De staat van de kiosk en de straat

Past de kiosk in een samenhangend narratief voor de Groninger openbare ruimte?

Tekst:
Leestijd: .

De gemeente Groningen worstelt met de kramen en kiosken in de stad. Moeten ze 's nachts weg, of toch niet? Wat als ze een vaste, zorgvuldig gekozen en ontworpen plek in het stadsbeeld zouden krijgen?

In Trouw las ik eens een artikel van Pieter Hoexum, waarin hij beschrijft hoe hij met een vriend door Den Haag loopt. Het ‘kioskenwalhalla’, noemt hij de stad. Telkens als hij zin heeft in een bakkie pleur, staat er een kiosk met geurende koffie klaar. En als hij trek begint te krijgen, loopt hij tegen een soepkraam aan. Hoexums lievelingskiosk heet Henkies Hoekie, een bloemenkraam met de ijzersterke slogan ‘Betaalbare romantiek’.

Henkies Hoekie staat voor het centraal station, omringd door kantoorkolossen. Hij staat daar wat verloren, ziet Hoexum, die zich afvraagt of het houten kraampje vanuit de torens, en zeker vanuit het verderop gelegen stadhuis, gezien wordt als een smet op het blazoen. ‘Van verre gezien is dat misschien zo,’ concludeert hij na er even over nagedacht te hebben, ‘maar vanaf straatniveau wordt toch duidelijk dat stedelijkheid precies daar, op straat, te vinden is. Daar wordt duidelijk dat stedelijkheid niet iets hoogs en verhevens is, maar juist iets laag-bij-de-gronds.’

De frase uit Hoexums artikel komt bij me op als ik in het Dagblad van het Noorden een artikel lees over de uitbaters van Groninger vis- en bloemenkramen. Van de gemeente ontvingen ze een brief dat ze vanaf 1 januari 2024 verplicht zijn om hun stand elke avond af te breken en elke ochtend weer op te bouwen. Tussen 23.00 uur en 6.00 uur mogen de kraampjes niet op straat staan.

De reden van deze maatregel is dat de gemeente de openbare ruimte ’s nachts wil verfraaien en, tsja, omdat nu eenmaal in de vergunning staat dat de kramen er alleen van 6.00 uur tot 23.00 uur mogen staan. Tot nu toe werden ze by night gedoogd.  

Om terug te komen op Hoexum: is stedelijkheid inderdaad iets laag-bij-de-gronds, in plaats van iets hoogs en verhevens? Volgens mij is het beide, of zou dat het moeten zijn. Van de alledaagse romantiek van een bloemenkiosk tot hoog over in het stadhuis, waar met een abstracte blik integraal beleid kan worden gemaakt. 

Integraal beleid klinkt alleen zo… nietszeggend. Doordat het zo allesomvattend is. Het is een containerbegrip geworden en dat is jammer. Om de waarde van kiosken, van bloemen- en viskramen te onderkennen, is misschien eerst een heldere definitie van dit containerbegrip nodig. 

Ansichtkaart uit circa 1901, S. Bakker Jz., Koog-Zaandijk // Collectie RHC Groninger Archieven

Doordacht, compleet en toekomstbestendig

In integraal beleid staat de samenhang tussen verschillende onderwerpen en het afwegen van verschillende perspectieven centraal. Een helder (hoog-over-) overzicht van alle onderwerpen die aan het beleid raken is hierbij cruciaal. Al die verschillende domeinen, expertises en perspectieven moeten elkaar vervolgens vinden in het proces. Voor een effectieve samenwerking slaan ze op alle niveaus de handen ineen: bestuurlijk, beleidsmatig en uitvoerend.

De meerwaarde van integraal beleid is dat het doordacht, compleet en toekomstbestendig is. Bij stedenbouwkundige opgaven geef je met integraal beleid antwoord op de vraag: wat voor stad willen we zijn? Groningen is een gezonde stad, een klimaatbestendige stad, een groene stad, een inclusieve stad en een mooie stad. Of wil dat zijn.

Inspiratie voor het hierbij horende beleid komt uit 'Nieuwe Ruimte', de ontwerpleidraad voor de leefkwaliteit van de openbare ruimte, die de gemeenteraad in 2021 goedkeurde. De leidraad moet strategische en praktische handvatten krijgen. Integraal beleid is tenslotte pas effectief als op alle niveaus de vereiste samenwerking plaatsvindt. 

In het artikel in Dagblad van het Noorden komen uitbaters van bloemenkramen en de verantwoordelijk wethouder aan het woord. Die laatste vindt de brief wat kort door de bocht en wil eerst met de ondernemers in gesprek. De eigenaren van de bloemenkraam op het Hereplein slapen er ondertussen niet meer van, lees ik. Een half jaar geleden hebben ze, in overleg met de gemeente, een nieuwe kraam aangeschaft die beter bij de omgeving past – en nu moeten ze die plotseling elke dag op- en afbouwen om hem voor een paar uur in een loods te zetten.

Het lijkt erop dat de samenwerking tussen de verschillende niveaus en betrokken domeinen in dit geval niet optimaal was. Niemand is tegen een mooie openbare ruimte, maar wat nou precies de meerwaarde is van de nachtelijke afwezigheid van de kramen is niet helemaal duidelijk.

Een week nadat ze de brief verstuurde, trok de gemeente hem weer in. De eigenaren van de kramen en kiosken zullen een zucht van opluchting slaken. Maar hier blijft de casus, samen met de conclusie van Pieter Hoexum, hangen.

Ansichtkaart Melkhuisje Sterrebos, naar ontwerp van W. Diehl // Uitgave S. Eisveld Bosch, circa 1905 // Collectie RHC Groninger Archieven

Rijke kioskengeschiedenis

Bloemenstands, viskramen en koffiekiosken zijn bepalend voor het straatbeeld. En al zijn we in Groningen minder ruim bedeeld dan in Den Haag, ook hier ‘verfraaien’ ze de openbare ruimte. Zouden de stands niet gewoon integraal onderdeel moeten zijn van het beleid?

Hoewel je tegenwoordig in Groningen niet meer over kiosken struikelt, heeft de stad een rijke kioskengeschiedenis. Eentje die geworteld is in onze ‘melk-is-goed-voor-elk-cultuur’. In 1932 gebruikte de stad Groningen 50 duizend liter melk per dag, ruim een halve liter per inwoner!

Koemelkers, zoals ze destijds genoemd werden, leverden die grote hoeveelheid melk.  Dat veranderde toen in 1941 het Melkstandaardisatiebesluit van kracht ging. Waar Stadjers begin vorige eeuw de melk nog rechtstreeks van de koe dronken, ging vanaf 1941 die melk eerst naar de zuivelfabriek. Koemelkers verdwenen uit het straatbeeld en melk kocht je vanaf dat moment in kiosken, ofwel melkhuisjes.

De eerste Groningse kiosk verschijnt in 1883 in het Noorderplantsoen. Misschien ken je de plek wel, eetcafé Zondag bevindt zich nu op de locatie van dat eerste melkhuisje. Voor 5 cent dronken wandelaars hier een glaasje. Het Sterrebos was ook zo’n park waar Stadjers rond 1900 in hun schaarse vrije tijd wandelden. Ze bezochten er muzikale voorstellingen en dronken, inderdaad, melk bij de kiosk.

Het begrip ‘kiosk’ heeft zijn oorsprong in Perzië (kushk) en het Ottomaanse Rijk (kösk). Er werd een soort paviljoen, een tuin- of zomerhuis mee bedoeld, dat aan alle zijden open was. In de achttiende eeuw raakte de kiosk door Turkse invloed ook bekend in Europa. Via de Franse kiosque kreeg het gebouwtje later betekenis als krantenhuisje. Maar tot in de negentiende eeuw bleef ook de oorspronkelijke betekenis gangbaar: die van lusthof, koepel of Oosters tuinhuis. In Nederland duikt het begrip pas in 1871 voor het eerst op, dan nog in de betekenis van een ronde, open muziektent.

Behalve in de parken doemden later ook melkhuisjes op in de stad. Aan het Zuiderdiep, de Grote Markt of bij het station verschenen prachtexemplaren. Nog voordat in 1897 het Hoofdstation werd geopend, stond er al een kiosk in chaletstijl. Dit melkhuisje bleef staan tot 1925, toen de houten kiosk werd vervangen door een moderne, stenen variant, ontworpen door stadsarchitect S.J. Bouma. Doordat de inrichting van het stationsplein vervolgens nog vaak veranderde, hield ook deze kiosk het niet lang vol.

Ansichtkaart: Paterswolde, circa 1909 //Foto: P.B. Kramer // Collectie RHC Groninger archieven

Melkhuisje Stationsplein, circa 1899 // Foto J.G. Kramer, collectie RHC Groninger Archieven

Stationsplein, kiosk van S.J. Bouma, 1929 // Openbare Werken, collectie RHC Groninger Archieven

Eropuit

In het begin van de vorige eeuw waren sport en recreatie niet langer alleen voorbehouden aan de hogere standen: steeds meer mensen trokken eropuit. Mede dankzij de komst van de fiets en de tram kwamen ze daarbij steeds verder. Ze lieten het Noorderplantsoen en het Sterrebos achter zich en bezochten het Paterswoldsemeer, de Appelbergen, Harenermolen en de Drentsche Aa.

Langzamerhand verschenen ook in deze gebieden steeds meer melkhuisjes. Bij zo’n gezonde fietstocht door de buitenlucht hoorde tenslotte een glaasje gezonde melk. Tussen de melkhuisjes bevonden zich eenvoudige houten kraampjes, maar de meeste worden ontworpen door architecten, in een herkenbare, voor die tijd kenmerkende bouwstijl.

Op het tennispark Vorenkamp in Helpman, op de hoek van de Coendersweg en de De Savornin Lohmanlaan, staat nog steeds zo’n houten kiosk, al is hij wat vervallen. Een andere overgebleven kiosk uit deze tijd is het eerdergenoemde eetcafé bij de hoofdvijver in het Noorderplantsoen. In 1930 werd hier het oude melkhuisje vervangen door een ontwerp van, wederom, Bouma. Het kubistisch vormgegeven oostelijk deel was bestemd als kiosk, terwijl het voorste gedeelte werd ontworpen om te kunnen zitten. Vanuit de serre, ontworpen in Amsterdamse School-stijl, keek je uit over de vijver. De grote veldkeien, die vroeger voor veel kiosken lagen, liggen er nog steeds.

Revista, Coffee & Magazines, Hereplein // Foto: GRAS

Ontwerpopgave

Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de kiosken steeds meer uit het straatbeeld. Wie nu door Groningen wandelt, ziet dat er bitter weinig bewaard is gebleven. Wel verschenen de laatste decennia eigentijdse varianten van de kiosk. De loempiakraam bij de Ebbingebrug uit het jaar 2000 is een mooi voorbeeld. En natuurlijk zijn er de veelbesproken bloemen- en viskramen die de alarmerende brief van de gemeente kregen.

Vlakbij de bloemenstand op het Hereplein, naast de Herebrug, staat een oude, blauwe Peugeot-bus geparkeerd. ‘Coffee & Magazines’ staat er op de zijkant, naast de bus staan wat stoeltjes. Deze rijdende kiosk van Revista ziet er gezellig uit, hij doet me denken aan Pieter Hoexum die net op het juiste moment een bakkie pleur tegenkomt. 

Wat als je van dit vraagstuk een ontwerpopgave maakt? Daarmee zou je antwoord kunnen geven op de vraag ‘Wat voor stad wil Groningen zijn?’. Blijft deze bus daar dan staan? Is er ruimte voor een Henkies Hoekie?

De kiosken die aan het begin van de vorige eeuw verspreid in en om de stad de verschenen, waren veelal met zorg en aandacht ontworpen. Ze verfraaiden het straatbeeld en de openbare ruimte. Maar als stedelijkheid juist iets laag-bij-de-gronds is, zoals Hoexum stelt, moet er misschien ook wel ruimte zijn voor een houten kraampje met een ijzersterke slogan. Groningen moet zeker geen te aangeharkte stad worden. 

Nu de gemeente de brief heeft ingetrokken, kan ze van de kramenkwestie misschien wel een pracht van een ontwerpopgave maken. Eén die wisselt tussen hoog-over en laag-bij-de-grond. Een samenwerking met alle betrokkenen, op alle niveaus. Een opgave met ruimte voor het rijke kioskenverleden, het heden en de toekomst. Iets waarbij je allerlei functies combineert: van bloemen tot kranten, van koffie tot toiletten. Iets voor dag en nacht. Iets… integraals! 

Meer lezen over de geschiedenis van Groningse kiosken?

‘No Milk today, Melkkiosken en melksalons in Groningen. De geschiedenis van een verdwenen bedrijfstak’ uit Hervonden Stad, Rita Overbeek, en Henk Wierts (2016), p.134-159