12 maart 2020 Door Leestijd: 9 minuten

Al ruim een decennium waart er een architectuurbeweging door Europa, één die zich nadrukkelijk richt op de samenhang tussen architectuur en de stedelijke context. Hoewel de beweging niet als collectief bestaat of uit een manifest is voortgekomen, vertegenwoordigt deze een groep ontwerpers die inspiratie put uit de bebouwde omgeving. De bestaande stedelijke structuur vormt het vertrekpunt voor een architectuur die als onlosmakelijk van de stad wordt beschouwd. De vraag is: is die nadruk op context zinvol? Wordt de stad er beter van?

BYE BYE HIS REMNESS

Al in 2007 besteedde het vakblad A10 aandacht aan deze ‘groep’, met een artikel dat de titel ‘Unspectacular architecture’ droeg. In de afgelopen jaren volgden publicaties als Building upon building, een expositie over de weaving generation, een nummer van MODULØR Magazin over de ‘New Dutch’ en een uitgave van het gerenommeerde Japanse tijdschrift A+U over Super Normal Architecture in the Netherlands 2010-2020. Het is alsof een lichting vooruitstrevende ontwerpers wordt uitgezwaaid.

Eensluidend of homogeen is de beweging geenszins, maar over één ding lijkt de groep het eens: de leden positioneren zich allemaal tegenover wat door sommigen Superdutch is genoemd – de generatie van hun leermeesters die onder leiding van 'His Remness', zoals Hans van der Heijden Koolhaas gekscherend noemde, de Nederlandse avant-garde over de wereld exporteerde.

HET KRITISCH REGIONALISME HERZIEN

De aandacht voor plek- en bouwcultuur-specifieke architectuur past bij de hernieuwde belangstelling voor het kritisch regionalisme. Kenneth Frampton gaf dit begrip inhoud met zijn beroemd geworden essay ‘Towards a Critical Regionalism: Six Points for an Architecture of Resistance’, als bijdrage aan de publicatie The Anti-Aesthetic van Hall Foster.

Oase #103 (2019) was geheel gewijd aan een revisie van het kritisch regionalisme. Het is ongetwijfeld terecht dat hier aandacht aan wordt besteed als onderdeel van de huidige ontwerpcultuur; het begrip resoneert zowel in de architectuurtheorie als in de ontwerppraktijk.

Wie het stuk van Frampton terugleest, wordt getroffen door de actualiteit ervan. Een knappe prestatie van de auteur, maar misschien zegt het ook iets over de huidige staat van de kritische reflectie. Hij beschrijft een ontwerphouding die zich positioneert tussen regionale en mondiale ontwikkelingen, in een periode dat de cultuur een nieuwe, globale wending nam.

Frampton onderzocht een ‘gesitueerde’ architectuur, met specifieke kenmerken in relatie tot topografie, klimaat, licht en tektoniek. In een tijdsgewricht waarin de ontwerp- en beeldcultuur nog universeler is geworden, lijkt het nauwelijks verrassend dat een benadering die een zekere weerstand biedt opnieuw aandacht krijgt. Niet voor niets gebruikte Frampton in zijn ondertitel de frase ‘architectuur van verzet’.

Openbare Bibliotheek, Giorgio Grassi // Foto: Peter de Kan

FORMEEL VERZET?

Heeft een benadering die onmiskenbaar geworteld is in de jaren 80 van de vorige eeuw nog relevantie voor de huidige ontwerppraktijk? Een kritische ontwerppraktijk moet altijd bemiddelen, zoals Frampton het zei, om te voorkomen dat architectuur gepolariseerd raakt tussen een geglobaliseerde ‘high tech’-benadering enerzijds (de toekomst) en anderzijds het gebruik van compenserende façades (het verleden) om de harde realiteit van een universeel productieproces te maskeren.

Geen van deze uiterste benaderingen achtte hij op zichzelf vruchtbaar, ze waren naar zijn mening een veel te oppervlakkige interpretatie van het regionalisme. Hoewel Frampton het kritisch regionalisme onderscheidde van de holle retoriek die het populisme zich eigen maakt – alsof we met architectuur bepaalde ideeën of theorieën illustreren – heeft het er alle schijn van dat deze eenzijdige lezing nu het debat bepaalt.

We moeten op zoek naar de continuïteit van de morfologie en naar de functionele coherentie als fundament voor de stedelijke structuur

Het lijkt er namelijk op dat we erg gericht zijn op de architectonische verschijningsvorm, op het vocabulaire en de vormprincipes van de stad. Terwijl we eigenlijk op zoek moeten naar de continuïteit van de morfologie en naar de functionele coherentie als fundament voor de stedelijke structuur. Gaan we hieraan voorbij, dan wordt het debat banaal, een tikje ordinair zelfs. Dan vallen we als beroepsgroep ten prooi aan wat Frampton de ‘demagogische tendensen’ van het populisme noemde, zodra politici zich in de discussie mengen.

NUANCE

Job Floris van Monadnock nuanceerde deze uitersten onlangs gelukkig, in een interview met NRC. De New Dutch kan wel iets meer van de bravoure van de Superdutch-generatie gebruiken, stelde hij. Architectuur is tenslotte niet alleen dienstbaar, maar heeft ook een culturele agenda.

Architectuur hoeft ook helemaal niets te verenigen, zou ik eraan willen toevoegen, we kunnen onze tijd niet vooruit zijn. Gelijktijdigheid en complexiteit zijn een verrijking; beperken we ons tot een ‘richting’, dan ontstaan de dogma’s.

Als we blijven hangen in gesteggel over oud en nieuw of lokaal en mondiaal, dan gaan we bovendien voorbij aan de vraag in hoeverre een dergelijk debat bijdraagt aan antwoorden op de opgaven van onze tijd. Het is eerder alsof we ons daarmee vrijwaren van de vraag hoe we met ons werk bijdragen aan de sociale, functionele of economische context.

DE STRUCTUUR ALS BASIS

De bestaande stedelijke context is altijd de moeite van het bestuderen waard, niet zozeer om ‘de taal’ te spreken als wel om de structuur en samenhang ervan te begrijpen. De stad vertegenwoordigt denkbeelden, gewoontes en ervaringen die allemaal sterk zijn geworden in architectonische tradities. Het zou wat waard zijn om een contextueel georiënteerde praktijk weer vanuit dit principe te beschouwen. Zeker in Groningen heeft het debat lange tijd deze aandacht gehad.

Al in de jaren 80 riep de lokale scene op om de stad te zien als meer dan een aaneenschakeling van bouwprojecten. De basis moest een samenhangend stelsel van openbare ruimtes zijn. Gevels – ook al zijn ze gesigneerd door rondreizende sterarchitecten – maken de stad niet, zeker niet als we de gewilligheid zien waarmee architecten zich voegen naar de grillen, modes en maatschappelijke krachten.

De Groningse vakgemeenschap ageerde daarmee ook tegen de opkomende praktijk van bestuurders om ontwikkelingen van elders te kopiëren en om architectonische objecten van ontwerpers van buiten Groningen te ‘verzamelen’, als ware de stad een kwartetspel. Maar wat de vakwereld in Groningen vast niet bevroedde, was dat 35 jaar later de meest Groningse architect nog altijd een Italiaan zou zijn.

Openbare Bibliotheek, Giorgio Grassi // Foto: Peter de Kan

ITALIAANS AVONTUUR

Als student greep Janpiet Nicolai, oprichter en eigenaar van Codex Architectuurstudio, begin jaren negentig de gelegenheid aan om stage te lopen in Milaan. Was je destijds geïnteresseerd in postmodernisme of regionalisme, dan was dat toch the place to be. Hij belde op de bonnefooi aan bij architecten als De Lucci, Branzi en Grassi. Die laatste was op dat moment bezig met zijn ontwerp voor de Groningse Openbare Bibliotheek, nadat hij een plan had gemaakt voor de Zwaaikom bij het station, dat uiteindelijk niet doorging.

De verhalen van Nicolai over de sfeer en werkwijze op het bureau van Giorgo Grassi zeggen iets over de benadering en methodiek van de rationalist. De architect huisde in een kleine studio, waar een paar tekentafels in een propvolle kamer stonden. De ruimte die er nog was stond en hing helemaal vol met Groningen, alsof je in een Groningse studio stond.

De plattegrond van de stad zou de inspiratie moeten zijn voor het ontwerp van gebouwen

Nicolai werd uitgehoord door Grassi, niet over zijn opleiding of portfolio, maar over Groningen: over hoe de stad in elkaar zat, hoe die werd gebruikt, waar de belangrijkste gebouwen stonden, wat belangrijke routes waren. Niet dat de Italiaan dat nodig had – hij had zich letterlijk ondergedompeld in Groningen – maar om te verifiëren of zijn beeld van de stad klopte. Hij verdiepte zich niet alleen in de architectuur en de opgave, maar ook in de cultuur en de geschiedenis.

Grassi’s bibliotheek ontleent zijn kwaliteit niet aan de rode baksteen (die we per slot van rekening allemaal gebruiken), maar is fantastisch geplaatst, fenomenaal georganiseerd, als vanzelfsprekend binnen de historische context van de binnenstad gevoegd. De relatie tussen programma, functionaliteit, stad en geschiedenis klopt, nog los van de bescheiden uitstraling.

HET GEBRUIK VAN DE VORM

Tegenover de verschijning van de context, als inspiratie voor passende architectuur, zou de plattegrond van de stad inspiratie moeten zijn voor het ontwerp van gebouwen. De samenhang tussen architectuur en stedelijke context voert tenslotte verder dan wat we zien. Kunnen we de stedelijke structuur als vertrekpunt voor onze vergezichten nemen? Kunnen we ervaren hoe de stad wordt gebruikt? Durven we de context als een functioneel uitgangspunt te nemen, waarbij we niet alleen analyseren hoe die is en in elkaar zit, maar ook bevragen wat de stad nodig heeft en hoe we op basis daarvan de opgave bepalen?

Een kritische praktijk is wars van uitstraling en uiterlijk vertoon. Niet de behandeling en het aanzien van bebouwing of de relatie tussen vormprincipes uit verschillende periodes of stijlen zijn relevant, het gaat juist om het leven in die bebouwing; om hoe dat op de straat is gericht, gerelateerd is aan de stedelijke ruimte, aan de specifieke plek in de stad en hoe dat leven het programma van de stad beïnvloedt en verrijkt.

Openbare Bibliotheek, Giorgio Grassi // Foto: Peter de Kan

KLEINE STAPPEN

De notie van Vittorio Lampugnani, zoals hij die uiteenzet in Oase #92, is genuanceerd en passend voor een praktijk die beweert een kritisch regionaal perspectief te hebben. In zijn artikel ‘Traditioneel, subtiel innovatief en onontkoombaar modern’ stelt hij dat de conditie van de moderniteit altijd een breuk met het verleden heeft geïmpliceerd, een afscheid van een architectuur die niet meer van deze tijd is. Maar in werkelijkheid kunnen we een dergelijk onderscheid helemaal niet maken, zegt hij terecht.

Ook staat Lampugnani kritisch tegenover innovatie als doel op zich. Toch geldt dat wat we nu ‘authentiek’ of kritisch regionaal noemen ooit een stap vooruit was. Een kleine stap wellicht, maar toch, een stap. Anders zou elke vorm van kennisontwikkeling en ontwerp overbodig zijn en beperken we ons vakgebied in het beste geval tot een kunstvorm en in het slechtste tot een stijloefening, zoals hij het prachtig verwoordt.

Lampugnani richt zich op de continuïteit van het vakmanschap, op het werk na werk opbouwen van een praktijk, met alle aanpassingen, wijzigingen en kleine verbeteringen die daarbij horen. We kunnen het heden niet zien als een autonome fase die is losgezongen van het verleden, net zoals we plek of regio niet los kunnen zien van gebruik, functie en de vraag wat de plek nodig heeft. Alleen de kracht van continuïteit kan, voorbij elk oppervlakkig formalisme, een duurzame kwaliteit realiseren.

NIEUWE GRONINGERS?

Een aantal ontwikkelingen maakt nieuwsgierig naar de termijn waarop Grassi zijn predicaat ‘meest Groningse architect’ nog kan houden. Zo is het plan voor de Kunstwerf een poging om met verschillende typen openbare ruimte het gebouw met de stad te vervlechten. Ook het ontwerp voor het stationsgebied laat zien dat je met een moderne verkeersknoop zorgvuldig kunt aansluiten op bestaande stedelijke structuren.

Het gebouw van Grassi zelf krijgt bovendien een uitbreiding, nu de bibliotheek is verhuisd naar het Forum en de Rijksuniversiteit er de rechtenfaculteit zal huisvesten. Het ontwerp wordt door het Spaanse architectenbureau Cruz en Ortiz gemaakt, dat al heeft aangegeven de ontwerpprincipes van Grassi te zullen respecteren. We hopen dat ze zich hieraan zullen houden, ze zouden van de meest Groningse architect een Zuid-Europese familie kunnen maken