mij bovenmatig interesseerde. Maar het vooruitzicht om met mogelijke toekomstige opdrachtgevers aan het einde van de dag het glas te heffen op Antwerpen trok mij vrij gemakkelijk over de streep.

Eenmaal ter plekke werd ons in een nogal klein en onooglijk zaaltje het structuurplan van Antwerpen uitgelegd. Het contrast met het verhaal dat we te horen kregen kon haast niet groter zijn. Kristiaan Borret, de stadsbouwmeester van Antwerpen, voerde het woord. Hij vertelde over de nauwe samenwerking met het bureau van architecten en stedenbouwers Bernardo Secchi en Paola Viganò. Zij hadden tussen 2003 en 2006 samen met de gemeente aan het plan gewerkt.

Borret vertelde over de centrale rol die ontwerpend onderzoek had gespeeld bij de totstandkoming van het structuurplan. En dat dit type onderzoek sindsdien structureel werd ingezet bij het formuleren en scherp krijgen van de opgaven in de stad. Met het structuurplan beschikte Antwerpen over een richtinggevende visie. Een basis voor alles wat de stad fysiek aanpakte. Een leidraad voor alle stedenbouwkundigen die aan de stad werkten.

Die dag werden mij twee dingen duidelijk. Allereerst hoe fantastisch het moest zijn om aan de gehele stad te mogen werken. Aan de samenhang. Aan het totaal. Het andere inzicht was nog veel belangrijker. Wie aan de stad wil werken, moet er altijd op blijven studeren. Niet alleen op de stad zelf, maar ook op de stad als fenomeen. Alle steden waar je aan werkt, verdienen het om op en top begrepen te worden. In hun eigenheid en binnen de context van de stad als concept. Het leek die dag in Antwerpen alsof ze het vak stedenbouw daar een heel stuk beter begrepen dan wij arrogante Hollanders.

Op het moment van ons bezoek aan Antwerpen zaten we nog midden in de financiële crisis. De stedenbouw kreeg mede de schuld van alle stagnaties in de bouw en stadsontwikkeling. Hoe konden die rare stedenbouwkundigen nou de toekomst voorspellen met hun blauwdrukplannen? En hoezo die continue focus op kwaliteit? Daarmee gaven ze op geen enkele manier ruimte aan ontwikkelaars. De crisis zou verholpen moeten worden door de markt juist veel meer ruimte te geven.

Het gekke was dat in dezelfde periode het besef al volop was doorgedrongen dat de crisis nu juist veroorzaakt was door te weinig grip op de markt. Dit had geleid tot de risicovolle uitwassen die aan de basis hadden gelegen van de economische dip. Toch reageerden veel overheden in Nederland met het geven van meer ruimte aan de markt. Illustratief was de opheffing van het ministerie van VROM in 2010. Op lokaal niveau verwarden veel gemeenten ‘organische stedenbouw’ en ‘faciliteren’ met visieloos en regelloos wachten op de markt. Een euvel dat overigens nog steeds volop doorwerkt in de manier waarop wij werken aan onze gebouwde omgeving.

Ook minister Schulz van Haegen stelde dat het best Nederlands was, dat ruimte geven aan de markt in de stadsontwikkeling. Amsterdam vonden we toch allemaal mooi? Daar was volgens de minister helemaal geen plan aan te pas gekomen. Het was het gevolg van een organische ontwikkeling. Een nogal povere en vooral domme constatering, helemaal in een land dat prat gat op haar kenniseconomie. De minister ging er voor het gemak aan voorbij dat de particuliere Amsterdamse huizen in de zeventiende eeuw waren ontwikkeld binnen een sterke stedenbouwkundige structuur. En wie daar verantwoordelijk voor was? Inderdaad, een slagvaardig en vooral gedreven stadsbestuur.

Iedereen die daar meer over wil weten, raad ik het prachtige proefschrift van Jaap Evert Abrahamse aan: De grote uitleg van Amsterdam. Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw. Daarin beschrijft hij onder meer dat de nog wat rommelige eerste uitbreidingen, die vanaf 1613 tot stand waren gekomen, als ‘niet geheel geslaagd’ werden beoordeeld. Daarom werd bij de latere ontwikkelingen op grote schaal land aangekocht, onteigend en de informele bebouwing gesloopt. Zelfs met de beste wil van de wereld valt dit moeilijk te bestempelen als een voorbeeld van organische gebiedsontwikkeling.

De markt zelf deed in crisistijd ook nog een duit in het zakje. Zo stelde Friso de Zeeuw, destijds directeur Nieuwe Markten bij Bouwfonds Ontwikkeling en hoogleraar gebiedsontwikkeling: “Maak de hoepel groter en houdt hem lager.” Langetermijnperspectief leek synoniem te zijn geworden voor de door iedereen verguisde eindbeeldplanning. Dat de crisis dieper zat dan alleen het vak, bleek ook uit een bericht in een lokale krant over een opdracht die ik had gekregen: het maken van een structuurplan voor de transformatie van een geestelijke gezondheidszorginstelling. “Voor dit proces is Jeroen de Willigen ingehuurd, gerenommeerd stedenbouwkundige. Deze beroepsaanduiding alleen al stemt ons niet bij voorbaat vrolijk, maar dat zal wel vooringenomenheid zijn.”

Kristiaan Borret, stadsbouwmeester Antwerpen // Beeld: Hannah Liem

DE BASIS VAN STEDELIJK LEVEN

Terwijl wij als stedenbouwkundigen in Nederland een achterhoedegevecht uitvochten, begrepen ze in Antwerpen dat het gaat om een balans tussen de basis en daar waar je ruimte biedt. Regel wat je moet regelen en laat wat je moet laten. En om daar goed grip op te krijgen, is gedegen kennis van de stad van groot belang. Je moet de stad en haar geschiedenis kennen en begrijpen. Je moet erop studeren, continu. Je moet gezamenlijke verhalen maken, ter inspiratie en om richting te geven. Je moet onderzoekend ontwerpen, discussiëren en oefenen. Kennis als basis voor ontwerp en andersom.

Al tijdens mijn studie in Delft raakte ik gefascineerd door de wijze waarop kennis en ontwerpend onderzoek kunnen helpen om zo min mogelijk, maar wel het juiste vast te leggen in een plan. Zo volgde ik in 1994 een workshop bij Kees Christiaanse en Han van der Born. Zij legden ons de principes van hun Wijnhavenplan uit en zetten ons als studenten aan tot onderzoek. Met een aantal ingenieuze stedenbouwkundige basisregels regelde het Wijnhavenplan de aansluiting van de bebouwing op het maaiveld. Hetzelfde gold voor de slankheid en de hoogte van de torens die in het gebied tussen de Rotterdamse binnenstad en de Nieuwe Maas gerealiseerd konden worden.

In zijn manifest Creating Conditions for Freedom uit 1989 schetste Christiaanse al dat goede stedenbouw vaak lijkt op ‘niets doen’. Het stedelijk landschap moet vanzelfsprekend zijn, gebaseerd op een functionele indeling en voorzien van een krachtige cultuurhistorische onderlegger. Het is aan de stedenbouwer om vervolgens mogelijkheden te scheppen voor flexibiliteit en vrijheid, steeds zonder de context uit het oog te verliezen. De stadsontwerper moet zich vooral bescheiden opstellen, zo stelde Christiaanse.

Volgens Alex Lehnerer – laten we hem een leerling van Christiaanse noemen – komt die bescheidenheid mede voort uit het beperkte instrumentarium dat de stadsontwerper in handen heeft om krachtig op te treden. Zo zijn er maar weinig middelen om private partijen te dwingen zich te voegen naar de visie van publieke partijen. Uitgesproken plannen hebben daardoor weinig kans van slagen, aldus Lehnerer. In zijn onvolprezen boek Grand Urban Rules geeft hij aan dat de kern van het probleem ligt in het benoemen en vooral erkennen en doorgronden van het algemeen belang bij het vaststellen van een stedenbouwkundig ontwerp. Het dienen van dit belang is de legitimatie voor het investeren in openbare ruimte door overheden. Ook is het de basis voor de controle op privébezit op die plekken en momenten waar dit conflicteert met het publieke belang. Een laissez-fairehouding, waarbij alles wordt toegestaan, of regulering via de invisible hand van oereconoom Adam Smith is geen optie.

Beeld: Hannah Liem
 

Smith ging ervan uit dat er geen regulering nodig is. Er zou geen verschil bestaan tussen publieke en private belangen, alleen al omdat het dienen van het private belang tevens bijdraagt aan het publieke. Lehnerer weerlegt dit met het aanhalen van ecoloog Garrett Hardin. Stel, er is een gemeenschappelijke weide die gebruikt wordt voor het voederen van koeien door begrazing. Elke boer die een koe toevoegt aan zijn kudde vergroot zo zijn privé opbrengsten. Dit gaat echter ten koste van de opbrengsten van collega-boeren die door het toevoegen van een nieuwe begrazer minder opbrengsten hebben. Hardin beschrijft uiteindelijk twee oplossingen. De eerste is het opknippen van de gemeenschappelijke weide in geprivatiseerde stukjes. De tweede optie is het opstellen van regels om het gebruik van de collectieve ruimte te reguleren.

Voor een weide lijkt de eerste optie – opknippen en privatiseren – de meest logische. Een probleem blijft wel dat volledig privatiseren lastig is. Er dient immers altijd ruimte over te blijven voor het ontsluiten van de private stukjes weiland. Geprojecteerd op de stad is volledige privatisering al helemaal ondenkbaar. Deels vanwege de ontsluiting, maar toch vooral omdat de stad in alles haar bestaansrecht ontleent aan het gemeenschappelijk georganiseerde algemeen belang. Publieke gebouwen, een gezamenlijk verhaal en vooral de openbare ruimte spelen daarin de hoofdrol. Het is aan de overheid om dat publieke belang te bewaken en er proactief in te investeren. Zo legt de overheid de basis voor vier belangrijke voorwaarden voor een bloeiende (stedelijke) samenleving.

Allereerst gaat het dan om veiligheid. Doorgaans is het een stuk makkelijker en doeltreffender om dat collectief te organiseren. Illustratief zijn de stedelijke vestingwerken die eigenlijk altijd tot stand kwamen als het resultaat van een collectieve inspanning. Een ander exemplarisch voorbeeld is onze waterveiligheid die al eeuwen, en niet voor niets, door de overheid geregeld wordt. Verbinden is een andere belangrijke voorwaarde. Het gaat dan om het netwerk van openbare ruimtes, wegen, straten en paden die nodig zijn om, bijvoorbeeld, alle private adressen te ontsluiten.

Ontmoeten is de derde waarde. Hierin speelt de openbare ruimte een essentiële rol. Dit is immers dé plek voor interactie en dé plek waar uitwisseling van ideeën, culturen en goederen plaatsvindt. Tot slot is daar de leefkwaliteit. Openbare ruimte kan worden ingezet voor het verbeteren van de leefkwaliteit, waaronder met nadruk ook de gezondheid. Het gaat dan om het ontwikkelen en in stand houden van openbare ruimtes met een fijne verblijfskwaliteit, maar ook om het conserveren van natuurgebieden of landschappen met grote cultuurhistorische waarde.

We zien de openbare ruimte nog graag als de basis voor het stedelijk leven. De vraag is wel of we in onze huidige door markt en economie gestuurde tijd nog wel voldoende eigenaar zijn van deze ruimte. Dient de publieke ruimte nog altijd de publieke zaak of toch steeds meer het private belang? Beschouwen we de openbare ruimte niet te veel als tussenruimte; als een plek die toch vooral bedoeld is om ons te verplaatsen? Is het nog wel het centrum van ons ruimtelijk denken en doen? Ik vraag het me steeds vaker af als ik door de stad loop en haar ontwikkeling aanschouw.

Wil de overheid verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit en leefbaarheid van de stad, dan zal zij de openbare ruimte (weer) als vertrekpunt moeten nemen. Juist deze ruimte vormt de fysieke voorwaarde van al onze steden. Ze vertegenwoordigt nabijheid, dichtheid en contact. Hier is plaats voor interactie. Mensen, goederen, kapitaal, kennis en cultuur komen in de openbare ruimte bijeen. De openbare ruimte vormt daarom het wezen van het stedenbouwkundig ontwerp. Zoals de architectuur niet kan functioneren zonder een ruimtelijke relatie met de omgeving, functioneert de stedenbouw niet zonder de relatie tussen bebouwing en de openbare ruimte. Daarbij is de openbare ruimte, en zeker het gebruik daarvan, nooit het resultaat van een ontwikkeling. Nee: het is de voorwaarde daartoe.

***

Een voorbeeldige stad is geschreven door Jeroen de Willigen, Erik Dorsman en Peter Michiel Schaap. De tekeningen zijn van Hannah Liem. Het boek is nu te koop in de GRAS-webshop.