26 maart 2020 Door Leestijd: 14 minuten

Steeds vaker kom je voor de onprettige verrassing te staan dat hele rijen bomen, die al decennia op hun plek stonden, er opeens niet meer staan. Toen het Peter de Kan onlangs weer eens overkwam, zette het hem aan het denken over onze relatie met en onze houding ten opzichte van de natuur. 

‘Je bent te laat, we zijn er niet meer. Dat wil zeggen: we zijn er nog wel – nog even – maar je ziet het niet.

We zijn er altijd al geweest. We waren er al toen jij nog op naar de kleuterschool ging, bij de zusters in Hoogezand, toch? Oh nee, Sappemeer. Daar stonden we trouwens ook, langs het kanaal aan de noordoever, net als hier. In de jaren 70, toen jij naar de lagere school fietste, werden we gekapt in het kader van de vooruitgang –  ook toen al.

Wij, monumentale bomen, gekapt, het diep gedempt en sindsdien is men daar op zoek naar een hart, ha! Maar dit bedenk je zelf – wij denken daar helemaal niet aan. Wij denken hoogstens aan elkaar, aan de vogels die hun nest in ons bouwen, aan de schimmels die ons lot delen.

Ruim zestig zomers hebben we hier gestaan. Kijk maar, daar ligt nog een stuk van een van ons. Tel maar na. Typisch iets voor jou, tellen, sommen maken, rekenen, berekenen.

Straks kom je een vrouw met hond tegen, een eind verderop, aan de andere oever. Ze zal je vertellen dat we iepen waren. Nee, geen populieren. Ze zal je vertellen dat we ziek waren, dat we daarom moesten verdwijnen.

Altijd hetzelfde liedje, wij blijken ziek te zijn en moeten dan worden gekapt. Voor jullie is een zieke boom een dode boom en ons wordt niks gevraagd. Je zag het trouwens even geleden al op dat gele bord staan, toch? Nou? Wat staat daar? Precies! 'Groot schip gaat voor klein schip'. Bondiger kunnen wij het niet zeggen, en wij zijn zuinig met woorden.

Groot Schip gaat voor klein schip. Jullie zijn het Grote Schip, altijd zijn jullie het Grote Schip. Wist je dat jullie VOC indertijd alle oude eiken heeft gebruikt voor haar schepen? Toen hier alles op was haalden jullie ons uit de Baltische staten. En daarna was echt alles op, waren alle oude bossen gekapt – de Engelsen, Fransen, Spanjaarden, iedereen hielp een handje. Eeuwenoude eiken vaak, honderden jaren oud, want de meesten van ons halen dat met gemak.

Maar jullie gunnen ons de tijd niet meer om zo oud te worden – het Grote Schip van de Vooruitgang moet erlangs en wij moeten wijken. Letterlijk, want volgens ons is hier de kanaalverbreding de ware reden van onze kap.

Straks ga je naar het filmfestival, waar je de film Fire Will Come gaat zien. Je moet goed opletten, in het begin zie je eucalyptusbomen die met een soort shovel gerooid worden. Die bomen zijn speciaal voor de papierproductie veredeld – al is dat hier wel een heel cynische benaming. Ze zijn door de veredelaar geselecteerd op het niet of nauwelijks hebben van zijtakken. Zo kunnen ze zeer dicht op elkaar staan en uitgroeien tot lange rechte palen die gemakkelijk gerooid en tot pulp vermalen kunnen worden.

Heel praktisch. Maar met bomen, met bos, met leven heeft het weinig meer te maken. Productiebos noemen jullie het toch? Wij hadden het niet beter kunnen zeggen. Ja, ga nu maar, we merken dat je haast hebt, dat filmfestival wacht niet. Wachten, dat kun je beter aan ons overlaten.’

Van lokaal naar globaal

Of bedenk ik dit allemaal zelf? Overvliegende ganzen halen me met hun vertrouwde gegak uit mijn gemijmer. Schrikken zij ook van de hevige afwezigheid van deze bomen?

Aan de andere oever, nadat ik inderdaad die vrouw met hond heb gesproken, stel ik scherp op de leeggeschoven overkant en wacht, wacht tot de boot haar plaats in het beeld heeft ingenomen. Pas als ik de foto op de camera terugkijk lees ik de naam van de boot: Amazone.

Amazone, hier? Ja, Amazone, hier.

Bruno Latour heeft het in zijn boekje Waar kunnen we landen?, het vervolg op Oog in oog met Gaia, over het globale en het lokale. Over dat het overgaan van een lokaal naar een globaal standpunt (die Amazone in het Van Starkenborghkanaal) een verveelvoudiging van invalshoeken zou moeten inhouden: een rekening houden met een groter aantal wezens, culturen, verschijnselen, organismen en mensen.

Waarom houdt het dan tot nu toe in de praktijk in dat één enkele, volstrekt provinciale visie zich aan iedereen opdringt en zich overal verspreidt?

Het lijkt erop dat je kijk op de wereld beperkter wordt naarmate je meer mondialiseert. Latour stelt voor onderscheid te maken tussen mondialisering-plus (met open oog voor een toenemende complexiteit) en mondialisering-min (gepaard gaand met een blikvernauwing, een versimpeling van je visie).

Tegenover de aanhangers van mondialisering-min zouden dan de voorliefde voor het lokale, de gehechtheid aan het land, de verbondenheid met tradities, de aandacht voor de aarde staan. Waar mondialisering-min het modernisme predikt zet ze tegelijkertijd de aanhangers van het lokale weg als reactionair en ouderwets. Maar de modernisering afwijzen is ook moedig verzet bieden, door de eigen streek niet te willen inruilen voor een andere ­– Wall Street.

Latour stelt voor om onderscheid te maken tussen het lokale-min (een angstvallig vasthouden aan) en het lokale-plus (met open blik naar de wereld). Als puntje bij paaltje komt gaat het er niet om of je voor of tegen de mondialisering, voor of tegen het lokale bent; het gaat erom zoveel mogelijk alternatieve vormen van toebehoren aan de wereld te registreren, te handhaven en te koesteren.

Waar het uiteindelijk op neerkomt is dit: de planeet is veel te krap voor de globe van de modernisering, maar ze is ook veel te groot om opgesloten te blijven binnen de beperkte grenzen van welke lokaliteit ook. We worden links en rechts ingehaald door wat te groot én wat te klein is. We weten niet waar we naartoe moeten, hoe we moeten leven, met wie we moeten samenwonen, aldus Latour.

Naar een allesomvattend wereldbeeld

Ik ben Oog in oog met Gaia vorige lente gaan lezen omdat ik antwoord zoek op de vraag hoe we deze planeet leefbaar kunnen houden voor ons en al wat leeft en bloeit.

Vijfenveertig jaar geleden kwam ik naar Groningen en ging ik biologie studeren. Tijdens de studie schoof ik steeds meer op richting natuurwetenschap, de harde feiten, de natuurwetenschappelijke methode. Biochemie was me liever dan ecologie en ethologie, dat was me te vaag, te wollig. Maar zo bracht die studie me niet waarvoor ik was gekomen: de bescherming van de natuur! (Dat dat nodig was wist ik uit het rapport van de Club van Rome.)

Een bijvak wetenschapsfilosofie bracht me ook nog eens aan het twijfelen over de wetenschap zelf; het bleek één van vele waarheidsspelen en niet de ultieme brenger van rotsvaste waarheid waarvoor ik het had gehouden. Ik zag af van een onderzoeksplek aan de universiteit, koos voor het onderwijs, werd didacticus, raakte in de jaren 80 door een economische crisis mijn baan kwijt en gooide het uiteindelijk door naar de kunstacademie te gaan over een heel andere boeg.

Nu lees ik me terug de biologie in en kom ik erachter dat het vakgebied ingrijpend is veranderd. Je zou kunnen zeggen dat het accent is verschoven van ‘de soort’ als geïsoleerd fenomeen naar het organisme als noodzakelijke schakel in een web van relaties. Je zou ook kunnen zeggen dat de aandacht verschuift, weg van het onderscheid tussen mens en ander leven, tussen natuur en cultuur, naar een allesomvattend wereldbeeld waarin we niet meer boven de rest staan maar ernaast en ertussen. Een wereldbeeld waarin we volledig deel uitmaken van wat we nu nog natuur noemen (maar wat zo langzamerhand misschien wel een achterhaalde term blijkt).

In de woorden van Latour: probeer je alleen ‘natuur’ te definiëren, dan lukt dat niet zonder de term cultuur (de mens is wat aan de natuur ontsnapt); probeer je alleen ‘cultuur’ te definiëren dan heb je toch ook natuur nodig (de mens is wat ‘niet volledig kan ontsnappen’ aan de dwang en beperking van de natuur). Het zijn geen twee domeinen, aldus Latour, het is eerder hetzelfde concept in twee met sterk elastiek verbonden delen. ‘Natuur’ en ‘cultuur’ als de helft van een paar dat door één enkel concept wordt omschreven – vandaar de aanhalingstekens: beide termen hebben een codering gemeen.

Uitgaande van een taal die van de tegenstelling natuur/cultuur gebruik maakt, zouden we dat wat we willen zeggen geleidelijk kunnen vertalen in een andere taal die geen gebruik maakt van die tegenstelling. Een taal waarin wij mensen niet meer het hoogste woord voeren, een taal waarin ook andere levensvormen handelingsvermogen hebben.

Een taal die opkomt voor de belangen van de zee, het water, de bodem, schimmels en ja, bomen. Een taal waarin we ophouden te benadrukken wat ons van de natuur onderscheidt en waarin het gaat over wat ons met die natuur verbindt.

Een taal die op zoek gaat naar dat ene concept waaruit de achterhaalde tegenstelling natuur/cultuur is voortgekomen terwijl ons het zicht op die bron is ontnomen. Waarin natuur niet meer in een hoekje staat met een hek eromheen maar onontkoombaar overal en nergens is. Waarin die bomen aan het Van Starkenborghkanaal niet ‘gecompenseerd’ kunnen worden, omdat het belachelijk is alleen al te denken dat je dat zou kunnen.

Wat in het groot geldt voor de Amazone – als het weg is krijg je het niet meer terug – geldt hier ook. En probeer je even in de bomen te verplaatsen, die willen helemaal niet gecompenseerd worden, ze willen gewoon blijven staan waar ze staan, hun bladeren laten ruisen, ze willen met hun verdamping en schaduw hun omgeving koel en vochtig houden, ze willen |

Afgezaagd.

Levenskrachtige bomen

Ik moet het ook even over de Zernikelaan hebben. De honderd uit de kluiten gewassen bomen die daar ten onrechte gekapt zijn worden ook ‘gecompenseerd’, lees ik. Voor elk van die reuzen plant de gemeente Groningen ergens anders (waar?) anderhalve boom (hoe klein? Welke soorten?) terug.

Haha! Niet dat die anderhalve boompjes er ook maar iets aan kunnen doen hoor, maar op deze manier kachelen we alleen maar achteruit. Anderhalve monumentale boom terug voor elk gekapt exemplaar, ja, dat is beter. Vijf grote bomen terug voor elk gekapt exemplaar zou natuurlijk nog beter zijn – en nu niet over geld beginnen te zeuren!

Niet kappen en tóch vijf nieuwe grote bomen voor elke bestaande boom, daar moet het heen. Niet pas handelen zodra er gekapt wordt – want er zal zo nu en dan een boom sneuvelen, dat snap ik ook wel. Je zou toch ook een oude, grote boom die gekapt moet worden kunnen vervangen door een andere grote, oude, gezonde, sterke, levenskrachtige boom? Het kan!

En nu niet over geld beginnen te zeuren.

Nu ik toch bezig ben: we hebben behoefte aan bomen die weer gewoon oud kunnen worden. Eeuwenoud.

Binnen het huidige dominante (economische) systeem, het kapitalisme, is de natuur in de net genoemde tegenstelling vooral een onuitputtelijke bron van grondstoffen waaruit naar behoefte geput kan worden. Als de grondstoffen niet op kunnen raken, kunnen we dus altijd maar door blijven groeien; (economische) stilstand is achteruitgang, vooruitgang is (economische) groei! Het (economische) werkt hier als vorm van blikvernauwing: iets bestaat pas als het in geld uitgedrukt kan worden. Het kapitalisme is een andere vorm van blikvernauwing; sinds de val van het IJzeren Gordijn lijkt er geen alternatief meer denkbaar.

Als de klimaatcrisis één lichtpuntje heeft dan is het dat nu eindelijk duidelijk wordt dat er grenzen zitten aan de kapitalistische groei, dat het zo onmogelijk door kan gaan. De natuur, de aarde, we hebben haar grens bereikt. Ze slaat terug, ze eist de agency op die haar eeuwenlang is ontzegd en treft ons keihard in het gezicht. Al kijken de meesten van ons liever nog de andere kant op.

Kosmologie zonder onderscheid

Toch nog even over de Amazone.

In de voetnoten van het boek van Bruno Latour stuit ik op een ander boek, van de filosoof en antropoloog Philippe Descola, met de hoopvolle titel Beyond Nature and Culture. Descola heeft jarenlang onderzoek gedaan in het Amazonegebied naar een van de volken die er leven, de Achuar. Zij maken geen onderscheid tussen natuur en cultuur, tussen zichzelf en de rest. Sterker nog, ze hebben niet eens een woord voor ‘natuur’.

In de kosmologie van de Achuar is alles met alles verbonden. De sjamaan is een van de vele verbindende schakels. Vlak voor de jacht kan hij of zij in de huid van het prooidier kruipen om te onderhandelen over wat een voor alle partijen te aanvaarden resultaat van die jacht zal zijn. Bij terugkomst weet de sjamaan hoeveel dieren er gejaagd mogen worden.

De Achuar hebben vergelijkbare relaties met planten, water, stenen, de aarde… Alles is gericht op het in stand houden van het geheel. Niet als een vooropgezet (politiek) doel, eerder als een vanzelfsprekend gevolg van de omgang in het rekening houden met elkaar.

De vernietiging van het leefgebied van de Achuar is inmiddels voortvarend ter hand genomen; Groot Schip moet erlangs.

Delen met de bijen

We kunnen ook dichter bij huis blijven. In de week voordat het Forum dicht ging zag ik bij toeval de laatste screening van de film Honeyland. De eerste shots zijn meteen overweldigend. We zien in vogelperspectief de bergen van Noord-Macedonië en we zien Hatidze lopen – een goudgele vlek in het groen. Ze blijkt op weg naar een wild bijenvolk, ergens tegen de bergwand, nauwelijks bereikbaar. In een spleet achter een rotsblok weet ze het nest te liggen, ze vindt er een vijftal raten waarvan ze er voorzichtig twee en een half wegneemt.

Hatidze houdt bijen en zoekt ze in de bergen. Ze oogst elk jaar de honing, wat voor haar betekent dat ze die met de bijen deelt: elk de helft – zo komen zij én de bijen de winter door. Het typeert hoe ze in het leven staat: rekening houdend met en vol respect voor haar omgeving.

Hatidze woont met haar hoogbejaarde moeder in een piepklein hutje in een verder sinds de oorlog verlaten en vervallen dorp. Van de meeste huisjes resten niet meer dan de fundamenten, het is een dorp van lage muurtjes waartussen haar zelf gevlochten en met leem bestreken bijenkorven staan. Ze hebben vrijwel niks – een dak boven het hoofd, een olielamp, een houtkachel, een hond. En die bergen, die overweldigende natuur. Nou ja, die hebben ze niet, die delen ze dus – met de bijen.

Zo gaat het en zo zou het blijven gaan als er niet ineens een gammele auto met een nog gammeler caravan het dorp in was gereden. Het is Hussein met zijn vrouw, zeven kinderen en een complete veestapel. Ze nemen meteen luidruchtig bezit van het dorp, Hatidze ziet het vanuit haar omheinde tuintje gebeuren. Hussein repareert het dak van een van de huisjes provisorisch (zoals hij alles provisorisch aanpakt) en maakt met wat voorhanden is een primitief soort kraal voor de koeien.

Het zijn de kinderen die de afstand overbruggen en het duurt maar even of Hatidze deelt ook met hen en hun ouders. Ze vertelt Hussein in haar onschuld en in vertrouwen over de bijen en wat de honing in Skopje op de markt doet.

Hussein is geen kwaaie, maar heeft geen oog voor de natuur en is alleen maar bezig geld voor z’n gezin bij elkaar te schrapen. Het duurt dan ook niet lang voor hij zijn tuin vol bijenkasten heeft staan. De bijen zijn bij hem onderdeel van de algehele chaos die zijn leven kenmerkt, de lucht is vol van de onrustige insecten – en ze steken ook nog! Wanneer een bevriende ‘handelaar’ lucht krijgt van Husseins bijen en veel geld biedt voor honing die hij nog niet heeft, komt de zaak op scherp te staan…

Als je wilt weten hoe dit afloopt, kun je Honeyland online bekijken. Dan hebben we het later wel over waar deze prachtige documentaire ook over gaat.

Nog dichter bij huis dan?

De biologisch dynamische landbouw en het plukbos, daar moet meer van komen!

Positief beeld

Het is 14 maart. Op weg naar het Zerniketerrein (waar van de bomen geen spoor meer te bekennen is) besluit ik een andere route te nemen. Ik kom terecht in een buurtje waar ik nooit eerder was. Een treurwilg trekt mijn aandacht en even verderop zie ik de eerste bosanemonen in bloei staan – dat lijkt me een positief beeld om dit schrijven mee af te sluiten.

Als ik even later het straatnaambord zoek – want waar ben ik eigenlijk? – blijkt het tot mijn lichte verbijstering om de Coronastraat te gaan. Ik wist niet dat we die hadden.