27 maart 2019 Door Leestijd: 12 minuten

"We intend to challenge the stories which underpin our civilisation: the myth of progress, the myth of human centrality, and the myth of our separation from ‘nature’." — Uncivilisation: The Dark Mountain Manifesto

Het is vrijdag 22 maart. Gisteravond zag ik Brave New World 2.0, geregisseerd door Guy Weizman. Ik besefte weer eens waarom ik naar het theater ga: niet om de wereld buiten even te vergeten, nee, om de wereld even scherper te zien of te voelen, om met die wereld buiten om de oren geslagen te worden. Te zoeken naar alternatieve manieren om uit te drukken waar we staan.

Soms valt het zien van een voorstelling bijna samen met waar je zelf op dat moment staat – de voorstelling Rough Material van Maatschappij Discordia schiet me nu te binnen (de klok stond op 1997), waarin de wetten van het theater één voor één blootgelegd en met voeten getreden worden – alsof voor je ogen een klok in onderdelen uit elkaar gehaald wordt maar ondertussen gewoon door blijft tikken! Deconstructie was toen het trefwoord, waarmee ik het een-op-een op mezelf kon betrekken.

Terug naar Brave New World 2.0 – waar het onder andere gaat over de relatie tussen technologie en mens, maar ook over natuur versus cultuur. Wat is écht? Wat is geprogrammeerd? Is liefde die je voelt voor een androïde hetzelfde als die voor een medeméns?

Meer nog ging het voor mij over dataficering: hoe alles wordt omgezet in en gereduceerd tot een set data, cijfers, enen en nullen waar je lekker mee kunt gaan rekenen – ingewikkelde berekeningen die ons boven de pet gaan, maar waar harde cijfers uit rollen. We zijn informatie geworden.

Waar je ook heel goed mee kunt rekenen zijn geldbedragen. En zodra je data aan geld kunt hangen is het gebied waar die data een uitspraak over doen ingelijfd in de wereld van het kapitaal. Ik ben nu veel te kort door de bocht, ik weet het, maar ik zie elke crisis het kapitaal méér in zijn greep krijgen.

Tijdens de laatste crisis heeft het kapitaal de kunst ingelijfd, en momenteel is de ‘natuur’ aan de beurt ­– en straks zijn we het zelf. Niet voor de eerste keer natuurlijk. Laten we voor het gemak zeggen: voor de tweede keer.

Kunst 2.0, waar alleen kunst is wat zichzelf terug weet te verdienen. Design 2.0, beter bekend als de creatieve industrie. Natuur 2.0, waar alleen die natuur kan blijven die voldoende geld opbrengt. En mens 2.0, waar alleen de mensen met voldoende rendement een plek bij Humanite verdienen.

Tijdens de laatste crisis heeft het kapitaal de kunst ingelijfd, en nu is de ‘natuur’ aan de beurt

In Brave New World 2.0 is Alex zo iemand. Ze werkt bij Humanite, in de bovenwereld: dáár wordt het geld verdiend (met, hoe kan het anders: data). Haar dataset heeft haar hier gebracht en zal haar verder naar de top brengen – als ze de juiste data over zichzelf weet te genereren natuurlijk.

Braaf in de pas lopen levert het meeste op. Er wordt continu op haar gelet en er zijn de eerste signalen: als ze niet verandert zal ze haar plek bij Humanite verliezen en dreigt terugkeer naar die andere wereld, die van de data-dropouts. Een benedenwereld, ben ik geneigd te zeggen, maar het knappe is dat beide werelden in de voorstelling naast elkaar staan, met een mobiele muur als grens ertussen.

In Newspeak: er is geen ongelijkheid meer, de mensen in Zone C worden met de winsten van Humanite en consorten via hun ngo’s (met klinkende namen als Power to the Poor!) in leven en tevreden gehouden. In Zone C leven de thuisblijvers, zij die niet mee kunnen komen in de technologische vooruitgang.

Het is een leven in anonimiteit, alleen aan de andere kant van de muur ben je ‘iemand’. Iemand als Alex. Ze is iemand en ze is alleen. Dan is er Evelyn, die komt haar bijpraten over haar dataset, en is er een klik. Maar Evelyn blijkt een androïde – dat brengt Alex ertoe alles achter zich te laten. Offline en off grid zoekt ze haar weg naar de stilte van het water en… het bos.

🌳

Het is maart 2005 en ik bevind me in een bos ergens in het zuiden van Estland. Ik ben hier gisteren aangekomen met Alex van de Beld van architectenbureau Onix, we zijn hier om een workshop te geven. Of nee, hij geeft die workshop, samen met een landschapsarchitect, en ik ben mee om die workshop te monitoren, zoals ik het zelf noem.

Ik leg op video en foto vast wat er gebeurt. We zijn hier om nesten te bouwen met studenten uit Tartu en Tallinn, ze kwamen zich gisteravond aan ons voorstellen. Toen we in de sauna zaten, nota bene. We logeren in een boerderij in het midden van nergens. Er is geen tv, er is geen radio, er is geen bereik.

’s Ochtends gaan we naar het bos, waar we een plek hebben uitgekozen. Er worden boompjes uit het hakhout gekapt, deze worden ter plekke het bouwmateriaal van het ‘nest’. De boompjes worden dóór de resterende, nog overeind staande, boompjes gevlochten zodat een soort hangend weefsel ontstaat: een breiwerk met mazen van een meter in het vierkant/ruit/rechthoek/kromhoek/kromhout – want niks is natuurlijk recht en dat hoeft ook helemaal niet.

Als we beginnen weten we totaal niet waar we zullen uitkomen, en dat is nu juist het mooie ervan, dat elke nieuwe boom die je er in tracht te vlechten een eigen wil lijkt te hebben, een wil die je hebt te volgen, een taaiheid, buigzaamheid tot aan de onbuigzaamheid en – ja! Ja? Voorzichtig, ja! JA! Hij zit! Stop! Niks meer aan doen, niet meer aankomen!

Achteruitlopen en kijken: wat zijn we aan het doen? Wat zou de volgende stap kunnen zijn? Wat wil het volgende boompje? Ik ruik de aarde – zoals de aarde aan het begin van de lente en het einde van de vorst begint te ruiken. Het zijn de bodemorganismen die weer op gang komen. Ik heb ze bij naam gekend maar ben ze ook weer vergeten.

Die geur, de bomen met dat beginnende groene waas, die heel lichtgroene kleur, een soort van voorzichtig aftastend groen dat al na een paar weken weg is en de rest van het jaar niet meer terugkomt; verder is alles nog geel en droog. Geen geluiden, behalve gehamer van spechten en heel af en toe het ruisen van een vliegtuig hoog boven ons. Condensspoor in het blauw. De geur van vers gekapt hout, zoetig.

Rond het middaguur komt de boer op een kleine quad de lunch brengen, vers brood en fruit en melk – ik weet het niet zo precies meer. Wel herinner ik me dat we tegen het vallen van de duisternis teruglopen over de heuvels, in de rook van het verderop afbranden van velden van vorig jaar.

Die rook in mijn neus, dat late licht, het geblaf van honden op verre erven – ik bevind me in een film van Tarkovski…

🌳

Het is 2 februari 2019 en ik zit in zaal 4 van het Groninger Forum te kijken naar de film La Flor, deel drie – deel een en twee heb ik gemist, maar dat blijkt helemaal geen probleem. La Flor is een samenwerkingsproject tussen de Argentijnse filmer Mariano Llinás en theatergroep Piel de Lava, waarbij de grenzen tussen de disciplines prettig vervagen. Zo speelt de filmcrew ook in de film mee.

We bevinden ons meteen achter de schermen. Die vervagen natuurlijk ook – dit is zo’n film die nadrukkelijk het medium zelf onder de loep neemt, zoals bij Maatschappij Discordia de voorstellingen ook altijd over het medium theater gaan. Hier betekent het dat vrij uit de filmgeschiedenis wordt geplukt.

Zo duikt er ineens een stomme film op en speelt het eind van de film zich in een camera obscura af. Net zo makkelijk wordt er van genre gewisseld, is het verhaal nooit af en begint het telkens opnieuw. De aftiteling duurt ruim een kwartier.

Waar was ik? O ja, achter de schermen, waar het nog compleet onduidelijk is hoe de film verder zal gaan maar de actrices hun hoofdrollen wel alvast komen opeisen. Te midden van discussie over het scenario en de vaagheid waarin de regisseur zich hult wordt langzaam duidelijk dat hij liever… bomen(!) wil filmen. Meer specifiek: bloeiende trompetbomen – en dat moet eigenlijk NU!, want NU! staan die bomen in bloei.

Er moet een mens bij de boom, dan pas kunnen de maat, de aanwezigheid, de impact, de grandeur ervan aanwezig worden gesteld

En zo geschiedt: de jongensclub gaat eropuit, bomen filmen, en dat wordt een heus onderzoek (we hebben de tijd, La Flor duurt in zijn geheel maar liefst vijftien uur, deel drie neemt vijf uur de tijd). Want waarom registreert die camera niet wat het oog ziet? Telkens valt het resultaat tegen. Ondertussen wordt wel een hele catalogus aan bomen vastgelegd.

Ineens stuiten ze op een groep trompetbomen met drie groenwerkers ervoor, die zitten te schaften middenin een paars tapijt van afgevallen trompetjes. Eureka, er moet een mens bij de boom, dan pas kunnen de maat, de aanwezigheid, de impact, de grandeur van die boom aanwezig worden gesteld.

Nu komen ze op een pleintje met – zijn het abelen? De ogen in de schors van de bomen lijken hen aan te staren. De bomen zijn personages geworden.

Het bomenproject sterft in schoonheid. De actrices nemen het vervolg weer stevig in handen, maar de rest van die vijf uur blijf ik me zeer bewust van elke boom in beeld: ze zijn het decor ontgroeid, iemand geworden, doordat nadrukkelijk de tijd genomen is voor hun casting. De bomen hebben agency verworven.

🌳

Het is september 2017 en met Bram Esser sta ik op een grasveldje in de wijk Helpermaar in Groningen. De wijk is nieuw. Hier kun je wonen in ‘oud groen’, zoals het prospectus beloofde. We horen van de bewoners dat ze vooral veel groen en bomen hebben zien verdwijnen.

Er staat nog wat oud groen langs de Verlengde Hereweg, daar blijven de ontwikkelaars gelukkig vanaf. Maar waarom staan we bij dit veldje? Het is het laatste vrije kaveltje in de inmiddels verrezen nieuwe wijk, en in de beleving van de ontwikkelaar wordt dit de ‘parel van de wijk’. Hier zou iemand zijn of haar droomhuis kunnen realiseren!

Wij hangen hier nu een dag rond om van de omwonenden te vernemen hoe zij dit stukje wijk zouden invullen als ze het voor het zeggen hadden. Kinderen komen meteen met goede plannen: er moet geklommen worden en water erbij, dan kunnen we zwemmen, ja! De volwassenen vinden het een moeilijke vraag. Tiny houses misschien, een stuk of drie?

Bij doorvragen biecht een van hen ineens op: ‘Nou ja, het liefst zie ik hier gewoon een paar bomen staan. Maar ja, die brengen niets op hè…’

🌳

Bomen die niets opbrengen, daar hebben we natuurlijk niks aan. Gelukkig is er nu het softwareprogramma i-Tree (naast je iPad en je iPhone nu ook je eigen iTree!), lees ik deze week in Trouw. Dit zet de ‘maatschappelijke waarde van bomen om in klinkende munt’, gaat het artikel juichend verder – en ja hoor: projectontwikkelaars hebben al aangegeven bomen op te willen nemen in hun bouwplannen ‘zodra ze ermee kunnen rekenen’.

Bomen hebben nu eindelijk waarde, omdat hun dataset in geld kan worden uitgedrukt

Bomen hebben nu eindelijk waarde, omdat hun dataset in geld kan worden uitgedrukt. Ik zeg het natuurlijk weer een beetje kort door de bocht, maar laat het even tot je doordringen.

Straks kappen we de bomen die laag scoren in i-Tree, terwijl de bomen met voldoende economisch perspectief doorgroeien naar de ‘andere kant van de muur’. Het wachten is nu op bomen die zelf willen doorgroeien en een i-Tree willen worden: bomen met ingebouwde technologie die data verzamelt en de boom suggesties aan de hand/wortel/tak doet voor het vervolg… weg met de thuisblijvers!

🌳

Dinsdag 19 maart. Ik ben op het Hogeland bij Eenum bomen aan het omzagen. Dat is nodig omdat er in dit bosje bij de boerderij van een vriend veel te veel te dicht op elkaar staan. Door de helft ertussenuit te halen krijgen de resterende meer kans tot volwassen bomen uit te groeien. Ze kunnen zich breed maken in plaats van dun en kaal naar het licht te groeien.

Als ik wil dat voor elke gekapte boom er twee worden teruggeplant (en dat wil ik) dan staat de teller nu al op twintig. En toch, het is een prachtige dag. De kleinere takken gooi ik in het vuur en het licht, de rook, de geuren, een specht! – ik ben weer in Estland.

🌳

Gisteren was het 21 maart, het begin van de lente. Op weg naar school wijs ik Emil weer eens op de boom van meer dan honderd jaar oud waar we elke dag langs rijden. Zie je al nieuwe blaadjes? Nee hè, het is nog te vroeg, denken wij, maar het zal niet lang meer duren.

‘s Avonds vraag ik Emil of juf het heeft gehad over het begin van de lente. Nee. Vreemd. Ik dacht dat 21 maart Boomplantdag was. Gemist, Nationale Boomfeestdag (zo heet het sinds 1980) was dit jaar op 13 maart en de gemeente Groningen doet er blijkbaar niet aan mee. Ook vreemd.

De Boomplantdag werd op 10 april 1957 voor het eerst in Nederland georganiseerd, in Apeldoorn, waar 1600 kinderen een boom plantten. Ik heb vaag het idee dat ik ook ooit een boom heb geplant in mijn lagereschooltijd.

De FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, waarschuwde in 1953 voor de toenemende ontbossing. Die waren er vroeg bij! Ik vind het nog steeds een prima advies dat elk kind tijdens de lagereschooltijd een keer een boom plant – en dat je daarna ook nog eens teruggaat om te kijken hoe je boom het maakt.

🌳

Op 3 februari 2013 zag ik in zaal 1 van de bioscoop aan het Hereplein de film La cinquieme saison (België, 2012, regie Peter Brosen en Jessica Woodworth). Ik weet het nog omdat ik al mijn filmtickets in een la bewaar – vraag me niet waarom.

Het verhaal begint in de lente, maar het wordt maar geen lente. Er verschijnt geen blad aan de bomen, ze blijven kaal, ze hebben het opgegeven. En nu krijgt iemand de schuld.

(Wordt vervolgd)