De Onmisbaren // Aflevering 2
Restaurateur Joeri van Marrewijk brengt kunstwerken opnieuw tot leven
Ambachtswerkers zijn onmisbaar. Ze dragen bij aan de identiteit en de cultuur van een plek. Timmermannen, schilders, metselaars, restaurateurs – zonder hun handmatige vakwerk zou onze omgeving een stuk schraler, saaier en lelijker zijn. Wie zijn de ambachtslieden die we zo hard nodig blijven hebben? Op zoek naar de Groningse makers van nu ging Yara Meilink langs bij Joeri van Marrewijk, die op ambachtelijke wijze metalen kunstwerken repareert.
Het regent vonken in de werkplaats van Joeri van Marrewijk. In een grote open loods loopt de Groningse kunstenaar druk heen en weer tussen lastafels en gierende slijptollen. Zijn drie werkbanken, en de vloer eronder, zijn bezaaid met gereedschap. Buiten druipen druppels van hoge bomen. Binnen mengt de zachte geur van regen zich met de scherpe lucht van geslepen metaal.
In zijn werkplaats in de Oosterparkwijk maakt Van Marrewijk (45) eigen werk en restaureert hij metalen kunstwerken van andere makers die in de openbare ruimte staan. Midden in de hal ligt een meterslange koperen pijp. Het groen uitgeslagen kunstwerk bestaat uit losse, silovormige stukken koper van verschillende groottes, die met grove bouten op elkaar geplaatst zijn. Dit is De Pijp, het enige ruimtelijke werk van kunstenaar Karl Pelgrom in de stad Groningen.
Pelgrom, die in 1962 van Amsterdam naar Oost-Groningen verhuisde, was een goeroe, de spil van een kunstenaarskolonie en initiatiefnemer van spraakmakende projecten. De Pijp werd in 1969 onthuld en stond bij een school in de wijk Paddepoel. Pakweg dertig jaar later werd de school gesloopt en verdween het werk in de gemeentelijke kunstopslag. Recent kreeg Van Marrewijk de opdracht het in ere te herstellen.
‘Ik kan niet zeggen dat ik het een prachtig werk vind, maar het is wel een léúk werk’, zegt de restaurateur. ‘Het heeft jaren in een opslag gelegen en was flink ingedeukt. Dezelfde energie die het iemand anders kostte om het werk stuk te maken, stop ik erin om het heel te maken. Alleen moet ik preciezer te werk gaan om de deuk er weer uit te slaan.'
Collectie Kunstpunt Groningen // Fotograaf: Jenne Hoekstra
Beren die confronteren
Het kunstenaarschap van Van Marrewijk startte aan kunstacademie Minerva, waar hij uiteindelijk botste met de volgens hem chaotische werkwijze. Daarom begon hij aan een opleiding tot goudsmid in Schoonhoven. Hij leerde er sieraden en kleine werken maken, maar kwam erachter dat urenlang stilzitten en werken aan iets kleins niks voor hem was. De verveling sloeg toe, en het gebogen over een klein sieraad zitten zorgde voor fysieke ongemakken.
Toen Van Marrewijk inzag dat hij de door hem geleerde technieken ook op grotere schaal kon toepassen, zette hij een volgende stap. Hij leerde zichzelf met nieuwe en grotere materialen omgaan. ‘Ik bleef doorleren. Als ik een idee had voor een kunstwerk, hoorde daar geregeld een techniek bij die ik nog niet onder de knie had. Dan beet ik me daarin vast tot ik het kon.' Die werkwijze hanteert hij nog steeds, bijvoorbeeld als hij oefent met het bewerken van glas.
'Als ik een idee had voor een kunstwerk, hoorde daar geregeld een techniek bij die ik nog niet onder de knie had. Dan beet ik me daarin vast tot ik het kon'
Van Marrewijk werkt veel met snijafval, om daaruit eigen werk te maken. Lange tijd maakte hij ruimtelijke en menselijke sculpturen, nu is hij begonnen aan een serie metalen beren. De laatste daarvan staat op een werkbank in het midden van zijn loods. De enorme stalen vishaak die door de lip van het dierenfiguur geslagen is, steekt hoog uit boven de tafels. ‘Toen ik aankwam bij de beeldentuin waar hij tentoongesteld zou worden, schrok de eigenaar. Hij plaatste hem vervolgens helemaal achter in de expositieruimte.' Lachend: 'Ik denk dat hij op iets vrolijkers had gehoopt.'
De volgende beer waaraan hij werkt, is er eentje die gegijzeld en beschoten wordt. ‘Ook geen gezellig werk, maar het past bij de staat van de wereld en mijn gevoel daarbij.' De beren roepen precies het ongemak op dat de kunstenaar wil laten zien. Dat doet hij vanuit het oogpunt dat mensen zich makkelijk wegdraaien van de narigheid in de wereld. Middels de beren wil hij ze juist confronteren met het ongemak: leed en onmacht verpakt in een symbool dat mensen makkelijk consumeren. ‘De beertjes vertolken de kinderlijke onschuld. Daarom laat ik ze die ellende overkomen.’
Collectie Kunstpunt Groningen // Fotograaf: Jenne Hoekstra
Verbonden met Groningen
Door zijn eigen werk deed Van Marrewijk de kennis en ervaring op waarmee hij uiteindelijk restaurateur kon worden. Inmiddels krijgt hij opdrachten via onder meer Kunstpunt en de gemeente Groningen. Zo restaureerde hij met zijn acetyleentoorts zes van de zeven messing bollen uit het voor Groningers bekende werk Rollebollen van René de Boer, die op het speelveld aan het Bernoulliplein liggen. De bollen, bedoeld om heen en weer gerold te worden, waren al meerdere keren gerestaureerd. Nadat ze zo vervormd waren geraakt dat ze niet meer rolden, deukte Van Marrewijk ze uit. Daarnaast dichtte hij diepe scheuren waaraan spelende kinderen zich zouden kunnen bezeren.
Als je weet waar je moet kijken, zie je de sporen van Van Marrewijks werk, op de plekken waar de bollen scheuren vertoonden. ‘Het kunstwerk heeft veel gebruikssporen en hoort er niet perfect uit te zien. Hoewel ik mijn zichtbaarheid in kunstwerken zo klein mogelijk probeer te houden, is het in dit werk niet erg als je hier en daar het handschrift van mij als restaurateur ziet. De restauratie hoort immers bij het leven van de bollen.’
Bijzonder aan deze restauratie was dat Van Marrewijk de bollen bijna volledig kon herstellen met oud materiaal van René de Boer zelf. Dat lag nog op de plank bij de lasspecialist waaraan de kunstenaar het ooit terugverkocht.
Met zijn zoontje fietst Van Marrewijk nu af en toe langs Rollebollen. Hij vindt het leuk om bezig te zijn geweest met zo’n herkenbaar deel van ‘zijn stad’. ‘Op die manier voel ik me extra verbonden met Groningen en de specifieke plaatsen in de stad waar kunstwerken staan die ik gerestaureerd heb.’
Overigens was de restaurateur altijd al verknocht aan Groningen. Hij verliet het Noorden om te studeren in Schoonhoven, maar kwam zo snel mogelijk terug. Inmiddels woont hij tussen de weilanden, vlak buiten de stad. ‘Groningen is nou eenmaal thuis voor mij. Het helpt dat het een stad is met veel jonge mensen. Zij geven een extra zetje aan het culturele leven. Dat maakt het ook makkelijker om hier werk te vinden.’
Collectie Kunstpunt Groningen // Fotograaf: Jenne Hoekstra
In de prullenbak
Van Marrewijk restaureert met liefde. Vooral de creatieve puzzel die het soms is, maakt het werk voor hem interessant. ‘Lassen zelf vind ik niet bijzonder leuk. De oplossingen die lassen biedt, maakt het leuk. Het is mooi om een gedeukt of gebroken kunstwerk binnen te zien komen en het opgeknapt weer af te leveren.'
Hoewel hij er tal van restauratieklussen op heeft zitten, blijft het opleveren van zo'n werk spannend. Vooral als de maker nog leeft. ‘Als restaurateur heb je een heel duidelijke opdracht: een kunstwerk terugbrengen naar hoe het ooit was. Aan de ene kant is dat fijn, want het is overzichtelijk. Tegelijkertijd zorgt het ervoor dat mensen iets heel specifieks verwachten. Als ik iets oplever dat niet precies binnen die verwachting valt, is het snel een teleurstelling.'
Ook in zijn eigen werk draait het voor Van Marrewijk om het maakproces. 'Het voordeel daarbij is dat ik het gewoon weg kan gooien als ik het niet mooi vind.’ Menig kunstwerk van zijn eigen hand is op die manier in de prullenbak beland. Een opmerkelijke houding voor iemand die zijn werk maakt van het bewaren van andermans kunst. Maar misschien is het precies zijn ervaring als restaurateur die ervoor zorgt dat hij zich zo weinig hecht aan zijn eigen werk.
Zelf heeft de kunstenaar geen enkel eigen werk thuis staan. ‘Ik heb wel veel van andere kunstenaars. Daarin zit nog de verwondering die mijn eigen werk niet meer heeft, omdat ik het zelf gemaakt heb.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Zodra een werk af is, moet het de wereld in. Als het verkocht of geplaatst is, heb ik het weggegeven en wordt het een gebruiksvoorwerp. Sommige kunstenaars denken daar anders over en willen dat hun kunst eindeloos ongeschonden blijft.’
'Op donkere dagen vraag ik me af wat ik aan het doen ben. Ik steek veel energie in het maken van iets dat niet functioneel is'
Zo moesten de nieuw geverfde binnenmuren van de Groningse Stadsschouwburg in 2004 teruggebracht worden naar hun originele kleur, nadat de kunstenaar van de plafondschildering stelde dat de nieuwe kleuren botsten met haar werk uit de jaren tachtig. Op die manier maken kunstenaars het anderen onnodig moeilijk, vindt Van Marrewijk.
Dat betekent niet dat kunst voor hem geen historische waarde heeft. Integendeel: een werk kan volgens Van Marrewijk juist betekenis krijgen doordat het aan de maker wordt onttrokken en aan het publiek wordt gegeven. ‘Dat werk bewaard moet worden om in erfgoed te kunnen veranderen, doet daar geen afbreuk aan. Makers gaan daar simpelweg niet over. Zodra een werk verkocht is, heeft een kunstenaar het te doen met de keuzes die de ontvangers maken.' Zo zorgt loslaten ervoor dat een kunstwerk onderdeel van de geschiedenis wordt.
Buiten rollen dikke regendruppels over het raam. Hoewel hij zijn werk als kunstenaar over het algemeen als waardevol ziet, bekruipen Van Marrewijk af en toe twijfels over de bijdrage en zin ervan. ‘Op donkere dagen sta ik in mijn werkplaats en vraag ik me af wat ik aan het doen ben. Ik steek veel energie in het maken van iets dat niet functioneel is. Wat dat betreft zie ik mijn kunstenaarschap ook als een defect: ik heb een hoop technische kennis en vervolgens maak ik daar zinloze dingen mee. Maar die gedachten eindigen altijd in het besef dat ik eindeloos van kunst geniet. En dat geldt natuurlijk niet alleen voor mij. Een kunstbeleving brengt veel mensen iets moois.’
Collectie Kunstpunt Groningen // Fotograaf: Jenne Hoekstra
De menselijke factor
Ambachtswerk is belangrijk, vindt Joeri van Marrewijk. Het houdt de ruimtelijke omgeving zichtbaar menselijk. ‘Als ambachtslieden zouden verdwijnen, zouden we de verzorging van de wereld om ons heen kwijtraken. Een omgeving die gemaakt door machinaal werk, of hij nu mooi of lelijk is, is altijd een beetje kil. Uiteindelijk denk ik dat we onthecht zouden raken als er geen menselijke aandacht meer aan de ruimte om ons heen zou worden besteed.’
De charme van zowel kunstwerken als gebouwen zit voor hem in de vingerafdrukken en kleine menselijke foutjes die erin te ontdekken zijn. Die sporen van menselijke aandacht maken onze omgeving vertrouwd.
‘In Frankrijk vond ik ooit een handvat van een Romeinse kruik. Daarin stond de duimafdruk van degene die het honderden jaren geleden maakte. In die afdruk zag ik welke druk zijn vinger op de klei uitoefende en hoe hij het heeft vastgehouden. Dat zorgde ervoor dat ik me even verbonden voelde met de maker en de omgeving. Zo'n kruik straalt een zachtheid uit die je in een op grote schaal geproduceerd IKEA-kopje niet zult voelen.’
Desondanks ziet Van Marrewijk om zich heen het aantal ambachtslieden afnemen. Steeds meer is machinaal mogelijk, waardoor de vraag naar ambachtelijk werk simpelweg krimpt. Toch zal een wereld zonder ambachtswerk er volgens hem niet komen. In de tijd dat hij lesgaf aan onder meer de Klassieke Academie voor Beeldhouwkunst zag hij dat zich steeds nieuwe enthousiastelingen aandienen. ‘Er zullen altijd mensen bereid blijven om dit werk te doen. Dit vak kent echt liefhebbers. Dat verdwijnt niet zomaar.’
Voor hem persoonlijk komt hoop uit een verrassende hoek: de bouw van nieuwe wijken en de vernieuwing van oude wijken levert de restaurateur werk op. In veel van deze wijken plaatst de gemeente oude kunstwerken. Sommige hebben jaren in een opslag gelegen en worden nu uit het stof gehaald. Voor ze op Groningse pleintjes en grasvelden terechtkomen, gaan ze vaak eerst langs Van Marrewijks werkplaats voor een opknapbeurt. Dat geldt ook voor het koperen kunstwerk van Karl Pelgrom dat zijn loods op dit moment bezet houdt.
Buiten is de regen gestopt. Binnen heeft Van Marrewijk zijn schort aangetrokken en maakt zijn lasmachine nieuwe vonken. Grote wensen voor de toekomst van de stad of zijn vak heeft hij niet: ‘Verder dan vandaag kijk ik meestal niet vooruit. En vandaag heb ik weinig te klagen.' Hij glimlacht. 'Ik hoop dat we dit volhouden.'