Beste stadsbouwmeester,

5 maart 2021 Leestijd: 7 minuten

Stadsbouwmeester Nathalie de Vries is aangesteld om iedereen van ongevraagd advies te voorzien. Nog voor ze goed en wel begonnen was, was zij juist degene die van alle kanten bestookt werd met goedbedoelde raad. Erik Dorsman doet er nog een schepje bovenop. Een pleidooi om naast het bewaken van 'de grote lijnen' toch vooral ook in de gaten te houden wat er op straatniveau gebeurt.

Foto: Peter de Kan

Beste stadsbouwmeester,

Afgelopen maand hebben wij elkaar ontmoet, tijdens een vergadering over de stand van zaken rondom de vernieuwing van het Groninger hoofdstation. Ook al was het op afstand, het was aangenaam kennis met u te maken. Niet alleen u persoonlijk te kunnen ontmoeten voelt als een voorrecht, ook het wonen in een stad waar iemand van uw kaliber wordt aangesteld is dat. Iemand die, zoals Kees van den Berg het vorig jaar treffend verwoordde, als onafhankelijk adviseur in Groningen de ‘hofnar van de ruimtelijke kwaliteit’ mag zijn.

Achteraf vroeg ik me af hoe onze ontmoeting voor u was. Niet dat de vergadering niet leuk was, maar u zult ondertussen wel moe zijn van alle ontmoetingen en kennismakingen. Het waren vast twee gekke maanden voor u, zeker nu u iedereen slechts digitaal de hand kon schudden.

Was u maar een eeuw geleden stadsbouwmeester, dan zat u inmiddels aan uw eerste school te tekenen, had u waarschijnlijk al een woonwijk aan het papier toevertrouwd en dacht u na over paviljoens in het park, publieke toiletten, zwembaden, gemaalhuizen en transformatorstations.

Aan de andere kant: dan was de functie van stadsbouwmeester wel een heel eenzame geweest. Volgens mij is dat niet de manier waarop u in het vak staat, gezien uw ervaring en opgebouwde expertise. Bovendien moet het toch als een warm bad aanvoelen dat zo’n beetje de gehele vakwereld in Groningen u, die als onafhankelijk mentor ongevraagd advies mag uitbrengen, ongevraagd van advies heeft voorzien – nog voordat u goed en wel was begonnen.

Vertrekkend stadsbouwmeester Jeroen de Willigen schreef u al een brief, een voorpublicatie van het boekwerk waarin hij zijn ervaringen van zes jaar stadsbouwmeesterschap heeft samengebald. GRAS publiceerde daarnaast een uitputtende serie waarin het uiteenlopende figuren uit de ontwerp- en bouwwereld vroeg naar wie u zou moeten zijn, wat uw achtergrond zou moeten zijn, welke opgaven er spelen, hoe u daar het beste aan kunt werken, welke dingen u beter moet doen dan uw voorganger, enzovoort.

Niet niks, om daaraan te moeten voldoen. Maar misschien ook een mooie set handvatten waarmee u in relatie tot anderen uw functie invulling kunt geven.

Dit is geen slimme aanvliegroute, besef ik nu. Want alsof al deze goedbedoelde consultaties nog niet genoeg zijn, zou ik er toch nog één aandachtspunt aan willen toevoegen. Dus ik hoop dat u openstaat voor een laatste advies, voordat de adviezenstroom in omgekeerde richting zal aanvangen.

Zoom alstublieft zo nu en dan in op straatniveau, of zelfs op het niveau van kozijnprofielen en winkelpuien

Wat me opvalt in alle ideeën, suggesties en warme aanbevelingen is dat uw werk zich vooral op de grote lijnen zou moeten richten. U moet inspireren, verbinden, agenderen, een visie op opgaven ontwikkelen, de kwaliteit van ontwikkelingen bewaken. Bijna iedereen leek van mening dat uw aandacht niet te veel bij het schaalniveau van projecten of uitvoering moet liggen, dat we uw kostbare tijd bij wijze van spreken niet aan zoiets als de welstandstoets moeten besteden.

Om met die grote lijnen te beginnen: natuurlijk ben ik het daar op hoofdlijnen mee eens. Net als uw voorganger bent u stedenbouwkundig ontwerper en zult u het projectniveau moeten overstijgen om de stad meer dan de som van onze gedeelde inspanningen te maken. Daar twijfelt volgens mij niemand aan. Maar naast stedenbouwkundige bent u ook architect. U bent gewend juist ook op een kleiner schaalniveau kritisch te kijken en denken.

Eerlijk gezegd lag de kwaliteit van uw voorganger ook niet enkel op de grote lijnen, ondanks zijn stedenbouwkundige achtergrond. In het manifest Perspectief op stedenbouw, dat Jeroen de Willigen samen met het Atelier Stadsbouwmeester formuleerde, verwoordde hij het mooi:

‘De invloed van ons werk reikt vaak verder dan de locaties waaraan we werken. We werken als stedenbouwers van de grootste structurele orde tot op het kleinste niveau van inrichting, zowel in ruimtelijke als functionele zin.’

In zijn afscheidsbrief aan u adviseerde De Willigen om Groningen het laatste zetje te geven, haar ver boven het maaiveld uit te tillen en weer een architectuurstad te maken. Daarvoor moet u wel weten hoe dat maaiveld eruitziet en hoe we er precies bovenuit kunnen steken. Ondanks het noodzakelijke, discipline-overstijgende perspectief en de samenhangende aanpak van opgaven die uw werk hier zullen kenmerken, wil ik u daarom vragen toch af en toe uw blik te vernauwen. Zoom alstublieft zo nu en dan in op straatniveau, of zelfs op het niveau van kozijnprofielen en winkelpuien.

Aan de basis van deze vraag ligt de zorg over een groeiend onderscheid tussen de papieren werkelijkheid en de praktijk. Dit is geen nieuwe kwestie, maar wel één die nog steeds aandacht behoeft. Al in zijn eerste jaren vroeg De Willigen zich af of het niveau van uitvoering niet op een historisch dieptepunt was beland en of we niet te veel papieren bureaucratieën waren geworden, met onvoldoende zicht op hoe ons werk bijdraagt aan wat we zien op straat. Dat was weliswaar een wat meedogenloze conclusie geweest, maar wie in die dagen een beetje om zich heen keek en op de hoogte was van wat er werd aangevraagd, wist dat hij geen gekke dingen zei.

Later, in een uitgebreide evaluatie van de eerste drie jaar van de vernieuwde welstandspraktijk, blikte de stadsbouwmeester nog eens grondig terug op de aanhoudende roep om een striktere handhaving. Hij wees er ook op dat de welstandscommissies dit thema vóór zijn aanstelling al verscheidene malen onder de aandacht hadden gebracht. Vanaf 2010 kwam de prangende kwestie van handhaving in praktisch alle jaarverslagen, in meer of mindere mate en in uiteenlopende bewoordingen, aan bod.

Grote lijnen zijn van belang, maar krijgen weinig betekenis als we ze niet inkleuren

Nu kunt u denken: dat staat dus voldoende op de agenda, daar hoef ik me geen zorgen meer over te maken. Maar ik zou u graag uitnodigen zelf te komen kijken. Loop af en toe een rondje door de stad, bezoek plekken waar wordt gebouwd, of waar projecten net zijn opgeleverd, of wellicht plekken waar juist al heel lang niets is gebeurd. Als we van de grote lijnen niets op straat zien, gaat er immers iets mis. Ik hoop dat u voldoende ruimte neemt om deze taak ook als de uwe te zien.

Grote lijnen zijn van belang, maar krijgen weinig betekenis als we ze niet inkleuren, of vullen met kleinere lijnen. Om deze integrale blik op verschillende schaalniveaus nog met een mooie anekdote te voeden, grijp ik terug op de interviews die ik bij het samenstellen van het hierboven genoemde Perspectief op stedenbouw afnam met stedenbouwkundigen van de gemeente Groningen.

Tijdens een discussie ontstond de vraag wat ‘erger’ was: slechte stedenbouw met daarin goede architectuur, of goede stedenbouw met daarin slechte architectuur. Zoals van stedenbouwkundigen verwacht mag worden, werd deze kwestie al snel een pleidooi voor het tweede deel van de vergelijking. Als de stedenbouw maar goed is, dan maakt het niet uit waarmee het wordt ingevuld.

Typologisch of stilistisch zouden we die bewering misschien nog enigszins kunnen volhouden. Maar wie in willekeurige richting de stad uit loopt, zal genoeg voorbeelden tegenkomen waaruit blijkt dat deze stelling niet overeind blijft.

Gelukkig werd de discussie doorbroken met de opmerking dat beide denkoefeningen niet bepaald nastrevenswaardige situaties zouden opleveren. De problemen ontstaan juist als we architectuur en stedenbouw los van elkaar gaan zien.

Om te zien hoe de verschillende schaalniveaus elkaar beïnvloeden, moeten we voortdurend een doorsnede over de stad tekenen. Daarmee krijgen we zicht op hoe ze in elkaar overgaan, zorgvuldig op elkaar aansluiten of juist gescheiden van betekenis zijn. Als we aan de ene kant van de stad morrelen aan de grote lijnen van de stedelijke structuur, kan dat invloed hebben op de kleinste niveaus aan de andere kant van de stad. Maar dat hoef ik u natuurlijk niet te vertellen.

In een column over goudvisjournalistiek schreef Rob Wijnberg op De Correspondent onlangs over een vergelijkbaar fenomeen. In dit geval ging het over de toeslagenaffaire, die hij toeschrijft aan incidentenpolitiek. Nu kan ik moeilijk beweren dat de gebouwde omgeving in Groningen in eenzelfde staat verkeert als ons toeslagensysteem, maar de kenschets die Wijnberg geeft van nieuws als een dagboek zonder geheugen, is een sprekende omschrijving van wat we bij het werken aan de stad toch zouden moeten willen voorkomen.

Als we geen oog hebben voor de samenhang van het grote verhaal met de kleine momentopnames, wordt de werkelijkheid fragmentarisch. Ik hoop dat u als stadsbouwmeester ons uw grootste visies tot in de kleinste details zal laten ervaren.

Hartelijke groet,

Erik Dorsman